nieuws

Schadevergoeding voor polishouders Vie d’Or ook mogelijk in strafzaak

Archief

Schadevergoeding voor polishouders Vie d’Or ook mogelijk in strafzaak

Polishouders van Vie d’Or kunnen bij de rechtbank in Den Bosch ongelimiteerd schadevergoeding eisen in de strafzaken tegen de voormalige directie en tussenpersonen van de Veldhovense verzekeraar. Deze claims kunnen ingediend worden naast eventuele civielrechtelijke acties.
Het arrondissement Den Bosch is één van de twee plaatsen in ons land waar slachtoffers bij een strafzaak een ongelimiteerde claim kunnen leggen bij de pleger van de strafbare feiten. De officier van justitie kan de eis tot schadevergoeding van de benadeelde overnemen, zodat de dader bij veroordeling verplicht is een vergoeding aan de Staat te betalen. De Staat keert deze vergoeding vervolgens uit aan de benadeelde.
Deze zogenoemde ‘schadevergoedingsregeling’ komt voort uit een proefneming i.v.m. uitbreiding van het Wetboek van Strafrecht ten gunste van het slachtoffer. De uitbreiding zal overigens in de loop van dit jaar ook voor de rest van Nederland gaan gelden.
Serieus
De Stichting Vie d’Or, die de belangen van de gedupeerde polishouders behartigt, zegt – bij monde van voorzitter mr J. van Rijn – serieus rekening te houden met deze mogelijkheid tot schadevergoeding naast het te bewandelen civielrechtelijke pad. Ook de rechtbank in Den Bosch sluit niet uit, dat polishouders van Vie d’Or zich zullen melden.
Of de Stichting werkelijk gebruik gaat maken van de maatregel, is afhankelijk van een aantal factoren. Zo wordt de regeling, in de praktijk alleen bij ‘eenvoudige strafzaken’ toegepast. De Vie d’Or-zaak is allesbehalve eenvoudig. Het openbaar ministerie werkt bijvoorbeeld al ruim een jaar aan het vooronderzoek en is daar nog altijd niet klaar mee. Bovendien moeten de strafbare feiten in kwestie na 1 april 1993 gepleegd zijn, wil men van de schadevergoedingsmaatregel gebruik kunnen maken.
Justitieel onderzoek in Den Bosch roept veel vragen op
In een voorlopig verslag van het strafrechtelijk onderzoek naar de ondergang van Vie d’Or, laat het openbaar ministerie in Den Bosch weten, dat er geen aanwijzingen zijn dat de voormalige directie van Vie d’Or zich heeft verrijkt ten koste van de polishouders. Ook hebben volgens justitie de geconstateerde strafbare feiten, gepleegd door de voormalige directie en een handvol tussenpersonen, niet direct tot financieel nadeel voor de polishouders geleid.
Veel betrokkenen hebben met verwondering gereageerd op het persbericht uit Den Bosch waarin justitie tussentijds verslag doet van de vorderingen van het onderzoek.
Mr J. van Rijn, voorzitter van de Stichting Vie d’Or, verbaast zich over het feit dat men niet heeft kunnen aantonen dat de voormalige directie zich verrijkt heeft ten koste van de polishouders. Ook was hij verrast door de boodschap die justitie in het bericht had gestopt. Van Rijn: “Het is eigenlijk meer een artikel dan een persbericht. Ze halen er vreemd genoeg een rapport van de Verzekeringskamer in aan, en wekken de indruk dat niet het voormalige management, maar de publiciteit over de zaak Vie d’Or de uiteindelijke schade voor polishouders heeft veroorzaakt. Daarbij vergeten ze te melden dat die publiciteit een onvermijdbaar gevolg is geweest van het mismanagement binnen Vie d’Or. Er is sprake van een zuiver causaal verband. In zo’n geval ga je niet vervolgens de boodschapper doodschieten. Je zou je juist moeten afvragen, of er niet drie jaar eerder ingegrepen had moeten worden. De pogingen om de problemen achter de schermen op te lossen, zijn gewoon faliekant mislukt.”
Volgens Van Rijn hebben de uitkomsten van het justitieel onderzoek geen negatieve gevolgen voor de civielrechtelijke acties van de Stichting Vie d’Or.
Schande
“Het is een regelrechte schande dat justitie een jaar onderzoek heeft moeten doen om tot dit resultaat te komen”, zo reageert B. Lieuwma, de opvolger van Maes bij Vie d’Or, op het persbericht van justitie.
Met name de suggestie dat de schade voor de polishouders is veroorzaakt door de publiciteit, is bij hem in het verkeerde keelgat geschoten. Samen met de accountant G. van Dijk dreigde Lieuwma daarom met een kort geding tegen de betrokken officier van justitie, mr J.F.M. Wasser. Bij een dreigement bleef het, omdat ze “de Stichting Vie d’Or niet te veel voor de voeten willen lopen”. Wel stuurde Lieuwma een boze brief aan Wasser, waarin hij schrijft dat het persbericht “op een aantal punten zeer suggestief is en zelfs onwaarheden bevat”.
Wasser trekt in zijn antwoord overigens niets terug van het persbericht, maar geeft wel toe dat er sprake is geweest van onregelmatigheden binnen Vie d’Or en dat er ongewenste verstrengelingen bestonden van ondernemingen, waarbij die ondernemingen schulden hadden aan Vie d’Or.
Publiciteit
De suggestie dat de schade voor de polishouders is ontstaan door de publiciteit over de misstanden bij Vie d’Or, baseert officier van justitie mr Wasser op een uitspraak van de Verzekeringskamer (VK) in het tweede tussentijds verslag inzake Vie d’Or. Daarin stelt de VK dat er vóór de publiciteit geen aanleiding was om te veronderstellen dat aandeelhouders niet langer bereid zouden zijn om een tekort van f 30 miljoen in het vermogen bij te storten. Volgens de toezichthouder trokken de aandeelhouders hun handen pas van Vie d’Or af, nadat Vie d’Or ten dode was opgeschreven en het tekort gegroeid was tot ten minste f 80 miljoen.
Opmerkelijk is dat VK-bestuurslid P. Keizer in januari 1994 liet weten, dat het vermoeden bestond dat aandeelhouders deze bereidheid niet zouden hebben en dat de VK ook zonder publiciteit had ingegrepen. Als we hem daar nu op wijzen stelt hij: “Ik heb dat destijds niet zo bedoeld. Ons was in november 1993 duidelijk dat grootaandeelhouder Maes niet in staat zou zijn om zijn deel van de f 30 miljoen bij te storten. Uit informeel overleg met enkele commissarissen maakten wij echter op dat de aandeelhouders desondanks een mogelijkheid zagen om het tekort aan te vullen. Na het instellen van de noodregeling hebben de aandeelhouders dit naar ons toe bevestigd, hoewel ik toegeef dat zij dit achteraf natuurlijk makkelijk hebben kunnen beweren.”
Volgens B. Lieuwma is er eind 1993 bij de aandeelhouders nimmer sprake geweest van bereidheid om nog eens f 30 miljoen bij te storten. Lieuwma weet zich hierbij ondersteund door C. Boet, de door de VK bij Vie d’Or aangestelde bewindvoerder. Boet betwijfelt eveneens dat aandeelhouders na alle eerdere bijstortingen wel akkoord waren gegaan met een nieuw verzoek tot een storting van f 30 miljoen. Volgens Boet is daar ook nooit met aandeelhouders over gesproken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.