nieuws

Raad van Toezicht: eigen schuld, dikke bult

Archief

De Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf heeft de motorrijtuigverzekeraars weer eens op het hart gebonden om zich bij het aangaan van de verzekering absolute duidelijkheid te verschaffen over de relatie van de aanvrager van de verzekering tot de auto en de eigendom van de auto.

Vorige week publiceerde de Raad de uitspraak in een klacht waarin het er om draaide dat de verzekering op naam stond van een vrouw terwijl de betrokken auto op naam stond van haar man. In het aanvraagformulier was gevraagd naar de naam van de ‘regelmatige bestuurder’.
De verzekering was met ingang van 1 december 1988 gesloten voor een VW Polo. Met ingang van 7 juni 1991 was een Hyundai Lantra wa/casco verzekerd. In september werd deze wagen gestolen en later beschadigd teruggevonden. De schade werd vastgesteld op ruim f 20.000.
‘Verzwijging’
De verzekeraar weigerde schadevergoeding, met een beroep op art 251 WvK, omdat klaagster opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de eigendom van de auto.
De vrouw stelde in haar klacht bij de Raad van Toezicht: “Mijn man reed bijna nooit met de auto, omdat hij bij het openbaar vervoer werkte en vrij reizen had. Ik gebruikte de auto voor de boodschappen en het vervoer van de kinderen naar en van school”. De verzekeraar in zijn verweer: “Haar echtgenoot had van 1982 tot en met oktober 1988 bij een andere maatschappij een autoverzekering. Hij was daar na een aantal door hem veroorzaakte schades op -2 schadevrije jaren terecht gekomen en had vervolgens de verzekering opgezegd. Daarna is de betreffende auto op naam van zijn vrouw bij ons verzekerd. Dit is ons pas pas na de diefstalschadeclaim gebleken”.
Tussenpersoon zat fout
Een buitendienstmedewerker van de verzekeraar had vervolgens contact opgenomen met de tussenpersoon door wiens bemiddeling de onderhavige verzekering gesloten was. Deze tussenpersoon had desgevraagd meegedeeld, dat het inderdaad bij het aanvragen van de verzekering niet goed was gegaan. Hij gaf toe, op de hoogte te zijn geweest van het feit dat klaagsters echtgenoot en niet klaagster de eigenaar en regelmatige bestuur van de auto was.
Dit was voor de verzekeraar aanleiding om het beroep op verzwijging onverkort te handhaven (en tevens de reden om de samenwerking met de tussenpersoon te beëindigen). In haar commentaar hierop stelde klaagster evenwel, dat de autoverzekering destijds op haar naam was gesteld omdat zij en niet haar echtgenoot in de auto reed. “Dat wist de tussenpersoon!” De achtereenvolgende auto’s hebben steeds op naam van haar echtgenoot gestaan. “Bij elke autowijziging heb ik een kopie van het kentekenbewijs overgelegd. Trouwens, in het aanvraagformulier wordt niet gevraagd wie de eigenaar is, maar alleen wie de verzekeringnemer en wie de regelmatige bestuurder is. Tijdens de zitting van de Raad van Toezicht stelde de verzekeraar, dat klaagster geen belang bij de verzekering had, en herhaalde hij dat de eigendom van de auto verkeerd aan hem was opgegeven.
Oordeel van de Raad
De Raad van Toezicht oordeelde, dat verzekeraar geen beroep op verzwijging kon doen, omdat in het aanvraagformulier niet naar de eigenaar (en evenmin naar de kentekenhouder) werd gevraagd. De Raad vond eveneens, dat klaagster niet behoefde te begrijpen dat zij hieromtrent spontaan mededeling moest doen.
De informatie die verzekeraar had vergaard en naar voren had gebracht nà het afwijzen van de schade wordt door de Raad als mosterd na de maaltijd beschouwd. “Opmerking verdient nog het volgende. De Raad heeft geconstateerd, dat het regelmatig voorkomt dat bij de afwikkeling van een schade problemen ontstaan omdat eerst dan aan de verzekeraar bekend wordt dat de bij hem verzekerde auto op naam van een ander dan de werkelijk belanghebbende is verzekerd. Verzekeraars dienen – mede uit een oogpunt van de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf – alles in het werk te stellen, door duidelijke vragen in hun aanvraagformulieren omtrent de relatie van de aanvrager van de verzekering tot de auto en de eigendom van de auto en voorts door goede voorlichting, om te bereiken dat zij die informatie niet pas verkrijgen bij de afwikkeling van een schade, maar reeds bij het tot stand komen van de verzekering.” De klacht werd gegrond verklaard, waarbij de Raad aantekende dat verzekeraar alsnog tot vergoeding van de schade moet overgaan. Uitspraak nr III-95/4.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.