nieuws

Tweede NRL-congres brengt ‘geen enkele consensus’

Archief

In de personenschadebranche staan verzekeraars en letselschadeadvocaten lijnrecht tegenover elkaar, zo lijkt het. Het tweede congres van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) heeft aan die indruk weinig veranderd. Dagvoorzitter en hoogleraar Verzekeringsrecht aan de Erasmus Universiteit Han Wansink, die vooraf nog hoopte op een toenadering tussen beide partijen, moest na afloop concluderen: “Er is geen enkele consensus”.

Wansink moest die conclusie vorig jaar ook al trekken na de jaarconferentie van het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV), toen de discussie tussen verzekeraars en advocaten alleen maar meer tweedracht zaaide.
Voor het NRL-congres in Utrecht waren vier sprekers uitgenodigd om in te gaan op de vraag ‘Voordeelstoerekening bij personenschade? Ja! Maar in wiens voordeel?’ Wansink stelde daarbij vooraf als doel te komen tot een uniforme toepassing van de toerekeningsvraag bij letselschade. Ter toetsing daarvan kregen zowel sprekers als deelnemers negen vragen voorgelegd, waarbij steeds beantwoord moest worden of diverse uitkeringen in diverse situaties al dan niet in mindering gebracht moeten worden op de schade.
Letselschade
Als eerste kwam voordeelstoerekening bij letselschade (artikel 107 Burgerlijk Wetboek) aan de orde. Advocaat-sprekers waren van slachtofferzijde de huisadvocaat van Bureau Beroepsziekten FNV Wout van Veen van het gelijknamige advocatenkantoor en van verzekeraarskant Pieter van der Nat (Van der Nat Litigation).
Van Veen pleitte vóór het zo weinig mogelijk toerekenen van voordeel aan de totale letselschade. “Ik ben procedeeradvocaat en ik word in die hoedanigheid geconfronteerd met verzekeringsmaatschappijen op hun slechtst”, aldus Van Veen. Hij gooide meteen de knuppel in het hoenderhok door scherpe kritiek te leveren op de wetgeving. “Het Nederlandse letselschaderecht is onvoldragen en primitief. Er is nauwelijks aandacht voor de echte schade die wordt geleden. We doen niet aan schadereparatie vanuit het slachtoffer gezien. Met de materiële vergoeding is niets mis, maar qua immateriële schade is Nederland een ontwikkelingsland. Dat geldt zowel voor de hoogte van de vergoedingen als voor de uitsluiting van smartengeld.”
Van Veen pleitte verder voor een verandering in de verdeling van de proceslast. “Die is niet goed geregeld. Nu heeft het slachtoffer de last om een proces te beginnen. Dat moet anders. Slachtoffers kunnen nu kiezen tussen een snelle oplossing, waarbij grote concessies gedaan moeten worden op het gebied van de bedragen, en jarenlang procederen en onderhandelen om normaal aan hun recht te komen. En dat laatste is uiterst moeilijk”, aldus Van Veen.
Als ander zwak punt in het Nederlandse recht noemde Van Veen de nog altijd heersende calvinistische opvattingen: “Zo gaan we er nog steeds van uit dat geld niet gelukkig maakt. Welnu, ik kan u vertellen: dat is een misverstand”.
Voordeelstoerekening moet bij letselschade zeer restrictief worden toegepast, stelde Van Veen, die meer concrete hulp aan slachtoffers wil zien. “Zo moeten bijvoorbeeld RSI-patiënten door een slachtofferdeskundige begeleid worden bij het terugkeren naar het werk. Dat is beter dan een zak geld, maar daar doen we in dit land niets aan.”
Piet van der Nat belichtte de toerekeningskwestie van verzekeraarzijde. Van der Nat haalde een conceptartikel aan dat uiteindelijk niet in de wet is opgenomen. Volgens dit artikel zou een verzekerde uitkering die wordt gedaan met betrekking tot letselschade moeten worden verrekend met de schadevergoeding. “Waarom zou een uitkering uit een sommenverzekering niet moeten worden verrekend en uit andere verzekeringen wel?”, vroeg Van der Nat. “En waarom zou voor letselschade een ander regime moeten gelden dan voor overlijdensschade?”
