nieuws

Uitstel (van nabestaandenlijfrente) leidt tot afstel

Archief

Op 17 november 1995 heeft het ministerie van financiën een resolutie het licht doen zien over de mogelijkheden van het sluiten van een lijfrente op twee levens en van de omzetting van een nabestaandenlijfrente in een andere lijfrente, waardoor er uitstel van de ingangsdatum van de lijfrente plaatsvindt.

door mr A.S. Lagendijk
Beide onderdelen van genoemde resolutie hebben gevolgen voor de advisering over lijfrenten en de produkt-inhoudelijke kant van lijfrenteverzekeringen.
Lijfrente op twee levens
Er bestaat sinds de invoering van de Brede Herwaardering I in 1992 onduidelijkheid over de mogelijkheid om een lijfrente op twee levens te sluiten. Zo bestaat een uitgestelde gerichte lijfrente op twee levens meestal uit drie verschillende lijfrenten:
een oudedagslijfrente ten behoeve van de verzekeringnemer (man of vrouw);een nabestaandenlijfrente die ingaat bij overlijden van de man en uitkeert aan de vrouw;een nabestaandenlijfrente die ingaat bij overlijden van de vrouw en uitkeert aan de man.Een dergelijke verzekering komt ook voor bij ongehuwde partners die een gezamenlijke huishouding voeren.
Over de toelaatbaarheid van de nabestaandenlijfrente bestaat in dit geval geen onduidelijkheid: de lijfrente gaat immers in op het moment van overlijden van hetzij de verzekerde die tevens verzekeringnemer is en daarmee de lijfrentepremie-aftrek heeft, hetzij de echtgenoot/partner.
Een oudedagslijfrente is een lijfrente bij in-leven-zijn van de verzekerde op een bepaalde einddatum. Als de betrokken verzekerde komt te overlijden, vervalt de oudedagslijfrente.
Problematisch is bij een lijfrente op twee levens dat de oudedagslijfrente ook vervalt bij overlijden van de echtgenoot of de partner van de verzekerde. Formeel is dit punt in strijd met het bepaalde in de Wet op de inkomstenbelasting, zodat het premiegedeelte voor de oudedagslijfrente niet in mindering kan worden gebracht op het inkomen.
In de resolutie van 17 november 1995 wordt goedgekeurd dat de combinatie van bovenstaande lijfrenten volledig voor aftrek in aanmerking komt. De motivering is, dat dergelijke verzekeringen een maatschappelijke functie vervullen. In de resolutie wordt geen aandacht besteed aan een uitgestelde lijfrente op twee levens waarbij niet de twee echtgenoten of partners de verzekerden zijn, maar twee anderen, bijvoorbeeld een ouder en een kind. Op Financiën is men, gezien de beperktheid van de goedkeuring, kennelijk van mening dat in zo’n situatie het premiegedeelte dat betaald wordt voor de oudedagslijfrente ten behoeve van de ouder, niet aftrekbaar is.
Voor een direct ingaande lijfrente op twee levens bestaat hetzelfde probleem. Het gaat in het bijzonder om het sluiten van een direct ingaande oudedagslijfrente of om de omzetting van een uitgestelde in een direct ingaande oudedagslijfrente, waarbij na overlijden van de langstlevende van de echtgenoten/partners een lijfrente gaat lopen ter grootte van 70% van de oudedagslijfrente. In dat geval vervalt immers 30% van de oudedagslijfrente bij overlijden van de echtgenoot/partner.
Het gevaar bestaat dat de lijfrentepremie-aftrek voor een nieuw af te sluiten verzekering geweigerd wordt en dat bij omzetting van een uitgestelde lijfrente in een direct ingaande lijfrente de omzetting beschouwd wordt als afkoop, met als gevolg heffing van belasting en revisierente.
Een ander probleem is, dat de periodieke uitkering niet voldoet aan het criterium ‘vast en gelijkmatig’, omdat de oudedagslijfrente daalt na overlijden van de echtgenoot/partner.
In de resolutie van 21 april 1994, DB 94/1411M, is dit probleem ondervangen door een afgegeven goedkeuring voor een direct ingaande lijfrente op twee levens. Ondanks het op dit punt weinig-samenhangende beleid, lijkt mij dat deze verzekering zonder problemen kan worden gesloten.
De situatie is anders, als bij deze verzekering op twee levens de tweede verzekerde geen partner of echtgenoot is maar een kind. De oudedagslijfrente is dan mede afhankelijk van het leven van het kind. Voor een direct ingaande lijfrente op deze twee levens, evenals bij een uitgestelde lijfrente, wordt geen goedkeuring verleend, noch in de resolutie van november 1995 noch in de resolutie uit 1994.
Omzetting in andere lijfrente
In de resolutie van november 1995 is het probleem aangekaart dat een nabestaandenlijfrente na het overlijden van de verzekerde door de nabestaande wordt omgezet in een oudedagslijfrente ten behoeve van zichzelf. De lijfrente gaat bij overlijden niet direct in, maar wordt door de nabestaande uitgesteld tot bijvoorbeeld de eigen pensioenleeftijd. Er ontstaat hier een strijd tussen twee wettelijke bepalingen. Enerzijds verplicht de Wet op de inkomstenbelasting om een nabestaandenlijfrente na het overlijden direct te laten ingaan, anderzijds bestaat de mogelijkheid om een lijfrente om te zetten in een andere lijfrente.
In 1991 is bij de totstandkoming van de Brede Herwaardering ongeclausuleerd gesteld, dat omzetting van een nabestaandenlijfrente in een andere lijfrentevorm mogelijk is. Naar mijn mening had de staatssecretaris van financiën de mogelijkheid van uitstel kùnnen goedkeuren en mòeten goedkeuren met een verwijzing naar de wet en de maatschappelijke functie. Waarom zou een belastingplichtige die de lijfrentepremie-aftrek claimt, de nabestaandenlijfrente wèl tussentijds mogen omzetten in een andere lijfrente en waarom zou een nabestaande zijn inkomen in de vorm van een lijfrente nìet mogen uitstellen? De staatssecretaris stelt zich naar mijn mening op een zeer aanvechtbaar standpunt.
Niettemin dient er bij de advisering rekening mee te worden gehouden dat een lijfrenteuitkering uit een gerichte lijfrente na overlijden niet mag worden uitgesteld. De fiscus zal dit uitstel namelijk beschouwen als een afkoop en zal dus tot heffing van inkomstenbelasting overgaan, en tevens revisierente in rekening brengen.
Voor lijfrentepolissen onder het oude regime uit de tijd vóór de Brede Herwaardering geldt deze regel niet, zodat daar de uitkering wèl uitgesteld kan worden na overlijden.
De resolutie heeft nog een vervelende consequentie voor kapitaalverzekeringen op vaste termijn die zijn voorzien van een gerichte lijfrenteclausule. Deze verzekeringen kunnen op grond van de resolutie niet worden uitgesteld en dienen derhalve de verplichting te bevatten dat de lijfrente niet op de vooraf afgesproken datum ingaat, maar direct na overlijden. Een keuzerecht voor de nabestaande is niet voldoende. Bevat een polis niet dergelijke verplichting, dan zal een belastinginspecteur stellen dat de premie voor de nabestaandenlijfrente niet voor aftrek in aanmerking komt.
Mr A.S. Lagendijk, Fiscale Sectie Pensioenen en Verzekeringen Coopers & Lybrand

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.