nieuws

Uitspraken over heffing op internationale gouden handdruk

Archief

De discussie over de belastingheffing over stamrechten en pensioenen in internationaal verband is nog lang niet uitgewoed. Dat blijkt maar weer eens uit een uitspraak van Hoge Raad van 20 december 2000. Terwijl het Gerechtshof van mening was dat de heffing aan Nederland werd toegewezen over de stamrechtuitkeringen vond de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof onvoldoende gefundeerd was, zodat een nieuwe afweging gemaakt moet worden.

Alfred Lagendijk
In verband met een bedrijfsovername werd de arbeidsovereenkomst van een lid van de raad van bestuur annex directeur van de overgenomen vennootschap ontbonden. De man was 53 jaar oud op het moment van het ontslag. Volgens de ontslagovereenkomst is aan de directeur ter vervanging van te derven inkomsten uit arbeid in de periode vanaf 1 april 1986 (53-jarige leeftijd) tot aan de datum waarop de directeur de pensioengerechtigde leeftijd (62 jaar) zal bereiken, een schadeloosstelling toegekend ter grootte van f 1,2 miljoen. De schadeloossteling krijgt vorm in een levenslange aanspraak op periodieke uitkeringen (stamrecht).
Naast het bovengenoemde bedrag is uit hoofde van de bestaande pensioenovereenkomst een bedrag van f 600.000, zijnde de door partijen berekende contante waarde van de toekomstige premies, toegezegd ter eenmalige financiering van toekomstige premies. De stamrechtverplichtingen (van f 1,2 mln en f 0,6 mln) zijn ondergebracht in een stamrecht-BV.
De jaarlijkse stamrechtuitkering is f 85.000 groot. Bij overlijden zou dezelfde uitkering aan zijn echtgenote toekomen. In 1988 is de werknemer van Nederland naar België verhuisd. In 1993 werd het stamrecht afgekocht, de afkoopsom bedroeg in dat jaar f 1.117.000.
Wie mag heffen?
Vervolgens rijst de vraag of deze afkoopsom in Nederland of België belast is. Het verschil is er één tussen dag en nacht. Nederland heft tegen het gewone progressieve tarief en België heft in het geheel niet of tegen een bijzonder laag tarief. Het verdrag tussen Nederland en België, dat inmiddels al enkele jaren in de revisie is, bepaalt welke van de twee landen bevoegd is om over deze afkoopsom te heffen. Overigens kent het verdrag geen zelfstandige heffingsgrond.
Als het verdrag de heffing over een bepaald inkomensbestanddeel aan één van beide landen toewijst, dan bepaalt de nationale wetgeving van het land of er daadwerkelijk geheven wordt en zo ja, tegen welk belastingtarief. Het verdrag tussen Nederland en België kent geen specifieke bepaling die de toewijzing van de belastingheffing over stamrecht regelt. In het verdrag zijn er enkele bepalingen die van toepassing kunnen zijn:
– Artikel 15: de inkomsten uit niet zelfstandige arbeid.Als dit artikel van toepassing wordt verklaard, dan wordt het stamrecht in feite gekwalificeerd als loon uit dienstbetrekking van een werknemer, waarbij de rechter van mening is dat de inkomsten uit het stamrecht zo nauw samenhangen met de dienstbetrekking dat zij aan de dienstbetrekking moeten worden toegerekend. Nederland is in dit geval heffingsbevoegd.
– Artikel 16: de belastingheffing over de beloning van onder meer de bestuurders van vennootschappen.In dit geval rijst de vraag of hij daadwerkelijk bestuurder is van de vennootschap die hem de inkomsten verstrekt. Ook in dit geval mag Nederland heffen.
– Artikel 18: pensioen.Bij kwalificatie als pensioen zal de rechter het stamrecht aanmerken als een soortgelijke beloning als pensioen. Belastingheffing over pensioen wordt in het verdrag Nederland-België toegewezen aan het woonland, in casu België.
– Artikel 22: het zogenaamde restartikel.Als de inkomst niet kan worden aangemerkt als vallende onder artikel 15, 16 of 18, dan zal in het algemeen het restartikel van toepassing zijn. Het restartikel wijst inkomsten toe aan het woonland.
Uitspraak Hof
Het dispuut tussen de belastingplichtige en de belastingdienst gaat uiteraard om de kwalificatie enerzijds als inkomen op grond van artikel 15 of 16 (standpunt Belastingdienst) en anderzijds de toepassing van artikel 18 of 22 (standpunt belastingplichtige).
De Hoge Raad heeft zich in het verleden al eens gebogen over dit soort vragen. De Hoge Raad geeft aan dat ten aanzien van inkomsten uit niet zelfstandige arbeid het verdrag een gesloten systeem kent. De inkomsten zullen moeten worden gekwalificeerd als inkomsten uit arbeid (artikel 15), tenzij zij kunnen worden gekwalificeerd als bestuurdersbeloning (artikel 16) of pensioen (artikel 18). Artikel 22, de bepaling inzake de overige inkomsten, zal bij inkomsten uit niet zelfstandige arbeid nooit van toepassing zijn.
In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad al aangegeven welke criteria belangrijk zijn bij de beoordeling of een stamrechtuitkering kan worden aangemerkt als pensioen. Belangrijke elementen zijn de leeftijd van de werknemer op het moment van beëindiging van het dienstverband, de hoogte van de stamrechtuitkering en de kans dat er nog herintreding in het arbeidsproces kan plaatsvinden. De mogelijkheid bestaat uiteraard dat een dergelijke uitkering zou kunnen worden aangemerkt als pensioen, overbruggingspensioen of een eventuele aanvulling op dat pensioen.
Naar de mening van de Hoge Raad was de uitspraak van het Hof in de geschetste kwestie te kort door de bocht. Het Hof had geoordeeld dat de uitkering strekte tot vervanging van te derven inkomsten uit arbeid en niet als afgestemd op een voorziening in het levensonderhoud bij ouderdom of invaliditeit en ook niet in redelijke verhouding stond tot de verrichte arbeid. Daarnaast vond het Hof van belang dat de omvang van de uitkeringen en de begunstigde door de werknemer in dit geval zelf werden vastgesteld. Daaruit had het Hof geconcludeerd dat de heffing over de afkoopsom aan Nederland was toegewezen.
Hoge Raad
De Hoge Raad is nu van oordeel dat het Hof in zijn overweging had moeten meenemen of het stamrecht “in overwegende mate” erop was afgestemd en ertoe strekte, al dan niet in aanvulling op wettelijke of op andere wijze getroffen voorzieningen, te voorzien in de behoefte aan levensonderhoud vanaf de datum van beëindiging van de dienstbetrekking tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De Hoge Raad heeft daarmee de Hof-uitspraak vernietigd en de uitspraak voor een nieuw oordeel verwezen naar een ander Gerechtshof.
Dit Hof zal in moeten gaan op de vraag welke kans er op herintreding in het arbeidsproces bestond en of 53 jaar als relevante pensioenleeftijd in aanmerking kan worden genomen. Het feit dat de schadeloosstelling bestaat uit een bedrag aan gederfd salaris en een bedrag ter financiering van toekomstige pensioenpremies, lijkt in dit verband minder relevant.
De conclusie hiervan is dat zo langzamerhand de materie aan het uitkristalliseren is en dat er duidelijkheid gaat komen over de toepassing van de belastingverdragen op stamrechtuitkeringen.
Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.