Van der Nat voerde een argument aan tegen het veelgebruikte bezwaar dat voordeelstoerekening in het voordeel is van de dader. “In het nieuwe Burgerlijk Wetboek is veel vaker sprake van risico-aansprakelijkheid dan voorheen. Daarbij speelt het bevoordelen van de dader veel minder een rol dan bij schuldaansprakelijkheid. Bovendien gaat het erom dat de schade afdoende wordt vergoed en niet dat de dader zo veel mogelijk wordt getroffen.” Het belangrijkste uitgangspunt is de schade zo veel mogelijk binnen de perken te houden, aldus Van der Nat.
Een ander veelgehoord bezwaar tegen het in mindering brengen van voordelen uit verzekering op het totale schadebedrag is dat niemand in dat geval een verzekering meer sluit. “Dat is een weinig overtuigend argument”, vond Van der Nat. “Een verzekering sluit je tegen een ongeval, waarbij vaak geen regres mogelijk is. Bovendien vindt bij overlijden wel verrekening van de uitkering plaats. Van der Nat verwees naar professor Bloembergen, die stelt dat de benadeelde de dader aansprakelijk stelt voor de toestand waarin hij nu verkeert. “Je kunt niet selecteren in het beeld van die toestand. De positieve factoren daarin kun je niet weglaten. Verder moet hier ook het redelijkheidsprincipe gelden: je kunt een schade die gedekt is niet alsnog aan een dader toerekenen.”
Uit de zaal werd opgemerkt, dat veel schade nooit wordt gemeld bij de verzekeraar. Ook bij een ongevallenpolis geldt geen meldplicht. Van der Nat: “Als een voordeel niet genoten wordt, hoeft er ook niet te worden verrekend”. Van Veen voegde daaraan toe, dat die meldplicht waarschijnlijk wel ingevoerd gaat worden.
Overlijdensschade
De discussie over voordeelstoerekening bij overlijdensschade (artikel 108 BW) was minder gepolariseerd. Letselschaderegelaar Yme Drost (Letselschadebureau Drost) stelde dat toerekening bij overlijden zelfs helemaal geen rol speelt. “Anders dan bij artikel 107 is bij artikel 108 de behoefte medebepalend voor de omvang van de vergoeding.” Drost spitste zijn betoog toe op behoefteverminderende omstandigheden. “Daarbij spelen de vragen of de uitkering de behoefte vermindert, wie de begunstigde is en welke bestemming de uitkering heeft.” Op grond van het arrest Elvia/Smit (niet kan worden gevergd de uitkering niet aan te wenden voor immateriële schade) hebben de verzekeraars aangegeven dat daarmee te werken valt.
Wim Luiten (Stadermann Luiten Advocaten) was van mening dat in de jurisprudentie vrij duidelijk is vastgelegd hoe voordeelstoerekening moet plaatsvinden. Met betrekking tot het vraagstuk van behoeftevermindering ziet Luiten grofweg vijf lijnen in de rechtspraak, waarbij over het algemeen het uitgangspunt is dat in beginsel verrekend wordt, tenzij de uitkering de behoefte niet vermindert.
Erfenis
Advocaat Maarten Tromp bracht vanuit het publiek nog een mogelijkheid tot voordeelstoerekening naar voren: de erfenis. Luiten stelde dat deze ook onder een eventuele voordeelstoerekening valt, “tenzij die niet te gelde gemaakt kan worden”. Drost was het daarmee eens, maar Van Veen vond dit een onbegrijpelijke benadering. “De term ‘behoefte’ komt uit de Algemene Bijstandswet. Daarom is dat zo’n rotwoord. We gaan uit van de situatie waarbij degene die het inkomen binnenbrengt, overlijdt. Het vermogen waaruit de erfenis bestaat, zit al in het gezin. Dat is geen opkomend voordeel en heeft er dus helemaal niets mee te maken.”
