nieuws

Touwtrekkerij over toepassing Schaderegeling Schuldloze Derde

Archief

Langdurige vertraging in de toepassing van de Schaderegeling Schuldloze Derde heeft geleid tot een klacht bij de Raad van Toezicht Verzekeringen. Een WA-verzekeraar weigerde tien maanden lang een letselschade door een verkeersongeluk in behandeling te nemen, met als gevolg extra rechtsbijstandskosten voor de klagers.

De minderjarige zoon van klagers liep op 2 juli 1999 ernstig hersenletsel op bij een botsing tussen een personenauto en een bromfiets waarop hij als passagier meereed. Het ongeluk had plaats toen de afslaande auto geen voorrang verleende aan de tegemoetkomende bromfiets. De verzekeraar bij wie de WA-verzekering van de auto was ondergebracht werd op 22 juli van dat jaar door de advocaat van de klager aansprakelijk gesteld voor de letselschade. Ruim twee maanden later liet de maatschappij weten haar aansprakelijkheid al dan niet te zullen erkennen op het moment waarop het proces-verbaal van de politie beschikbaar zou zijn.
Op 4 februari 2000 berichtte verzekeraar de ontvangst van het proces-verbaal en deelde verder mee er van uit te gaan dat inmiddels bij de verzekeraar van de bromfiets een vordering was ingediend in het kader van de Schaderegeling Schuldloze Derde. Ruim een week later werd verzekeraar evenwel door klager gemaand als eerst aangesproken maatschappij uit hoofde van de Schaderegeling Schuldloze Derde tot de afhandeling van de schade over te gaan.
Onaanvaardbaar
Op 22 maart van dat jaar herhaalde verzekeraar evenwel zijn standpunt dat de verzekeraar van de bromfiets moest worden benaderd; waarop klager opnieuw zijn onaanvaardbaar daarover uitsprak. Een standpunt dat opnieuw door de verzekeraar werd tegengesproken.
Om uit de impasse te geraken, sprak de advocaat van klager op 12 april alsnog de verzekeraar van de bromfiets aan, die een voorschot van duizend gulden betaalde en een schade-expert inschakelde. Tegenover deze schade-expert stelde klager zich op het standpunt dat volledige aansprakelijkheid diende te worden erkend, ook al droeg zijn minderjarige zoon geen helm.
Daarop berichtte de bromfietsverzekeraar dat het standpunt van de WA-verzekeraar onjuist was. Op 13 september werd dit door deze maatschappij schriftelijk bevestigd aan de WA-verzekeraar. Uiteindelijk ging de WA-verzekeraar overstag en nam op 11 december de schadeafhandeling ter hand op basis van de Schaderegeling Schuldloze Derde.
Geen open kaart
In zijn verweer tegenover de Raad van Toezicht beticht de WA-verzekeraar de (advocaat van) klagers dat zij de letselschade ook hebben aangemeld bij de verzekeraar van de bromfiets die de schaderegeling vervolgens ter hand heeft genomen. Daarover hebben zij “geen open kaart gespeeld”, aldus de maatschappij, die klagers en hun advocaat een veeg uit de pan geeft. Voorts was haar niet duidelijk of zij de eerst aangesproken verzekeraar was. Een schadebehandelaar van de maatschappij heeft daarom een passage uit de bedrijfsregeling aan klagers toegestuurd, waaruit blijkt dat de verzekeraar van het motorrijtuig waarop of waarin de schuldloze derde zich bevindt, dient te worden aangemerkt als ‘regelende verzekeraar’.
Na de mededeling van de bromfietsverzekeraar dat de WA-verzekeraar de regeling onjuist heeft toegepast, heeft deze de (letsel)schade alsnog in behandeling genomen. Een voorschot wordt verstrekt en een schaderegelaar ingeschakeld. “Klagers hebben daarom geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van de klacht”, aldus de WA-verzekeraar. De maatschappij betreurt wel de schaderegeling niet eerder te hebben opgepakt en excuseert zich daarvoor bij klagers.
Gedrag
De erkenning van de WA-verzekeraar voor de gemaakte fouten en de aangeboden excuses zijn voor de (advocaat van) klagers geen reden om geen inhoudelijk oordeel te vragen aan de Raad van Toezicht over het gedrag van de WA-verzekeraar met betrekking tot de Schaderegeling Schuldloze Derde. Het touwtrekken over wie de schadebehandeling ter hand neemt, heeft geleid tot onnodig veel vertraging en extra rechtsbijstandkosten tot ruim 4.100 gulden. Klagers menen verder dat de WA-verzekeraar de bedrijfsregeling die schuldloze derden tegemoet dient te komen, heeft misbruikt en dat zijn correspondentie “aanmatigend” is geweest.
Ongelijk
De Raad van Toezicht stelt de WA-verzekeraar op alle punten in het ongelijk. De Raad oordeelt dat de WA-verzekeraar de schadebehandeling onnodig lang – tien maanden – heeft opgehouden en dat klager daardoor extra rechtsbijstandkosten heeft moeten maken.
Voorts meent de Raad dat de kritische opmerkingen van de WA-verzekeraar aan het adres van (de advocaat van) klager “niet passend” zijn uit oogpunt van handhaving van de goede naam van het verzekeringsbedrijf. “De erkenning door verzekeraar doet daaraan niets af.” (Raad van Toezicht Verzekeringen, uitspraaknr. 2001/68 Mo.)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.