nieuws

Redelijke kosten buitengerechtelijke rechtsbijstand.

Archief

1996 nr 292

Een gelaedeerde bij een verkeersongeval wordt bij de behartiging van zijn belangen bijgestaan door een rechtsbijstandsverzekeraar. Hij is echter niet tevreden over de wijze waarop zijn belangen worden behartigd en wendt zich dan tot een advocaat. De rechtsbijstandsverzekeraar is niet bereid de kosten van de advocaat te vergoeden. De gelaedeerde vordert dan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van de aansprakelijke WAM-verzekeraar, maar ook deze weigert de kosten te vergoeden.
De rechtbank beslist dat de kosten wel voor verhaal vatbaar zijn. De kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand behoren tot de te vergoeden schade voor zover ze in redelijkheid zijn gemaakt en naar omvang redelijk zijn. De gelaedeerde is niet verplicht – ook niet in het kader van zijn schadebeperkingsplicht – gebruik te maken van de diensten tegen de kosten waarvan hij verzekerd is. Dat geldt ook voor het geval aan het inschakelen van een advocaat hogere kosten verbonden zijn dan aan het gebruik van de diensten van een rechtsbijstandsverzekeraar. (W.L.)
Aansprakelijkheid artikel 31 (oud) WVW; geslaagd beroep op overmacht
Een busbaan die gesloten is verklaard voor alle verkeer behalve bussen voor openbaar vervoer, kruist een fietspad. De kruising is beveiligd met verkeerslichten. Op enig moment nadert een bus de kruising terwijl het voor de desbetreffende bus bestemde verkeerslicht op groen staat. De bus rijdt met een snelheid van circa 30 à 35 km per uur. Bezien vanuit de naderende bus staat vóór de kruising links bij een bushalte een bus, afkomstig uit tegenovergestelde richting. De chauffeur van de rijdende bus is voornemens om zijn bus ook tot stilstand te brengen en wel bij de halte die gelegen is aan de overzijde van de kruising. Op het moment dat de buschauffeur de kruising oprijdt, wordt hij geconfronteerd met een voor hem van links de kruising oprijdende fietser die aldus het rode licht negeert. Voor de buschauffeur was het zicht op die fietser belemmerd door de stilstaande bus. De fietser rijdt, achter de andere bus vandaan komend, tegen de linker voorzijde van de rijdende bus en raakt gewond. De fietser (een ambtenaar), zijn werkgever de Staat der Nederlanden en het ABP houden de WAM-verzekeraar van de bus aansprakelijk voor de schade.
De WAM-verzekeraar betwist aansprakelijkheid en beroept zich op overmacht in de zin van artikel 31(oud) WVW. De rechtbank en het hof honoreren het verweer van de verzekeraar. Het hof overweegt daartoe dat het voor de buschauffeur zo onwaarschijnlijk was dat een volwassen fietser ondanks het voor hem bestemde rode licht en het belemmerde uitzicht de busbaan, van achter de stilstaande bus zou oversteken, dat de buschauffeur met deze fout geen rekening behoefde te houden door – bijvoorbeeld – de kruising stapvoets te naderen; evenmin gaf de snelheid waarmee de buschauffeur reed, aanleiding voor enig verwijt.
De fietser, de Staat en het ABP leggen de zaak voor aan de Hoge Raad. Deze verwerpt het cassatieberoep. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof dat aan de buschauffeur geen enkel verwijt kan worden gemaakt terzake van de wijze waarop hij de bus bestuurde, niet onvoldoende gemotiveerd is.
Commentaar
Als ik deze uitspraak zou moeten uitleggen aan mijn buurman (die geen jurist is) dan zou ik daarmee niet zoveel moeite hebben. Maar voor wie de jurisprudentie met betrekking tot artikel 31 (oud)/185 WVW volgt, kan deze uitspraak toch een betrekkelijke verrassing zijn. Immers, in de loop der jaren heeft de Hoge Raad het overmachtcriterium steeds verder ingeperkt. In zijn arrest van 23 mei 1986 VR 1987 nr 36 (Frank van Holsteijn) bepaalde de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op overmacht vereist is dat de bestuurder van zijn wijze van rijden rechtens geen enkel verwijt valt te maken. Voor een geslaagd beroep op overmacht is dus sedertdien niet (meer) voldoende dat de bestuurder feitelijk geen enkel verwijt trof. Van dit alles vindt men in het onderhavige arrest niets terug. De Hoge Raad geeft niet aan dat de wijze van rijden van de buschauffeur had moeten worden getoetst aan de vraag of hem rechtens geen enkel verwijt viel te maken.
