nieuws

Saldolijfrente in VB wel belast!

Archief

Saldolijfrente in VB wel belast!

In AM 24 van 5 december 1997 geeft Jacqueline Polman-Jager in de rubriek Fiscaal haar visie over de belastbaarheid van de saldolijfrente in de vermogensbelasting (VB). Mijn conclusie is dat, alhoewel tekstueel gezien de saldolijfrente onder de vrijstelling voor polissen van levensverzekering zou kunnen vallen, dit toch niet het geval is op grond van de wetsgeschiedenis én de ratio van de vrijstellingsregeling.
Mevrouw Polman-Jager stelt dat de inhoud van het begrip polissen van levensverzekeringen sinds 1 januari 1995 (Brede Herwaardering II en II) in de Wet VB is gewijzigd. Zij leidt dit af uit het feit dat de definitie van het begrip levensverzekering, opgenomen in art. 8 Wet VB (oud), per 1 januari 1995 uit de Wet VB verdwenen is. Deze definitie hield een verwijzing in naar art. 1 van de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf (WTV) en had alleen betrekking op kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule.
Omdat deze exclusieve werking voor de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule door de wetswijziging niet meer geldt, kan voor de term polissen van levensverzekering thans bij art. 1 WTV worden aangesloten. Aangezien hieronder ook de saldolijfrente is te begrijpen, geldt volgens Polman-Jager de vrijstelling voor polissen van levensverzekering – mits gesloten tegen premiebetaling – in de Wet VB met ingang van 1995 ook voor saldolijfrenten.
WTV-aansluiting
Polman-Jager stelt dat voor het begrip polissen van levensverzekering aangesloten moet worden bij de WTV. Zij beargumenteert dit door te stellen dat ook de Wet IB aansluit bij de WTV en dat niet valt in te zien waarom dit voor de Wet VB anders zou zijn.
Op zich is dit juist. Echter, in de Wet IB wordt geen directe relatie gelegd tussen een saldolijfrente en het begrip levensverzekering volgens de WTV. In het tweede lid van artikel 25 Wet IB wordt voor het begrip levensverzekering inderdaad naar art. 1 WTV verwezen, doch deze verwijzing ziet slechts op het eerste lid letter c van art. 25 Wet IB. Daar wordt bepaald dat tot de inkomsten uit vermogen behoort: rente begrepen in kapitaaluitkeringen uit levensverzekering. De verwijzing ziet dus niet op de (invulling van de) saldomethode welke omschreven is in artikel 25 lid 1 letter g.
De definitie van het begrip levensverzekering geldt niet voor periodieke uitkeringen in het algemeen, omdat er tevens periodieke uitkeringen bestaan die niet afhankelijk zijn van het leven en dus geen levensverzekering zijn. Het onzekerheidsvereiste dat kenmerkend is voor een periodieke uitkering kan ook zien op de hoogte van de uitkeringen (bijvoorbeeld omzetprovisies.)
Ook in artikel 45 Wet IB – waar onder meer de aftrek van de lijfrentepremie als persoonlijke verplichting wordt geregeld – wordt bij de lijfrentedefinitie verwezen naar art 1 WTV. Waar in de Wet IB verwezen wordt naar de WTV heeft men derhalve óf de kapitaalverzekeringen, òf de lijfrenten waarvoor premieaftrek wordt genoten op het oog. Een analoge toepassing overeenkomstig de Wet IB voor het begrip levensverzekering heeft dus geen zelfstandige betekenis.
Dit betekent uiteraard niet dat een saldolijfrente niet aan de definitie van art. 1 WTV kan voldoen. Maar de conclusie van Polman-Jager dat een saldolijfrente die voldoet aan de WTV-definitie (art. 1) dus een polis van levensverzekering als bedoeld in de Wet VB is, lijkt daarmee nog niet juist.
Wetsgeschiedenis
Vaststaat dat tot 1 januari 1995 onder polissen van levensverzekering de kapitaalverzekeringen dienden te worden verstaan. Lijfrenten (inclusief saldolijfrenten) waren onder voorwaarden reeds vrijgesteld in lid 2 van art. 8 Wet VB (oud). Voor kapitaaluitkeringen gold een eigen vrijstelling. Als het begrip polissen van levensverzekering in 1995 is uitgebreid tot saldolijfrenten, dan moet daarvoor naar mijn mening een aanwijzing te vinden zijn in de wetsgeschiedenis van Brede Herwaardering II/III.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel zouden alleen kapitaaluitkeringen bij overlijden vrijgesteld worden. Daartegen rees veel kritiek. Een amendement van Tweede Kamerlid De Vries hield de vrijstelling voor kapitaalverzekeringen tegen jaarlijkse premiebetaling alsnog in stand.
