nieuws

Vaststelling huishoudelijke hulp vereist één systematiek

Archief

Bij het vaststellen van de schadepost huishoudelijke hulp zijn vaak tal van beoordelaars betrokken. Volgens arbeidsdeskundige W. Cruijff-Arts is er echter vaak sprake van beunhazerij. Bovendien ontbreekt bij de vaststelling van de behoefte aan huishoudelijke hulp een vaste beoordelingsmethodiek. Een pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek.

door W.C.M Cruijff-Arts
De werkdag in het gezinshuishouden houdt niet op bij kantoortijd; de werkweek niet bij vijf dagen. Het jaar houdt niet op bij 48 weken; het arbeidzame leven niet op 65-jarige leeftijd.
Er worden in het gezinshuishouden meer arbeidsuren gemaakt dan in enige andere bedrijfstak. Voor het overgrote deel handelt het om fysiek belastende arbeid. Als de werknemer (huisvrouw of huisman)1 als gevolg van een ongeval geheel of gedeeltelijk ongeschikt wordt voor het verrichten van huishoudelijke arbeid en er moet door betaalde krachten in vervangende arbeid worden voorzien, dan is de schade meestal aanzienlijk.
Geschiedenis
In 25 jaar vond er in velerlei opzicht een cultuuromslag plaats in de behandeling van letselschade van een huisvrouw. De huisvrouwen waren net als andere werknemers nog niet zo claimbewust als nu het geval is. Er waren toen nog maar weinig hulpverleners die huisvrouwen de juiste weg konden wijzen. Advocaten wisten met dit soort problemen geen raad. Pas met de komst van (de vereniging van) letselschade-advocaten kwam er enige verandering. En last but not least: er waren geen arbeidsdeskundigen te vinden die überhaupt expertises verrichten voor derden. Arbeidsdeskundigen in dienst van GMD en ABP mochten van hun werkgevers, bij wijze van uitzondering, wel eens een zaak doen in hun vrije tijd. Maar dan waren het zéker geen gevallen van huishoudelijke aard. Dat werd met de AAW in 1976 bekrachtigd (die overigens nu alweer verdwenen is).
Beunhazerij
Enkele verzekeringsmaatschappijen hadden in begin jaren zeventig een paar arbeidsdeskundigen in dienst, die overigens ook (en vooral) als schaderegelaars functioneerden. ‘Huisvrouwen’ hadden zij niet in hun portefeuille, omdat er voor deze mensen geen aov-polissen konden worden afgesloten. (“Circus-artiesten zijn óók niet te verzekeren”, aldus een zegsman van het Verbond van Verzekeraars destijds.)
Tot omstreeks 1985 opereerde ik als enig zelfstandig gevestigd arbeidsdeskundige in zaken voor huisvrouwen. Pas daarna openden een aantal expertisebureaus hun deuren. Vanaf 3 april 1987 (met het ‘beroemde’ arrest van de Hoge raad, dat rechtsbijstandskosten buiten rechte bij letselschade verhaalbaar zijn) verrezen de ‘onafhankelijk’ werkenden als paddestoelen uit de grond. Niet voor niets werd dit arrest enigszins smalend in de wandelgangen genoemd: het werkverschaffingsarrest.
Ik weet uit eigen ervaring dat aanvankelijk expertises voor het vaststellen van huishoudelijke hulp geweerd werden door expertisebureaus. Getuige de brieven welke ik ontving, wist men niet wat men ermee aan moest.
Toen op enig moment duidelijk werd dat huisvrouwen als groep een gat in de markt vormden, accepteerde men alle gevallen. Ook al was men op dát moment nog niet veel verder gekomen met het ontwikkelen van inzichten voor wat betreft werkmethoden, tijdsbesteding, fysieke belasting betreffende huishoudelijke arbeid.
Ruim tien jaar later moet ik helaas constateren, dat – de goeden niet te na gesproken – de meeste schadevaststellers nog steeds geen kennis van zaken hebben op het terrein van de huishoudelijke arbeid en het vaststellen van de behoefte aan vervangende hulp. Als deskundige op het terrein van de huishoudwetenschappen durf en moet ik hier vaststellen, dat er veel gebeunhaasd wordt als het erom gaat de behoefte aan hoeveelheid huishoudelijke hulp vast te stellen. Men heeft de pretentie ‘de schade te willen regelen’. Maar een medicus, die als deskundige op zijn terrein wordt geraadpleegd, wordt toch ook niet ingezet om de schadevergoeding te regelen?
Onderschatting
Op te merken valt slechts dat veel schadevaststellers, kennelijk niet gehinderd door gebrek aan kennis, onderzoeksgegevens over derden betrekken op (veronderstelde) eigen inzichten inzake de huishoudvoering van enkele mensen uit eigen omgeving. Zij gaan daarbij geheel voorbij aan verschillen in kwaliteit (van verzorgingsniveau) geënt op persoonlijke waardering daarvoor. Zo zijn er verschillen in kwaliteit van huishoudvoering op dezelfde wijze als wij zulks aantreffen in de producten van slagers, bakkers, advocaten en arbeidsdeskundigen, om maar eens enkele voorbeelden te noemen.