Het hof had geoordeeld dat aan de buschauffeur “geen enkel verwijt kon worden gemaakt”, daarmee de vraag of het ging om een feitelijk of een rechtens verwijt in het midden latend. Het is opmerkelijk dat de Hoge Raad dat zo heeft gelaten. Dat de buschauffeur feitelijk geen enkel verwijt trof, lijkt evident. Maar trof hem ook rechtens geen enkel verwijt? Ik weet het nog zo net niet. Eerlijk gezegd zie ik geen verschil tussen de onderhavige kwestie en bijvoorbeeld de kwestie van Marbeth van Uitregt die, voorafgaand aan de aanrijding, voor de automobilist evenmin zichtbaar was; toen kon naar het oordeel van het gerechtshof de automobilist géén beroep doen op overmacht. Het arrest is te lezen bij het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1991 VR 1991 nr 119.
Kortom, deze zaak leert maar weer eens dat de afloop van een artikel 31(oud)/185 WVW-zaak moeilijk te voorspellen valt. (F.S.)
Risicoverzwaring. Nieuwe voorwaarden.
Een bedrijf heeft een opstal verzekerd tegen het risico van brand. Opgegeven wordt dat een gedeelte van het bedrijfspand tijdelijk leeg staat. Enige tijd na het tot stand komen van de verzekeringovereenkomst wordt in het leegstaande gedeelte een kunststofrecyclingsbedrijf gevestigd, maar daarvan wordt aan de verzekeraar geen mededeling gedaan. Enige tijd later wordt een polisblad op de verzekering van toepassing verklaard waarin uitdrukkelijk bepaald is dat wanneer de verzekerde verzuimt tijdig mededeling te doen van de risicowijziging de eventuele schade wordt vergoed in verhouding tot de premie zonder en de premie met risicoverzwarende omstandigheid. De premie zonder vestiging van het kunststofrecyclingsbedrijf zou zijn geweest 1.1 promille en de premie na vestiging van het kunststofrecyclingsbedrijf zou zijn geweest 2.25 promille. Vervolgens breekt brand uit als gevolg waarvan de verzekerde opstal wordt beschadigd. De verzekerde verlangt uitkering, maar de verzekeraar weigert de schade te vergoeden en beroept zich op art. 293 K.
De rechtbank en het Hof wijzen de vordering van de verzekerde af. In cassatieberoep staat de vraag centraal of door het van toepassing verklaren van het clausuleblad, waarin een pro rata-vergoeding wordt voorzien, afstand gedaan werd van art. 293 K. De Hoge Raad overweegt dat vooropstaat dat bij een duidelijk sprekend geval van bestemmingswijziging de verzekerde zijn aanspraak verliest. Onder bijzondere omstandigheden kan het aan de verzekeraar niet zijn toegestaan een beroep te doen op art. 293 K. Daarbij valt te denken aan het geval waarin de bestemmingswijzing ongedaan is gemaakt voordat het risico zich heeft verwezenlijkt. Ook kan daarbij worden gedacht aan de mogelijkheid dat er onvoldoende verband bestaat tussen de bestemmingswijziging en het risico. Tenslotte kan een beroep op art. 293 K ook falen als de verzekeraar op de hoogte is geraakt van de bestemmingswijzing, maar de verzekeringovereenkomst ongewijzigd continueert. Of in dit geval aan de verzekeraar nog een beroep toekomt op art. 293 K hangt af van de overeenkomst. Het Hof heeft de overeenkomst zo uitgelegd dat de verzekeraar bij het van toepassing verklaren van het clausuleblad al van zijn verplichting tot betaling was ontslagen en dat de overeenkomst niet met zich brengt dat het van toepassing worden van de nieuwe voorwaarden tot gevolg had dat de verplichting van de verzekeraar weer herleefde. Het Hof heeft hierbij niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De verzekeraar blijft derhalve geheel ontslagen van zijn verplichting tot vergoeding van de schade en is ook niet gehouden een pro rata-gedeelte van de schade te vergoeden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.