nieuws

Raad van Toezicht: ‘Bij samenloop geen afwachtende houding

Archief

aannemen’

Het blijkt voor aansprakelijkheidsverzekeraars herhaaldelijk een probleem om een claimant buiten een onderlinge discussie te houden. Dat kwam weer eens pijnlijk naar voren in een klacht bij de Raad van Toezicht Verzekeringen waarbij de klager binnen enkele jaren twee keer bij een ongeluk betrokken was en te maken kreeg met twee aansprakelijkheidsverzekeraars van tegenpartijen.
De klagende man was op 9 november 1993 met zijn auto betrokken bij een aanrijding met een bestelbus. Met de WA-verzekeraar (I) van die bestelbus kon geen overeenstemming worden bereikt over de verdeling van de schuld. De man had als gevolg van deze aanrijding whiplash-achtige klachten. Verzekeraar I verklaarde zich bereid om – met een beroep op enige eigen schuld van de man – 75% van de ongevalsschade te vergoeden.
Op 27 juli 1996 was de man opnieuw met zijn auto betrokken bij een aanrijding. De aansprakelijkheid van de tegenpartij was verzekerd bij een andere verzekeraar (II). Deze aanrijding had zowel lichamelijke als psychische klachten tot gevolg.
Het laat zich raden dat er tussen de man en de twee verzekeraars discussie ontstond over de vraag welke klachten zijn toe te rekenen aan het eerst ongeval, aan het tweede ongeval of aan beide ongevallen.
Cessie
Bij brief van 24 september 1998 schreef verzekeraar I aan de toenmalige advocaat van de man: “aangezien in een situatiebepaling voor het (…) tweede (verzekeraar II) regarderende ongeval duidelijk is vastgesteld dat er geen beperkingen waren, zijn en blijven wij van mening dat verzekeraar II voor dit deel geheel, in ieder geval grotendeels, moet opdraaien. Wij zijn derhalve alleen bereid tot integrale voldoening als deze tegen cessie kan worden afgewikkeld.” De man wordt dus gevraagd om bij de eindafwikkeling zijn medewerking te verlenen aan een cessie-clausule in de vaststellingsovereenkomst.
De advocaat van de man stelt in een brief van 6 oktober 1998 dat hij akkoord gaat met het verzoek van verzekeraar I. Bijna twee jaar later, bij brief van 22 september 2000, laat (de advocaat van) verzekeraar I weten dat hij niet zal overgaan tot integrale vergoeding van de schade tegen cessie. Reden voor de claimant om zich te beklagen bij de Raad van Toezicht Verzekeringen.
Verweer
Tegenover de Raad van Toezicht stelt verzekeraar I dat er tussen hem en de klager nimmer overeenstemming is bereikt over de verdeling van de schuld ten aanzien van het ongeval van oktober 1993. De door hem aangeboden 75% vergoeding is door klager niet geaccepteerd. “Omdat er nog steeds geen overeenstemming is over deze verdeling, heb ik in beginsel het recht om me te beroepen op volledige eigen schuld van klager aan het ontstaan van de aanrijding op 9 november 1993.”
Klager is in het najaar van 1995, dus vóór het tweede ongeval, uitgebreid medisch onderzocht. Op 29 januari 1996 is klager arbeidsongeschikt geworden na een conflict met zijn werkgever.
Na het tweede ongeval heeft verzekeraar I getracht met verzekeraar II overeenstemming te bereiken over de aan te zoeken deskundigen en expertises.
Conclusie van verzekeraar I na allerlei onderzoeken: als de medische klachten van de man reëel zijn, dan zijn de huidige klachten hooguit veroorzaakt door het tweede ongeval. “Gelet op de aard van beide aanrijdingen staat medisch gezien echter niet vast dat de klachten zijn ontstaan ten gevolge van die aanrijdingen.”
