nieuws

Uitgesteld salaris mag weer

Archief

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat het uitstellen van salaris tot minder dan 10% van het loon is toegestaan, ongeacht de absolute hoogte van het loon. Dit opent de mogelijkheid voor de directeur-grootaandeelhouder en voor andere werknemers om salarisontvangsten voor een bepaalde tijd uit te stellen. Naar mijn mening is tevens pensioenopbouw over het uitgestelde salaris mogelijk.

Alfred Lagendijk
In het begin van de jaren negentig werd op grote schaal gebruik gemaakt van de faciliteit om het salaris in zijn volledigheid of gedeeltelijk uit te stellen naar een later tijdstip. Dat deed vooral de directeur-grootaandeelhouder, die op deze wijze heffing van loon- en inkomstenbelasting over dat salaris naar een later tijdstip verschoof.
Voor het uitgestelde salaris werd in de vennootschap een reserve gevormd, de zogenaamde RUS (Reserve Uitgesteld Salaris). Ook bij bedrijven waarvan directie en bestuursleden geen grootaandeelhouder waren, kwam een dergelijk uitstel van salaris voor. Meestal ging het dan om bonussen of tantièmes.
Bijkomend voordeel van het uitstel van salaris en het vormen van een reserve was dat, ondanks dat geen salaris werd genoten, toch de pensioenopbouw over het uitgestelde salaris kon worden voortgezet. Omdat de wetgever dit niet wenselijk achtte, zijn in de Wet op de loonbelasting twee bepalingen opgenomen.
Bijkomstig
In de eerste bepaling wordt gesteld dat indien het loon geheel of voor meer dan een ‘bijkomstig’ gedeelte op een ongebruikelijk tijdstip zal worden genoten, het loon integraal belast is. Dit laat dus de mogelijkheid open om een gedeelte van het salaris dat kan worden bestempeld als een ‘bijkomstig gedeelte van het salaris’ te ontvangen en te belasten op een later tijdstip.
Ten tweede is bepaald dat over diensttijd waarin het loon nihil is of aanzienlijk lager dan hetgeen gebruikelijk is, er geen of beperkte aanspraken op pensioen ontstaan. Hiermee wordt tevens bewerkstelligd dat bij het afzien van salaris geen verdere pensioenopbouw kan plaatsvinden. Dit geldt zowel voor pensioen in eigen beheer als voor pensioen dat in andere vennootschappen, dan wel bij een pensioenfonds of verzekeringsmaatschappij wordt opgebouwd.
Inmiddels is de waarde van de laatste wettelijke bepaling aanzienlijk verminderd, omdat ook de directeur-grootaandeelhouder verplicht is zichzelf een salaris toe te kennen, dat minimaal gelijk is aan het premie-inkomen conform de WAZ.
Casus en arrest
Het arrest van de Hoge Raad handelt over de volgende casus: een directeur-grootaandeelhouder ontvangt een salaris van f 300.000 per jaar, inclusief 8% vakantietoeslag. Dit salaris geldt over het jaar 1994.
Overeengekomen wordt dat van het salaris een gedeelte ter grootte van f 27.840 wordt uitbetaald op 1 januari 2020. De BV zal dit bedrag reserveren op een niet-rentedragende rekening. Dit salaris is, vóór het jaar 2020 vorderbaar noch inbaar. Dit houdt in dat het genoemde salaris voor de directeur thans niet ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden, dan wel vorderbaar en inbaar is geworden of zal worden vóór 2020.
De directeur ontvangt een recht op pensioen gebaseerd op een salaris van f 300.000. De belastinginspecteur erkent in eerste instantie dat een bedrag van minder dan 10% weliswaar van bijkomstige aard is, zodat dat bedrag niet in 1994 maar in 2020 belast zal kunnen zijn.
Absolute hoogte
Hij komt vervolgens tot de slotsom dat niet alleen gekeken moet worden naar de hoogte in relatie tot het totale salaris, maar tevens naar de absolute hoogte van het bedrag. Kortom, hij vindt het bedrag van f 27.840 gewoon te hoog.
Uit de publicatie van de uitspraak blijkt overigens niet duidelijk welke argumenten ten grondslag liggen aan dit standpunt. Naar de mening van het Gerechtshof kunnen uit de wetsgeschiedenis geen argumenten worden ontleend die pleiten voor het door de inspecteur ingenomen standpunt. De term ‘bijkomstig’ heeft betrekking op een gedeelte van het loon. De term kan ook niet anders worden uitgelegd dan in relatieve zin, dat wil zeggen in relatie tot het in de wet genoemde loon. Voor een uitleg van de term ‘bijkomstig’ in absolute zin is dan ook geen ruimte.
Daarnaast oordeelt het Hof dat ook in relatieve zin het uitgestelde gedeelte van het salaris niet als meer dan bijkomstig in zin van de wet kan worden aangemerkt. Op het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof bevestigd.
Conclusie
De conclusie is relatief eenvoudig. Elke werknemer kan met zijn werkgever overeenkomen om 10% van het salaris uit te stellen. In de praktijk is dit alleen voor de directeur-grootaandeelhouder dan wel leden van de raad van bestuur en directies aantrekkelijk, omdat het uitgestelde salaris niet in waarde mag vermeerderen.
Het gedeelte dat mag worden uitgesteld, bedraagt maximaal 10% van het salaris. Over het salaris dat wordt uitgesteld, mag tevens pensioen worden opgebouwd, mits dit maar niet ongebruikelijk laag is.
Mr. A.S. Lagendijk is werkzaam bij de fiscale en juridische sectie Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers in Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.