nieuws

‘Premies aanpassen aan de schadelast en niet andersom’

Archief

Begin deze maand was het Nederlands Instituut voor Schaderegelaars (NIS) te gast bij de ANWB. Als gastspreker tijdens de maandelijkse bijeenkomst van deze vereniging van letselschaderegelaars fungeerde mr. Theo Kremer, hoofd Speciale Zaken bij Nationale-Nederlanden. Zijn inleiding betrof de actuele ontwikkelingen in de letselschaderegeling.

door Richard Matthijssen
De schadelast voortvloeiend uit WAM-verplichtingen bedraagt per jaar ongeveer f 3 miljard. Ter vergelijking: de totale jaarschade van de AVB-portefeuilles bedraagt f 300 miljoen.
In de categorie fietsers, voetgangers en inzittenden – goed voor 10% van die f 3 miljard – zal een stijging van naar schatting 10% plaatsvinden als de aangekondigde nieuwe wetgeving – meer bescherming van niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers – doorgaat. Kremer verwacht overigens dat de nieuwe wet nauwelijks verandering zal brengen in de huidige praktijk van de behandeling van verkeersschades. Fietsers zullen zich echt niet voor auto’s gaan storten in de verwachting dat ze een nieuwe fiets kunnen claimen. Vreemd is natuurlijk wel dat een fietser een boete kan oplopen, omdat hij zonder licht rijdt en daarnaast een schadevergoeding van 100% kan krijgen.
Toename claims
Kremer constateerde dat er wel wat aanwijzingen zijn voor een toename de komende jaren van zowel het aantal als de omvang van letselschades. Hij denkt daarbij bijvoorbeeld aan de claim-assertiviteit bij het publiek, de zich uitbreidende (technische) mogelijkheden om causale verbanden aan te tonen, de voortschrijdende (pseudo)risico-aansprakelijkheid, de beperking van de sociale uitkeringen en de ontwikkeling van de ‘rechtshulpindustrie’.
Naast de letselschades dijt ook het terrein van de beroepsziekten en het aantal erkende claims daarvoor steeds verder uit. Iedereen kent de dramatiek rond de asbestzaken. Nieuw zijn de patiënten door inademing van giftige dampen (in het jargon: OPS) en de ‘muisarm’ (RSI) en wellicht vervolgens gehoorstoornissen door bedrijfslawaai en slachtoffers van het sick-buildingsyndroom.Daarentegen lijkt de hausse van whiplashpatiënten te stabiliseren, wellicht zelfs af te nemen. De bewijsregels bij lichte aanrijdingen zouden hier nog kunnen worden aangescherpt en er zou beter onderzoek gepleegd kunnen worden naar het (medisch/sociaal) verleden van whiplashpatiënten.
Witte claimvlekken
Er zijn in Nederland enkele terreinen waarop nog geen claims bekend zijn, terwijl dat in het buitenland wel het geval is. Kremer noemde als voorbeeld immateriële schadevergoedingen aan mensen die aanwijsbaar slechte kinderjaren thuis hebben gehad en wier leven daardoor dramatisch is beïnvloed. Ook slechte studieresultaten vanwege het falen van opleidingsinstituten kunnen materiële claims opleveren. Datzelfde geldt voor huis-, tuin- en keukenongevallen door schuld van huisgenoten en extreme handelingen bij sport en spel (natrappen bij voetballen).
De zogenaamde ‘ongelukkige samenloop van omstandigheden’ kan ook claims gaan geven. In Nederland kennen wij al een toegekende smartengeldclaim van een politieman die een levensbedreigende ervaring had gehad. In deze lijn liggen eveneens smartengeldbedragen voor psychisch letsel zonder fysieke aantasting. En natuurlijk niet te vergeten een immateriële vergoeding voor de nabestaanden van slachtoffers door schuld van derden. De toekomst zou wat dit betreft wel eens getypeerd kunnen worden met: meer mensen zullen meer geld vragen in meer zaken. Kremer nam wel afstand van de veel geuite angst voor Amerikaanse toestanden, zeker als het om de omvang van de toekenningen gaat.
Verwachtingen
Over schuldvraagkwesties vanuit verkeerssituaties verwacht Kremer de komende jaren minder discussies. Heel veel is immers al beslecht door gerechtelijke uitspraken. Aansprakelijkheidskwesties door medisch handelen zouden wel eens kunnen toenemen inclusief het aantal procedures. Over causaliteitsvragen verwacht Kremer meer discussies, evenals over het claimonderdeel ‘huishoudelijke hulp’.
De berekening van toekomstschade (inkomen) zal minder omstreden worden, maar daarentegen zal de onenigheid over (re)integratie en het vaststellen van een resterend arbeidsvermogen toenemen. De hoogte van het smartengeld zal niet veel veranderen; de kring van gerechtigden kan toenemen, waarbij vooral gedacht moet worden aan de nabestaanden. Tenslotte: de buitengerechtelijke kosten. Kremer verwacht door goede afspraken minder discussie op dit omstreden terrein.
