nieuws

Tweede nota van wijziging Brede Herwaardering II: haastige spoed

Archief

door mr H.M. Kappelle

De tweede nota van wijziging bij Brede Herwaardering II is op 13 oktober aan de Tweede Kamer aangeboden. De pensioen-BV blijkt onder strikte voorwaarden toch te mogen blijven bestaan en de beoogde ingangsdatum is vrij ambitieus op 1 januari 1995 gesteld. Hetgeen in de nota van wijziging wordt gepresenteerd als een tegemoetkoming aan de wens van de Tweede Kamer om de pensioen-BV te handhaven, blijkt in feite een nóg onaantrekkelijker regeling in te houden dan in het oorspronkelijke voorstel was opgenomen.
De pensioendefinitie van de fiscus, zoals we die kennen uit artikel 11, derde lid Wet Loonbelasting, ondergaat in het wetsvoorstel een subtiele, doch ingrijpende wijziging. Aan de definitie wordt toegevoegd dat het pensioen moet zijn ondergebracht bij één van de limitatief opgesomde soorten verzekeraars (professionele verzekeraars en pensioenfondsen, houdstermaatschappijen, pensioen-BV’s en werkmaatschappijen). Een pensioenregeling is met andere woorden fiscaal pas zuiver als en zolang zij is ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar.
Toegelaten verzekeraars
Na forse kritiek vanuit de vakpers en de Tweede Kamer op het volledig afschieten van de pensioen-BV, heeft de staatssecretaris het wetsvoorstel op dit gebied aangepast.
Het rijtje toegelaten verzekeraars van een pensioenvoorziening wordt uitgebreid met de pensioen-BV, op voorwaarde dat deze:
a. in Nederland is gevestigd;
b. de pensioenverplichting voor de heffing van vennootschapsbelasting tot het binnenlandse ondernemingsvermogen rekent;
c. zijn bezittingen op solide wijze belegt.
Solide beleggen
In het oorspronkelijk wetsvoorstel was opgenomen dat pensioen-BV’s per 1 januari 1997 solide moeten gaan beleggen. Pensioen-BV’s waarbij uitsluitend bestaande aanspraken waren verzekerd, behoefden dit niet te doen.
De wet geeft geen definitie van solide beleggen. Wel is aangegeven wat in elk geval niet solide beleggen is. Het pensioenlichaam belegt in elk geval niet solide wanneer het vermogen voor meer dan 10% bestaat uit schuldvorderingen op, of beleggingen bij pensioengerechtigden, echtgenoten, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of de tweede graad in de zijlinie, of een lichaam waarin één van hen een aanmerkelijk belang heeft of een daarmee gelieerde vennootschap. Praktisch gesproken komt deze eis er op neer dat vorderingen op houdstermaatschappij of werkmaatschappij of op de naaste familieleden slechts heel beperkt mogelijk zijn.
Ik zie eerlijk gezegd niet in, waarom beleggen in de eigen onderneming per definitie niet solide zou zijn. Voor het begrip ‘solide beleggen’ wordt verwezen naar de PSW. Het doel van de PSW is: het beschermen van belangen van de pensioengerechtigde. Een directeur-grootaandeelhouder kan als geen ander beoordelen hoe de financiële positie van de onderneming is. Hij moet zich op grond van de PSW als pensioengerechtigde schriftelijk akkoord verklaren met het feit dat zijn pensioengelden in de eigen onderneming worden belegd en heeft dus kennelijk het volste vertrouwen in de soliditeit van zijn bedrijf. Waarom denkt de Nederlandse overheid, dat ze beter weet dan de ondernemer zelf wat goed voor hem is?
Strafheffing bij emigratie
Indien een bij een niet-professionele verzekeraar verzekerde pensioenaanspraak of VUT-verplichting niet langer als zodanig is aan te merken, of wordt afgekocht, vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt, resulteert dit bij de desbetreffende vennootschap in een heffing van 60% vennootschapsbelasting over de waarde van de pensioenaanspraak.
Deze heffing is niet van toepassing indien de pensioengerechtigde in kwestie als binnenlandse belastingplichtige aan de inkomstenbelasting is onderworpen.
Praktisch gevolg bij emigratie
Doordat in de pensioendefinitie komt te staan dat als verzekeraar moet optreden: een natuurlijk persoon of een lichaam als omschreven in de Wet op de loonbelasting, is, zodra een dergelijk lichaam niet meer aan de eisen voldoet, de pensioenaanspraak ‘niet langer als zodanig aan te merken’. Indien het pensioen is ondergebracht bij een lichaam dat geen professionele verzekeraar of pensioenfonds is, moet dit lichaam in Nederland gevestigd zijn en moet het de pensioenverplichting voor de heffing van vennootschapsbelasting tot het binnenlandse ondernemingsvermogen rekenen.