De nabijheid en de vanzelfsprekendheid als aspecten van het dagelijks leven en welzijn, maken het kennelijk moeilijk de huishoudelijke arbeid tot voorwerp van systematische studie te maken en leiden tot onderschatting van de problematiek. Als een rechter ter comparitie van partijen mededeelt, dat hij geen tijd heeft gehad de voorliggende stukken goed door te nemen en dat het jammer is dat zijn vrouw (geen arbeidsdeskundige!) niet in de gelegenheid was om de arbeidsdeskundige rapportage over de huishoudelijke behoefte te bestuderen, bewijst dit mijn stellingname. Ik noem dit schofferend. De kans is, in dit geval, groot dat een betrouwbare rechtsvinding illusoir wordt. Sturende willekeur kan dan eerder tot de verwachting worden gerekend.
Gelaedeerden zijn niet uit op de mening van (pseudo)deskundigen ten aanzien van wiens objectiviteit bovendien gerede twijfel op voorhand gerechtvaardigd is. Veel beroepsbeoefenaren leggen een catalogus vol met ‘wetenschappelijke’ termen in de etalage, wat in hun winkel echt niet te koop is.
Het is een schijnexactheid die ten toon gespreid wordt. Echte deskundigen prikken daar doorheen. Maar op hoeveel van dit soort kan men in Nederland bogen?
Huishoudelijke hulp is een belangrijke schadepost. Bij vaststelling van die behoefte dient de grootst mogelijke zorgvuldigheid te worden betracht, omdat één uur meer of minder per week al een aanzienlijk verschil in uitkomst te zien geeft. Zeker als het gaat om afwikkeling van de schade over een langere periode van vele jaren.
Als ernstig bezwaar moet aangemerkt worden dat arbeidsdeskundigen hun beoordeling geen vaste en algemeen aanvaarde maatstaf aanleggen. Er is een grote variatie aan uitgangspunten; aangewende methodieken blijven in den vage. Een en ander leidt tot een enorme bandbreedte bij verschillende rapporten, terwijl niet kan worden vastgesteld welke ‘deskundige’ het bij het rechte eind heeft en welke niet. Als er geen maatstaf is die bij de arbeidsdeskundige beoordeling kan worden aangelegd, dan is er ook geen norm waaraan de verslaglegging kan worden getoetst. Resultaat is in de praktijk, dat in één zaak steeds weer nieuwe arbeidsdeskundigen worden verzocht een expertise te verrichten. Al deze rapporten dienen slechts voor prolongatie van het probleem. Irrationele discussies en tijdrovend bakkeleien zijn het gevolg.
Hebben verzekeraars er belang bij deze situatie te laten voortbestaan? De gelaedeerden allerminst! In het (verre) verleden heeft het Verbond van Verzekeraars wel met de mond beleden dat een gefundeerd onderzoek zou moeten plaatsvinden. Directeur P.H. Kremer schreef op 2 oktober 1989 aan de stichting Voorlichting Huishoudwetenschappen: “De methode van professiogrammen geeft naar onze overtuiging de beste mogelijkheden om een effectieve functiebeschrijving op te zetten; dat wil zeggen met een zo duidelijk mogelijke systeem van taken en taaktijden in de huishouding”. Hierbij is het gebleven.
In 1997 werden vernieuwde (aan de tijd aangepaste) professiogrammen voor de agrarische sector door het Verbond van Verzekeraars in samenwerking met het Imag ontwikkeld en gepresenteerd aan onder andere arbeidsdeskundigen.
Het wordt tijd dat het Verbond van Verzekeraars dit soort zaken nu ook gaat ontwikkelen voor de huishoudelijke sector. De basale gegevens zijn reeds jaren voorhanden. Het kán! Maar is men er toe bereid? Het hier en daar twijfelachtige beroepsethos van de naar opdrachten dingende arbeidsdeskundigen (“Wij hebben onze wortels in verzekeringsland liggen en niet in claimland”) doet vermoeden dat men gewoon niet anders wil dan voortgaan op de weg die tien jaar geleden werd ingeslagen.
Het loven en bieden zal blijven, dat is nu eenmaal het natuurlijke spanningsveld tussen rechtshulpverleners en verzekeraars. Maar dit zal wel moeten gebeuren op reële uitgangspunten. Wetenschappelijk gefundeerd onderzoek zal kunnen leiden tot een aanzienlijke verdichting van de gesignaleerde bandbreedte, waarmee ook het algemeen belang gediend is.
Bovendien wordt dan voorkomen dat de onbetrouwbaarheid van het arbeidskundig oordeel zich voortplant in de rechterlijke beslissing. We zullen dan de eerder aangehaalde rechter, maar de sturende willekeur vergeven. Zij het voor één keer
W.C.M. Cruijff-Arts is register-arbeidsdeskundige en huishoudkundig ergonome in Veldhoven.
(Voetnoot, heel klein corps!)
* Omdat tot op heden meer vrouwen dan mannen fulltime in het hishouden werken, zal hier verder gesproken worden over huisvrouwen.
1

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.