Uit de wetsgeschiedenis is derhalve niet af te leiden dat met polissen van levensverzekering iets anders is bedoeld dan hetgeen reeds vóór 1995 gold. Overigens is het merkwaardig dat Polman-Jager wel de wetsgeschiedenis in haar betoog betrekt, doch de hierboven aangehaalde toelichting op het amendement buiten beschouwing laat.
Geen vrijstelling
In art. 8 Wet VB is voorts een vrijstelling voor lijfrenten als bedoeld in art. 45 Wet IB opgenomen. Deze vrijstelling is direct gekoppeld aan de aftrekbaarheid van de premies als persoonlijke verplichting. Het is daarom in strijd met de ratio van deze vrijstelling om lijfrenten die niet voor aftrek kwalificeren, vrij te stellen door deze alsnog onder de vrijstelling van polissen van levensverzekering te brengen.
Ook prof.dr. Gerrie Dietvorst (tijdschrift Fiscaal Ondernemingsrecht 1996, pag. 32) betoogt: “In de praktijk wordt wel verdedigd dat de waarde van een saldolijfrente (tegen premiebetaling) op grond van art. 8 tweede lid onderdeel c. Wet VB 1964 is vrijgesteld. Er is immers sprake van een polis van levensverzekering. Hoewel voor een dergelijke redenering veel te zeggen valt, acht ik de kans van slagen niet zo groot omdat deze vrijstelling is geschreven voor kapitaalverzekeringen.”
Conclusie: onder de vrijgestelde polissen van levensverzekering kunnen niet de saldolijfrenten worden verstaan.
Corry Geertsema-Haksteen, fiscaal-juridisch adviesbureau van Nationale-Nederlanden Leven.
Naschrift
Op de weergave van de wetsgeschiedenis door mevrouw Geertsema-Haksteen heb ik niets aan te merken. Wel verbind ik aan het ontbreken van een concrete aanwijzing tijdens de parlementaire behandeling van Brede Herwaardering II over de saldolijfrente een andere conclusie.
Voor invoering van Brede Herwaardering II viel de saldolijfrente als het ware automatisch onder de lijfrentebepaling in art. 8 lid 2 VB (oud) vanwege de gehanteerde volgorde in dit artikel. Door de koppeling van de vrijstelling voor lijfrenten aan premie-aftrek viel de saldolijfrente tussen de wal en het schip. Uit het ontbreken van een mededeling tijdens de parlementaire behandeling maak ik veeleer op dat men in 1994, net zomin als eerder, helemaal niet heeft stilgestaan bij het fenomeen saldolijfrente.
Om deze reden is het ook niet opportuun om naar de ratio van de regeling te kijken, omdat men aan de saldolijfrente nooit is toegekomen. Deze viel voorheen als vanzelf onder de lijfrentevrijstelling en bij het schrappen is men simpelweg vergeten aandacht aan de saldolijfrente te besteden. Alle energie was gericht op het behoud van vrijstelling voor polissen voor levensverzekering. Iedereen, met name de commercie, was als de dood dat er geen hypothecaire lening met kapitaalverzekering meer zou worden gesloten.
Hoe je het ook wendt of keert, de saldolijfrente kan niet anders worden gekwalificeerd dan als een levensverzekering, simpel vanwege het feit dat de uitkeringen van het leven of de dood afhankelijk zijn. Dat in de Wet IB de afhankelijkheid met zoveel woorden is opgenomen is mooi, maar doet hieraan niet af.
Omdat de tekst van de wet duidelijk is en de wetsgeschiedenis het lot van de saldolijfrente blijkbaar niet bewust heeft beslecht, kan verdedigd worden dat de saldolijfrente onder de vrijstelling voor polissen van levensverzekering valt. Het is in het belang van de verzekeringsbedrijfstak zich hiervoor sterk te maken.
Jacqueline Polman-Jager, fiscale en juridische sectie pensioenen en verzekeringen van Coopers & Lybrand Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.