De raadslieden van de man en van de beide verzekeraars hebben, in het kader van een mogelijke minnelijke afwikkeling, vanaf medio 1997 uitvoerig gediscussieerd over de vermeende gevolgen van het eerste en het tweede ongeval. Er is groot verschil van inzicht tussen beide verzekeraars. Verzekeraar I had wel als regelend verzekeraar willen optreden, maar dat wilde verzekeraar II niet accepteren. Dan moet er maar een rechtszaak van komen, meende verzekeraar I.
Verder zal klager in geval van cessie op zijn minst genomen, moeten instaan voor zijn vordering jegens verzekeraar II. “De koopprijs van de vordering wordt mede bepaald door wat feitelijk wordt overgedragen en door de kans op incasso”, aldus verzekeraar I.
Commentaar
In zijn commentaar op het verweer van verzekeraar I stelt klager, dat het nu vooral draait om een geschil tussen beide verzekeraars en dat hij daar dus buiten staat.
Aan de Raad van Toezicht belooft verzekeraar I, dat hij een nader standpunt zal formuleren. In die heroverwogen opstelling wordt betoogd dat “hoe dan ook zal moeten worden vastgesteld of klager arbeidsongeschikt is tengevolge van enig ongeval”. Er zou dus een ‘voorlopig deskundigenonderzoek’ moeten worden gehouden.
Verzekeraar I schetst vier mogelijke situaties en dienovereenkomstig te volgen gedragswijzen: (1) de arbeidsongeschiktheid vloeit uit géén van beide ongevallen voort, (2) de arbeidsongeschiktheid vloeit louter voort uit het eerste ongeval, (3) de arbeidsongeschiktheid vloeit voort uit beide ongevallen en (4) de arbeidsongeschiktheid vloeit louter voort uit het tweede ongeval.
De klager verklaart zich bereid mee te werken aan medische onderzoeken. Hij merkt daarbij op, dat dit voor hem tot een verdere toename van kosten zal leiden en dat hij in dat geval belang heeft bij een verdere juridische begeleiding.
Niet verdedigbaar
De Raad van Toezicht staat stil bij de omstandigheid dat verzekeraar I van klager niet alleen een akte van cessie wilde hebben, maar tevens dat klager diende te verklaren dat hij instaat voor het bestaan van de door hem aan verzekeraar I over te dragen vordering(en) op verzekeraar II.
De Raad wijst erop dat laatstgenoemde eis niet is vermeld in het voorstel van 24 september 1998. Niet verdedigbaar is de opstelling van verzekeraar I dat de cessie in deze zaak zou voortvloeien uit een koopovereenkomst. Derhalve is artikel 7:47 van het BW niet van toepassing. Waarom dit wordt afgewezen, motiveert de Raad als volgt: “Voldoening aan deze eis zou immers meebrengen dat klager zelf het risico zou dragen van weigering door verzekeraar II om een deel van de totale door klager geleden schade te vergoeden”.
Evenmin is verdedigbaar dat verzekeraar I als voorwaarde stelt dat verzekeraar II hem als regelend verzekeraar zou aanvaarden, simpelweg omdat een dergelijke eis evenmin is opgenomen in het aanbod tot regeling van de schade.
De Raad voelt zich geroepen er nog aan toe te voegen dat betrokken WA-verzekeraars het zich niet kunnen permitteren in dergelijke situaties een afwachtende houding aan te nemen. Ze zullen onderling moeten overeenkomen wie van hen als regelend verzekeraar zal optreden. Indien zij het niet eens zijn, is dat automatisch de eerst aangesproken verzekeraar. “Aangenomen moet worden dat een WA-verzekeraar die niet bereid is aan een dergelijke regeling mee te werken, daardoor de goede naam van het verzekeringsbedrijf zal schaden. Dit zal slechts onder bijzondere, door de verzekeraar aan te voeren omstandigheden anders zijn”, aldus de Raad, die hiermee ook verzekeraar II een veeg uit de pan geeft. De klacht wordt gegrond verklaard.
Raad van Toezicht Verzekeringen, uitspraak nr. 2002/13 Mo

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.