Media
Ontevredenheid bij praktisch alle betrokkenen bij de letselschaderegeling weerspiegelt zich in de media. Dag- en weekbladpers, televisieprogramma’s en actualiteitenrubrieken confronteren de bedrijfstak geregeld met dit meest kwetsbare onderdeel van de verzekeringsbranche. De ondoorzichtigheid en de onbekendheid rond dit complexe gebeuren is groot, maakt de consument onzeker en leidt ook tot veel te lange afwikkelingstijden. Waar de vertraging of de fouten ook hun oorsprong vinden, uiteindelijk zijn het de verzekeraars die erop worden aangekeken.
Omdat de problemen en de klachten rond de letselschaderegeling niet meer met kleine verbeteringen en ingrepen hier en daar kunnen worden opgelost, heeft het Verbond van Verzekeraars vorig jaar besloten een kenniscentrum voor personenschade op te richten (zie kaderbericht – red. AM). Op het bord van dit verzekeraarscentrum liggen onderwerpen als kennisborging, research, strategie, training en opleiding (de vroegere OWAS en het SRO).
Verder is (nog steeds) in oprichting het Nationaal Platform Personenschades. Het betreft hier een paraplu waaronder alle partijen zullen worden bijeen gebracht die zich met de regeling van letselschades bezig houden. Gedacht kan daarbij worden aan onder meer aansprakelijkheids- en rechtsbijstandverzekeraars, de LSA (advocaten), de ANWB, de vakcentrale FNV, het NIS, Slachtofferhulp-Nederland en expertisebureaus. Doelstelling: het in betere banen leiden van de letselschaderegeling. Dat kunnen verzekeraars natuurlijk niet alleen, ook niet door middel van een kenniscentrum. Daarvoor zullen alle betrokken partijen om de tafel moeten, om goede afspraken te maken voor een verantwoord en consumentgericht beleid.
Onbeheersbare schadelast?
Publicaties, inleidingen en studiedagen staan nogal eens bol van kreten als ‘de letselschaderegeling wordt onbeheersbaar’ of ‘de letselschade vliegt de pan uit’ of ‘de wal zal het schip wel keren’. Gevraagd naar zijn mening hierover, nam Kremer afstand van dit soort kretologie.
Uit de daarop volgende discussie werd helder dat het schadeverzekeringsbedrijf natuurlijk de ontwikkelingen in alle branches en met name ook die in de letselschades op de voet dient te volgen. Maar de verzekeringsbedrijfstak maakt uiteindelijk niet uit wat de maat of het getal is van de schadeuitkeringen. Als de samenleving zich bijvoorbeeld uitspreekt – via overheid en jurisprudentie – voor hogere smartengelden, dan volgen verzekeraars. Evenzo geldt dat voor het leggen van (medische en juridische) causaliteitverbanden, voor alle vormen van (pseudo)risico-aansprakelijkheid, voor uitkeringen voor psychisch letsel en vergoedingen aan nabestaanden. Als de overheid – namens de samenleving – fietsers en voetgangers (wat wij overigens allemaal op z’n tijd zijn) extra wil beschermen, dan dient de bedrijfstak maatregelen te nemen om de daartoe genomen besluiten uit te voeren.
Dat verzekeraars via hun kanalen wijzen op de consequenties van al bekende en toekomstige ontwikkelingen, is een prima zaak. Verzekeraars hebben immers heel veel ervaring en expertise beschikbaar ten dienste van de samenleving. Maar dat mag niet inhouden dat “gehuild wordt over onbeheersbare schadelasten”. Dat zou namelijk kunnen betekenen dat de schadeverzekeraars hun vak niet goed hebben uitgeoefend. Premies dienen immers aangepast te worden aan de schadelast en niet andersom. Om ons even te beperken tot de motorrijtuigenbranche, toch de grootste slokop in dit verband; de premies daarvoor zijn nogal laag in verhouding tot de andere Europese landen. Tekorten kunnen worden voorkomen wanneer de autoverzekeraars niet om hen moverende redenen (concurrentie?) de premies op een laag peil houden.
Geen schokeffecten
Cijferoverzichten laten overigens zien dat de letselschadelast weliswaar per jaar stevig groeit, maar wel regelmatig, dat wil zeggen geen schokeffecten. De bekwame rekenmeesters die onze bedrijfstak kent, kunnen derhalve een verantwoord premieniveau redelijk benaderen. Anticiperend op weerstand vanuit de consumentenwereld tegen wat forsere premieverhogingen, zullen voorlichtingscampagnes – die duidelijk en concreet over letselschades moeten gaan – veel ogen kunnen openen. Tenslotte zijn wij naast premiebetalers ook potentiële verkeersslachtoffers en willen dan ook eveneens volledig recht gedaan worden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.