nieuws

Toezichthouders pleiten voor wettelijke eisen tussenpersoon

Archief

De Raad van Financiële Toezichthouders (RFT) wil wettelijke minimumeisen stellen aan tussenpersonen in de financiële dienstverlening. Zelfregulering is volgens de toezichthouders “ontoereikend om sectorbreed een minimumniveau te realiseren”. De RFT doet minister Zalm van Financiën de aanbeveling om bij wet onder meer een beroepsaansprakelijkheidspolis te verplichten, evenals permanente educatie en inzicht in de afhankelijkheid ten opzichte van de aanbieders (lees: verzekeraars).

De Raad van Financiële Toezichthouders is een platform van de Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK), De Nederlandsche Bank (DNB) en de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE). De aanbevelingen staan in het rapport ‘Tussenpersonen in de financiële sector’. De inhoud daarvan is vrijwel identiek aan de RFT-reactie (in november) op de consultatienota ‘Bemiddeling in Financiële Diensten’ van het Ministerie van Financiën.
“De RFT heeft aanbevelingen geformuleerd voor een toezichtstructuur en regelgevend kader inzake tussenpersonen die actief zijn in de financiële sector. Deze aanbevelingen zijn gebaseerd op de resultaten van een onderzoek van de Vrije Universiteit (ESI-VU) waarbij de marktordening van tussenpersonen in kaart is gebracht, op eigen expertise en aan de hand van een inventarisatie van incidenten en risico’s.” Over de handhaving van de wettelijke regels laat de RFT zich nog niet uit. Het lopende debat over toezicht in de financiële sector verraadt echter dat de STE belast zal gaan worden met dit ‘gedragstoezicht’.
Zelfregulering
In het rapport goochelt de RFT met het aantal tussenpersonen waarvoor de wettelijke minimumeisen moeten gaan gelden. In de samenvatting wordt gerept over ± 6.000 tussenpersonen die actief zijn op de deelmarkten assurantiebemiddeling, hypotheekbemiddeling, consumentenkredietbemiddeling, depositobemiddeling en cliëntremise. Op pagina 7 wordt echter gesteld dat “gecorrigeerd naar overlap er in totaal ± 9.000 tussenpersonen actief zijn op de belangrijkste deelmarkten (assurantie en hypotheek)”.
Volgens de RFT is er voor deze tussenpersonen geen algemeen en verplicht minimumniveau voor de dienstverlening. Verder is er beperkte toegangscontrole en is er geen daadwerkelijk toezicht op de activiteiten. Bij excessen en malafide tussenpersonen is er geen systeem dat garandeert dat de betrokkenen (blijvend) van de markt worden geweerd.
Zelfregulering, zoals bijvoorbeeld de Gedragscode Informatieverstrekking Dienstverlening Intermediair (Gidi), is daarop geen afdoende antwoord, zo vinden de toezichthouders. “Naar inzicht van de RFT is alleen het topsegment van de tussenpersonen in staat een keurmerk te voeren. Er is een grote groep van tussenpersonen die niet in staat is de zelfregulering naar letter en geest te implementeren, dan wel niet de intentie heeft om zich aan zelfregulering te binden.”
“De bestaande zelfregulering is ontoereikend om een sectorbreed minimumniveau te realiseren. Door een algemene drempel te creëren in de vorm van het stellen van algemeen geldende regels kan dit minimumniveau wel gerealiseerd worden. Tevens dient het als ‘waterkering’ tegen malafide partijen en helpt het incidenten te beperken. Zelfregulering kan een rol spelen bij het bieden van extra zekerheden rond de bemiddeling en kan de normering ondersteunen, maar niet vervangen. Immers, wanneer besloten wordt een ‘bodem’ in de markt te leggen, is een actieve en normstellende rol van de overheid c.q. toezichthouder nodig en is enkele zelfregulering ontoereikend. De zelfregulering kan wel als uitgangspunt worden genomen voor de op te leggen minimumeisen.”