Interview
Dagvoorzitter Han Wansink zei na de discussie nog geen consensus bespeurd te hebben. Hij vestigde zijn hoop op het interview met Theo Kremer, directeur van het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV) en John Beer, voorzitter van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP), waarvoor presentatrice Sylvana Simons was ingehuurd.
Tijdens het interview zette Beer de toon met de opmerking dat verzekeraars vooral zo weinig mogelijk willen betalen. Hij trok met betrekking tot voordeelstoerekening een vergelijking met de Verenigde Staten. “Daar wordt geen voordeel toegerekend. Als je een kroegloper hebt die geen ongevallenverzekering heeft gesloten en zijn premiegeld opdrinkt, dan is dat zijn probleem. Een ander heeft wel een verzekering gesloten en kan niet naar de kroeg omdat hij premie moet betalen. Daarom moet een dergelijke uitkering niet worden gekort op het schadebedrag.” Kremer noemde dat onzin: “Die premie is niet zo hoog dat je geen geld meer hebt voor andere dingen”.
Beer leverde kritiek op de medisch adviseurs: “Dat zijn broodschrijvers. De kwaliteit van de medisch adviseurs moet beter. Er is nu een kleine groep die steeds wordt ingeschakeld.” Kremer was het daarmee eens: “Het is tijd dat er vaste protocollen komen”.
Verder waren beiden het erover eens dat ter versnelling van de letselschaderegeling het bemiddelingsinstrument (mediation) moet worden ingezet; daarvoor lopen al proeven. Beer vindt daarnaast dat er te weinig onderzoek wordt gedaan in de branche. “Procedures duren lang; misschien komt dat doordat er te laat wordt gestart met procedures. Dat moet eens worden onderzocht.”
Kremer zou graag een ander woord zien voor ‘voordeelsverrekening’. “We kunnen beter spreken van ‘negatieve schadecomponenten’ of zo.” Beer vindt de huidige term goed. “Dat geeft juist aan dat je eerst moet nagaan of iets een voordeel is of niet. En daarbij ga ik verder: je moet vragen wie de verzekering heeft gesloten. Als dat het slachtoffer zelf is, dan is er geen sprake van een voordeel omdat er premie is betaald.”
Commissie
Wansink reageerde na het interview geprikkeld op de uitlatingen van Beer. “Hij moet niet zeggen dat verzekeraars zo min mogelijk willen betalen. Dan kan ik wel zeggen dat advocaten op no cure no pay-basis willen gaan werken, waarbij zo min mogelijk voordeel wordt toegerekend omdat ze dan meer verdienen. Dat is van hetzelfde lage niveau. We moeten samenwerken en niet volharden in onze eigen standpunten.”
Zo verstoord als Wansink zich uitliet, zo laconiek was Beer. “Ik zie in de praktijk dat verzekeraars de uitkering nog steeds zo laag mogelijk willen houden. En zolang dat het geval is, blijf ik het zeggen.”
NRL-voorzitter Wim Lups kon na het congres melden dat zijn organisatie, na overleg met Wansink, het voortouw neemt in de oprichting van een commissie die de partijen in de letselschadebranche dichter bij elkaar moet gaan brengen en advies moet gaan uitbrengen over de schaderegeling in veel voorkomende praktijkgevallen. “Wij proberen steeds concrete onderwerpen aan de orde te stellen. Dat willen we in een commissie gaan uitwerken. In september willen we tijdens een studiebijeenkomst van het NRL de eerste resultaten presenteren.” Verzekeraars, schaderegelaars en wetenschappers moeten elk drie leden aan de commissie gaan leveren.
John Beer (ASP, links) en Theo Kremer (PIV) werden het ook tijdens het interview onder leiding van Sylvana Simons niet met elkaar eens.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.