Emigratie van een pensioenlichaam levert derhalve, ook indien niet wordt afgekocht, terstond 60% heffing van vennootschapsbelasting op!
Eenzelfde effect kan zich voordoen indien de betrokken grootaandeelhouder emigreert. Indien de grootaandeelhouder tevens aandeelhouder en bestuurder van de pensioen-BV is, zal deze emigratie vrijwel altijd de verplaatsing van de feitelijke leiding van de pensioen-BV naar het nieuwe woonland met zich meebrengen. Hierdoor houdt de belastingplicht in ons land op. Een gevolg hiervan is dat niet meer kan worden voldaan aan de eis dat de pensioen-BV de pensioenverplichting tot haar Nederlandse ondernemingsvermogen moet rekenen. Ook bij emigratie voldoet de pensioen-BV dus niet meer aan de voorwaarden en volgt de strafheffing, ook indien de grootaandeelhouder in kwestie niet van plan is om ook maar iets oneigenlijks met zijn pensioen te doen en hij alle verschuldigde loonbelasting over de uitkeringen netjes wil betalen. Deze nette grootaandeelhouder wordt gedwongen het bestuur en de feitelijke leiding over zijn pensioen-BV over te dragen aan een in Nederland gevestigde derde.
Overgangsrecht
Het overgangsrecht is, doordat de pensioen-BV onder voorwaarden mag blijven bestaan, een stuk vereenvoudigd.
Met betrekking tot bestaande pensioenaanspraken is de eis, dat als verzekeraar een van de in de wet genoemde lichamen moet optreden, niet van toepassing. Voor bestaande aanspraken mag dus bijvoorbeeld een in het buitenland gevestigde pensioen-BV als verzekeraar blijven optreden. Onder bestaande aanspraken worden de op 31 december 1994 bestaande aanspraken verstaan.
De eis van solide belegging is voor lichamen, die optreden als verzekeraars voor bestaande aanspraken, van toepassing met ingang van 1 januari 1998. Deze ingrijpende wijziging ten opzichte van het eerder geformuleerde overgangsrecht, schijnt volgens een woordvoerder van de afdeling wetgeving van het ministerie van financiën niet te zijn beoogd. Bestaande aanspraken zouden volgens hem worden gerespecteerd en niet onder de beleggingseis vallen. Hoe graag ik deze lezing ook zou willen geloven, de letterlijke nu voorgestelde tekst laat mij echter geen andere mogelijkheid dan het tegenovergestelde te concluderen.
Opvallend is dat, gezien de nu voorgestelde wettekst en de aanpassingen in het overgangsrecht, het na de ingangsdatum niet meer mogelijk is om de pensioenverplichting vanuit de werk-BV naar een pensioen-BV of houdstermaatschappij over te dragen en vice versa. Alleen indien wordt overgedragen aan een professionele verzekeraar of pensioenfonds kan dit nog zonder fiscale consequenties. Ik vraag me af, of dit werkelijk de bedoeling is, of dat zich hier de kennelijke haast wreekt waarmee de tweede nota van wijziging op het departement in elkaar is getimmerd. Nu de pensioen-BV onder voorwaarden in aanmerking komt als toegelaten verzekeraar, lijkt het mij niet meer dan logisch dat een in zuiver eigen beheer of in de houdstermaatschappij ondergebrachte pensioenverplichting te allen tijde naar een dergelijke pensioen-BV mag worden overgebracht. Volgens de nu voorliggende tekst ontmoet de ondernemer die zich in het jaar 2000 een pensioentoezegging doet en deze vanaf aanvang in een pensioen-BV onderbrengt, geen belemmeringen, terwijl zijn collega die begint met de pensioentoezegging in eigen beheer te houden en deze vervolgens na een jaar of vijf wil overdragen aan zijn pensioen-BV, zich geblokkeerd ziet door de nieuwe wetteksten. Ik kan eerlijk gezegd geen enkele plausibele verklaring voor dit verschil in behandeling bedenken. Ik houd het er maar op, dat de wijzigingen in het overgangsrecht ten onrechte (nog) niet zijn verwerkt in de andere relevante wetsartikelen. Zegslieden op financiën meldden mij echter, dat een en ander bewust zo is geformuleerd.
Conclusie
De tweede nota van wijziging biedt de pensioen-BV op papier betere overlevingskansen dan het oorspronkelijke wetsvoorstel. Door de beleggingseis ook van toepassing te laten zijn op pensioen-BV’s met uitsluitend bestaande aanspraken, zouden de kansen in de praktijk wel eens minimaal kunnen blijken te zijn.
Mr H.M. Kappelle is werkzaam bij Coopers & Lybrand Belastingadviseurs in Amsterdam

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.