nieuws

Saldolijfrente in vermogens- belasting: belast of onbelast

Archief

Na invoering van het tweede deel van de Brede Herwaardering leek de saldolijfrente geen voordeel meer op te leveren in de vermogensbelasting. In de vrijstelling voor lijfrenten werd immers een direct verband gelegd met premie-aftrek. In dit artikel wordt bekeken of de saldolijfrente wellicht kan ‘meeliften’ onder een andere vrijstelling, namelijk de vrijstelling voor polissen van levensverzekering.

Jacqueline Polman-Jager
Strikt bezien is het fiscale voordeel van de saldolijfrente – hier: een lijfrente waarvan de premie niet in aftrek kan worden gebracht voor de inkomstenbelasting – in de sfeer van de inkomstenbelasting (IB) niet zo spectaculair. Immers, het voordeel wordt alleen verkregen door belastinguitstel.
Andere elementen kunnen de saldolijfrente in het kader van fiscaal effectief vermogensbeheer echter wel degelijk tot een aantrekkelijk product maken. Tot 1 januari 1995 speelde de besparing in de vermogensbelasting (VB) daarbij een rol. De saldolijfrente, die nog niet was ingegaan, viel integraal onder de vrijstelling voor niet-ingegane lijfrenten.
Eenmaal ingegaan werd de saldolijfrente de vrijstelling voor ingegane lijfrenten deelachtig. Deze vrijstelling hield in dat een lijfrente tot op zekere hoogte (f 32.000 per jaar in 1994) als vrijgestelde bezitting voor de VB werd beschouwd. Als aanvullende voorwaarden werd daarbij gesteld dat de lijfrente onder bezwarende titel moest zijn gesloten en diende toe te komen aan de verzekeringnemer. Deze moest dan echter wel 65 jaar of ouder zijn. In de meeste gevallen werd aan deze voorwaarden wel voldaan. Voor lijfrenten die aan de weduwe of wezen toekwamen, gold eveneens een (lager) plafond.
Onder lijfrente verstond de Wet VB “de aanspraak op een of meer, al dan niet ingegane vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen, waarvan het bedrag is vastgesteld bij het tot stand komen van de aanspraak en welke eindigen bij iemands overlijden”. Deze definitie, die gelijkluidend was aan die in de Wet IB, omvatte ook de saldolijfrente. Hiermee stond de vrijstelling voor saldolijfrenten vast. Alleen hoge saldolijfrenten vielen voor het meerdere boven de grens van f 32.000 per jaar (in 1994) buiten de boot, terwijl jongere verkrijgers integrale heffing van vermogensbelasting onder ogen moesten zien.
Gevallen doek
Vanaf 1 januari 1995 zijn de vrijstellingen voor ingegane en niet-ingegane lijfrenten gewijzigd. Aan de ene kant is een verruiming opgetreden, aan de andere kant is deze min of meer teruggenomen door een beperking ten opzichte van de oude regeling.
De verruiming houdt in dat alle lijfrenten, ingegaan of niet ingegaan, zijn vrijgesteld voor de vermogensbelasting. Er gelden geen eisen meer ten aanzien van de hoogte van de lijfrente-uitkering of de leeftijd van de gerechtigde.
De beperking heeft met name betrekking op het feit of de premie voor de lijfrente als persoonlijke verplichting op het onzuiver inkomen in mindering kon worden gebracht. Lijfrenten vormen namelijk alleen een vrijgestelde bezitting voorzover de premie in aftrek kon worden gebracht voor de inkomstenbelasting.
Door deze nieuwe wettelijke vormgeving van de vrijstelling voor lijfrenten kan de saldolijfrente hier niet meer voor in aanmerking komen. Weliswaar is een overgangsregeling in de wet opgenomen, die bestaande lijfrenten eerbiedigt, maar ook in deze overgangsregeling is de eis van premie-aftrek opgenomen. Kortom: voor alle op 1 januari 1995 reeds lopende saldolijfrenten leek het doek van de VB-vrijstelling te zijn gevallen.
Kapitaalverzekering
Voor een andere belangrijke vorm van levensverzekering, namelijk de kapitaalverzekering, gold vóór de Brede Herwaardering II ook een vrijstelling in de Wet VB. Dat was de vrijstelling voor polissen van levensverzekering, waarvoor minimaal gedurende vijf jaren premies dienden te zijn betaald. De hoogste premie mocht bovendien niet meer bedragen hebben dan tien keer de laagste.
