nieuws

Saldolijfrente per eind 2000: afrekenen of voortzetten?

Archief

Veel verzekeringnemers moeten zich binnenkort de vraag stellen wat ze gaan doen met een op 31 december 2000 bestaande saldolijfrente: afrekenen of voorzetten? Geen gemakkelijk keuze. Het is van belang dat de verzekerde eerst goed inzicht krijgt in de keuzemogelijkheden en de gevolgen daarvan. Een berekening waarbij beide opties tegenover elkaar gezet worden, kan enige uitkomst bieden. Pas dan kan een weloverwogen keuze gemaakt worden.

Door Helga van Bijnen
Een saldolijfrente is een lijfrenteverzekering waarvan de betaalde premies/koopsom niet in mindering van het belastbare inkomen konden worden gebracht. Onder de oude belastingwetgeving van voor 2001 werden de uitkeringen uit deze saldolijfrenteverzekeringen belast als inkomsten uit vermogen, voor zover zij de waarde van de tegenprestatie (koopsom of som van de in het verleden betaalde premies) te boven gingen. Dit was de zogenoemde saldomethode.
In het verleden werd een saldolijfrente veelal bij een verzekeringsmaatschappij afgesloten. Daarnaast kwam het ook voor dat een saldolijfrente werd afgesloten bij de eigen BV. Belastinguitstel was destijds een van de belangrijkste voordelen van de saldolijfrente.
Overgangsregeling
De Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) kent geen saldomethode meer. Na 1 januari 2001 afgesloten saldolijfrenteverzekeringen verhogen wel de grondslag voor de berekening van de vermogensrendementsheffing in box 3. Echter voor op 31 december 2000 reeds bestaande saldolijfrenteverzekeringen is een overgangsregeling in de wet opgenomen. Zo betekent dit onder andere voor een saldolijfrente die is afgesloten voor 14 september 1999 en waarvan de premies ook voor deze datum volledig zijn voldaan, dat de termijnen die worden ontvangen, volgens de saldomethode tot het progressieve belastbare inkomen van box 1 behoren. Echter deze eerbiedigende werking vervalt per 1 januari 2021. Er dient op 31 december 2020 (progressief) afgerekend te worden over het restant van de polis naar de waarde in het economische verkeer.
Ondanks dat met ingang van 2001 de bijzondere tarieven niet meer gelden, is in het overgangsrecht een mogelijkheid opgenomen waardoor op verzoek van de belastingplichtige het 45%-tarief kan worden toegepast.
Met ingang van 1 januari 2001 is eveneens de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling (verder tbs-regeling) ingevoerd. Deze regeling houdt in dat wanneer bijvoorbeeld een directeur-grootaandeelhouder vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan zijn BV, deze vermogensbestanddelen niet tot de grondslag van box 3 behoren, maar dat de ‘opbrengsten’ hiervan in box 1 worden belast. Jaarlijks dient de opbrengst in aanmerking te worden genomen. Een verzekering die is afgesloten bij de eigen BV valt in beginsel onder deze tbs-regeling.
Een saldolijfrentecontract gesloten bij de eigen BV valt echter niet onder de tbs-regeling. Uit de wet volgt dat wanneer uitkeringen worden aangemerkt als periodieke uitkeringen als bedoeld in afdeling 3.5 van de Wet IB 2001, de tbs-regeling niet van toepassing is. De (te zijner tijd te ontvangen) saldolijfrentetermijnen worden dan als belastbare periodieke uitkeringen aangemerkt onder afdeling 3.5 en vallen derhalve niet onder de tbs-regeling. Op grond van de eerbiedigende werking opgenomen in het overgangsrecht, blijft de zogenoemde saldomethode dus van toepassing. De termijnen vallen onder de progressieve heffing van box 1, uiteraard voor zover de termijnen de waarde van de tegenprestatie (koopsom of totaal bedrag van de premies) te boven gaan.
Afrekenoptie
De eerbiedigende werking van de saldomethode geldt niet indien voor de afrekenoptie is gekozen. In het overgangsrecht is een mogelijkheid opgenomen waardoor de verzekeringnemer kan kiezen voor afrekenen over het rentebestanddeel dat tot 31 december 2000 is opgebouwd. Dit kan op verzoek van de verzekeringnemer tegen het 45%-tarief. De verzekeringnemer dient er echter wel rekening mee te houden dat na het afrekenen de verzekering die is afgesloten bij de eigen BV, onder de tbs-regeling valt. Om belastingheffing in box 1 over de jaarlijkse renteaangroei te voorkomen kan de verzekeringnemer het contract per direct afkopen of oversluiten naar een professionele verzekeraar. Als wordt gekozen voor afkoop, dan moet de verzekeringnemer hierom verzoeken bij de verzekeraar/eigen BV. Deze zal het verzoek bevestigen en de afkoopwaarde overmaken aan de verzekeringnemer. De afkoopwaarde komt hierdoor in het privé-vermogen van de verzekeringnemer en afhankelijk van de aanwending van de gelden kan hierover dan weer vermogensrendementsheffing verschuldigd zijn.
De vraag is: moet een belastingplichtige/verzekeringnemer nu wel of niet gebruik maken van de afrekenoptie? Als gevolg van de belastingherziening moet bekeken worden hoe de verzekeringnemer de saldolijfrente in de toekomst fiscaal behandeld wil zien: door middel van de afrekenoptie of het overgangsrecht. Deze laatstgenoemde optie kan een verzekeringnemer, zeker wanneer het om grote bedragen gaat, veel geld gaan kosten.
Inmiddels heb ik al vele berekeningen laten maken waarbij de keuze: ‘voortzetten of afrekenen’ (afkoop) speelde. Bij deze berekeningen worden de twee situaties tegenover elkaar gezet en wordt het nettovermogen dat in 2020 in beide situaties zou kunnen resteren, met elkaar vergeleken. Uit deze berekeningen blijkt dat direct afrekenen over het rentebestanddeel tegen een tarief van 45% en vervolgens de verzekering afkopen, vooral in situaties waar het om grote bedragen gaat, veelal de voorkeur geniet boven het niet afrekenen. Tenzij blijkt dat het rendement op de polis in de toekomst structureel hoger zal zijn dan het rendement dat in privé kan worden behaald. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat met een aantal zaken geen rekening is gehouden. Denk onder andere aan het overlijdensrisico. Daarnaast wordt ook niet ingegaan op de mogelijkheid de belaste termijnen aan derde(n) te laten toekomen (vermogensoverheveling). Een saldolijfrente werd in het verleden veelvuldig gebruikt om in samenhang met de zogenoemde samenloopregeling uit het successierecht, op een fiscaal vriendelijke wijze vermogen over te hevelen naar bijvoorbeeld de kinderen.
Verder is het natuurlijk ook niet zeker hoe de stand van zaken in 2020 zal zijn. Wellicht zijn de tarieven dan veel lager dan de huidige tarieven, en is de mogelijkheid om nu direct af te rekenen tegen 45% helemaal niet zo’n goede beslissing.
Kortom: een antwoord op de vraag – voortzetten of afrekenen? – is niet snel en eenvoudig te geven. Elke verzekeringnemer van een op 31 december 2000 bestaande saldolijfrente zal echter (binnenkort) voor deze vraag komen te staan. Het is van belang dat deze verzekeringnemers op de keuzemogelijkheden en de gevolgen daarvan worden gewezen. Een berekening kan de verzekeringnemer helpen een weloverwogen keuze te maken.
Mr. Helga van Bijnen is werkzaam op het Bureau Vaktechniek van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.