Duaal stelsel
De RFT wil een registratiesysteem opzetten voor alle tussenpersonen, analoog aan het huidige Wabb-register van assurantietussenpersonen bij de Sociaal-Economische Raad (SER). Het register moet inzichtelijk zijn voor consumenten. Voorgesteld wordt om een tweedeling te maken in vergunninghoudende en geregistreerde tussenpersonen. In dit “duale stelsel” krijgen tussenpersonen een vergunning als ze aan de minimumeisen voldoen. “In het geval een tussenpersoon bemiddelingsactiviteiten verricht die volledig onder verantwoording vallen van de aanbiedende instelling, heeft de tussenpersoon geen vergunning nodig.” In dat geval is de aanbiedende instelling aansprakelijk voor de activiteiten van de tussenpersoon.
Voor handhaving van de vergunningplicht wordt de toezichthouder – waarschijnlijk de STE – of zelfs de Economische Controle Dienst (ECD) verantwoordelijk. In het laatste geval moet overtreding van de regels gelden als “een economisch delict”. Handhaving wil de RFT in eerste instantie via “toetsing aan de poort”. De vervolgcontrole wordt een probleem: óf steekproefsgewijs óf op basis van incidenten.
Minimumeisen
Onder de minimumeisen vallen volgens het RFT-rapport in elk geval een beroepsaansprakelijkheidsverzekering, een adequaat klachtentraject en garanties voor de consument ten aanzien van de geldstroom. Dat laatste is in de verzekeringsbranche al geregeld via het systeem van ‘bevrijdende betaling’ en omgekeerd aansprakelijkheid van de aanbieder.
Voor inschrijving dient er verder getoetst te worden op integriteit (vrees voor schending standseer en verkeren in faillissement) en op deskundigheid. Met dit laatste wordt gedoeld op een minimumopleiding en een plicht tot permanente educatie. De RFT stelt voor dat de toezichthouder de opleidingseisen gaat vaststellen, waarbij “geput kan worden uit bestaande zelfregulering”.
Op het gebied van transparantie houdt de RFT zich op de vlakte. Er kán vereist worden dat de relatie tussen aanbieder en tussenpersoon inzichtelijk wordt gemaakt en de tussenpersoon kán verplicht worden tot het verstrekken van wezenlijke productinformatie. “In ieder geval zal de financiële bijsluiter-plicht moeten gelden voor tussenpersonen.”
Verder merkt de RFT nog op dat “de consument indirect betaalt voor de dienstverlening door de tussenpersoon, maar dat hij doorgaans verstoken is van inzicht in deze indirecte kosten. Er bestaat voor de consument geen zicht op het commerciële belang van de tussenpersoon bij een bepaalde aanbieding, noch is er inzicht in het aantal aanbieders waarvan de tussenpersoon producten aanbiedt”. De toezichthouders verbinden daaraan vooralsnog geen wettelijke transparantie-eisen.
NBVA: ‘RFT-rapport tendentieus en grievend’
De Raad van Financiële Toezichthouders (RFT) zegt de aanbevelingen mede te hebben gebaseerd op basis van incidenten die zich hebben voorgedaan. Zij zegt daarover het volgende: “Afgaande op de gevonden incidenten en de meldingen bij de fraudeloketten bedraagt het aantal serieuze incidenten voor alle deelmarkten gezamenlijk minimaal enige tientallen per jaar. Vermoed wordt dat de gevonden incidenten slechts het topje van de ijsberg vormen. Het genoemde aantal (enige tientallen) dient derhalve als absolute ondergrens te worden aangemerkt”.
Intermediairorganisatie NBVA heeft zich zeer gestoord aan deze passage. “Hoe men tot dit oordeel komt, blijft absoluut ongewis. Hiermee worden zonder spijkerharde cijfers de assurantietussenpersonen op een zeer suggestieve wijze in een kwaad daglicht gesteld. Deze tendentieuze uitspraken doen nodeloos afbreuk aan het imago van de verzekeringsbranche.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.