De achtergrond van deze vrijstelling was blijkens de Memorie van Toelichting om “vrij te laten wat als gevolg van voor een langdurige periode betoonde spaarzin aan oudedagsvoorziening is verworven, danwel is verkregen als gevolg van door het gezinshoofd indertijd ten behoeve van zijn nabestaanden getroffen maatregelen.”.
Voor de definitie van ‘levensverzekering’ in deze vrijstelling zocht men tevergeefs in de wet. Er was er wel één, maar die gold uitsluitend voor de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Dat moest een levensverzekering zijn in de zin van artikel 1 van de WTV. Waaraan een levensverzekering dan moest voldoen om in aanmerking te komen voor de vrijstelling, bleef dus een beetje in het luchtledige hangen. Algemeen werd aangenomen dat ook hiervoor diende te worden aangesloten bij artikel 1 WTV, maar dan met uitsluiting van lijfrenteverzekeringen. Deze vielen immers ook onder de definitie van artikel 1 WTV, maar hadden een eigen vrijstelling voor de vermogensbelasting.
Redding
De vrijstelling voor polissen van levensverzekering is bij Brede Herwaardering II ternauwernood, dankzij een amendement, behouden gebleven. De regering wilde er eigenlijk wel vanaf, omdat het spaar- en rente-element bij kapitaalverzekeringen naar haar mening te sterk het risico-element overheerste. De kapitaalverzekering was dus meer een spaarproduct, zo was de mening. Het parlement hechtte echter wel degelijk aan het al eerder in de parlementaire geschiedenis gememoreerde karakter van oudedags- en nabestaandenvoorziening.
Het behoud van de vrijstelling voor polissen van levensverzekering kan de saldolijfrente, hetzij reeds lopende hetzij nieuw te sluiten, wel eens hebben gered. De saldolijfrente is namelijk ook als een polis van levensverzekering te beschouwen.
Het is verdedigbaar om voor het begrip levensverzekering in de zojuist genoemde vrijstelling uit te gaan van de definitie in artikel 1 WTV. Immers, ook de Wet IB gaat uit van deze definitie. Niet valt in te zien waarom voor de VB iets anders zou gelden. De uitsluitende, exclusieve gelding voor kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule, die we voor 1 januari 1995 kenden, is ook uit de Wet VB verdwenen.
De definitie van een overeenkomst van levensverzekering in artikel 1 WTV luidt, voorzover hier relevant, als volgt: “overeenkomsten van verzekering tot het doen van een geldelijke uitkering in verband met het leven of de dood van de mens ….”. De Verzekeringskamer (VK) heeft deze definitie in 1993 nader uitgewerkt en met ingang van 1 juli 1993 een bonus bij leven of overlijden van de verzekerde verplicht gesteld (het zogenaamde 110% of 90%-criterium). De fiscus volgt de VK-interpretatie in elk geval, blijkens een resolutie uit 1993 voor de Wet IB. Voor de Wet VB is geen expliciete uitspraak gedaan.
Toch vrijgesteld
Als een saldolijfrente op gebruikelijke actuariële voorwaarden is gebaseerd en voldoet aan de normen van de VK, is deze naar mijn mening een levensverzekering. Daarmee valt de saldolijfrente onder de vrijstelling van polissen van levensverzekering in de Wet VB.
Bijkomend voordeel is dat de saldolijfrente zelfs nog ruimer is vrijgesteld dan voorheen, namelijk zonder plafond en zonder leeftijdsvereisten. Wel zullen uiteraard de eisen omtrent de vijfjarige duur van premiebetaling en de premieverhouding van tien op één in acht moeten worden genomen. Dit betekent voor de praktijk dat eerst een opbouwfase van vijf jaar moet plaatsvinden, waarna de uitbetaling van de uitkeringen kan volgen. Of dan sprake is van een zuiver uitgestelde saldolijfrente dan wel een ‘gerichte’ saldolijfrente met kapitaalsopbouw, is niet relevant.
Een waarschuwing is op zijn plaats voor saldolijfrenten waarbij het oudedags- of nabestaandenkarakter ver is te zoeken. Primair kan daarbij worden gedacht aan saldolijfrenten die in het kader van vreemd-geldconstructies worden afgesloten en waarbij de verzekering is afgestemd op de duur en omvang van de lening. Het is niet ondenkbaar dat dan de faciliteit van vrijstelling in de Wet VB met een beroep op doel en strekking van de wet wordt geweigerd.
Mr Jacqueline Polman-Jager is werkzaam bij de Fiscale en Juridische Sectie Pensioenen & Verzekeringen van Coopers & Lybrand Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.