nieuws

Pré-pensioenen bieden nieuwe marktkansen

Archief

Sedert de publicatie van het rapport van de werkgroep ‘fiscale behandeling pensioenen’ is het denken over het afschaffen van vut-regelingen in een stroomversnelling gekomen. Door veel bedrijven wordt in plaats van een vut-regeling gekozen voor een pré-pensioenregeling. Voor verzekeraars en intermediair biedt dit nieuwe perspectieven in de sfeer van collectieve en individuele pensioenen. In dit artikel wordt ingegaan op de fiscale en andere voorwaarden.

door mr drs Roland M.J.M. de Greef
De belangrijkste reden voor de omzetting van vut-regelingen naar pré-pensioenregelingen is dat de vut-regeling onbetaalbaar is of dreigt te worden. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de meeste vut-regelingen gefinancierd worden op basis van het ‘omslagstelsel’. Dit betekent dat de werkenden de premies opbrengen voor hen die reeds gebruik maken van een vut-regeling en daarbij geen rechten meer opbouwen.
Werknemers bouwen liever rechten op binnen een pré-pensioenregeling die gebaseerd is op het kapitaaldekkingsstelsel. Daarbij worden de ingebrachte premies gebruikt om een kapitaal op te bouwen, waarmee toekomstige verplichtingen kunnen worden voldaan. Op langere termijn kan de (via een kapitaaldekkingsstelsel gefinancierde) pré-pensioenregeling goedkoper zijn voor de werkgever. Dit geldt overigens niet in de overgangsperiode van een vut-regeling naar een pré-pensioenregeling, aangezien er in de meeste gevallen een financiële inhaalslag zal moeten worden gepleegd. Er moet tenslotte eerst een kapitaal worden opgebouwd.
Een ander voordeel van een pré-pensioenregeling is dat die beter aansluit bij de moderne flexibele arbeidsvoorwaarden.
Commissie Witteveen
Eén van de onderwerpen van de commissie Witteveen was een onderzoek naar de mogelijkheden van vervroegde pensionering buiten het kader van de vut. De door de commissie gehanteerde methodiek tot vervroeging van de pensioendatum komt er op neer dat in een regeling voor vervroegde pensionering, zoals de commissie dat voorstaat, gekozen kan worden voor een pensioendatum tussen de 60 en 65 jaar. Dit is de zogenaamde pensioenrichtleeftijd.
Deze richtleeftijd wordt gebruikt bij de berekening van de hoogte van het pensioen. Uittreden voor de pensioenrichtleeftijd is mogelijk vanaf het 55ste jaar. Als gekozen wordt voor een uittredingsleeftijd die voor het 60ste jaar ligt, zal het op te bouwen pensioen actuarieel herrekend moeten worden.
Het pré-pensioen valt, evenals een ouderdomspensioen, onder de bepalingen van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Dit houdt onder meer in dat er een verplichting is tot verzekeren. Voorts geldt de verplichting tot het meegeven van een tijdsevenredige ontslagaanspraak, zijn de voorschriften die gelden voor echtscheiding van toepassing, en geldt het afkoopverbod. Een vut-regeling daarentegen hoeft niet te voldoen aan de vereisten op grond van de PSW.
Nieuw regime
Het is de bedoeling dat bestaande pensioenregelingen binnen vijf jaar na 1 september 1995 worden omgezet in een pensioenregeling die in overeenstemming is met het nieuwe regime. Hier is een tweetal uitzonderingen voor gemaakt.
De eerste betreft het tijdelijk overbruggingspensioen. Dit is het pensioen dat mag worden opgebouwd ter overbrugging van de periode waarover geen AOW-uitkering wordt genoten. Het tijdelijk overbruggingspensioen mag in minimaal tien jaar voorafgaand aan de pensioenrichtleeftijd worden opgebouwd.
De tweede uitzondering betreft de overgangsregeling voor bestaande vut-regelingen. Deze regeling houdt in dat in een periode van tien jaar na inwerkingtreding van de aanbevelingen van de commissie Witteveen een vut-regeling kan worden omgezet in een pré-pensioenregeling.
De pré-pensioenregeling mag voorzien in een pensioen van maximaal 85% van het eindloon. Het pré-pensioen eindigt uiterlijk op de pensioenrichtleeftijd. Ten aanzien van het pré-pensioen geldt – in afwijking van het normale ouderdomspensioen – dat een maximaal opbouwpercentage per dienstjaar gehanteerd mag worden van 8,5. Dit betekent dat na de overgangsregeling van tien jaar weer het normale maximale opbouwpercentage van 2 per dienstjaar geldt.
Omzetting
In een brief van 16 januari 1996 van de staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer, is de aanbeveling van de commissie Witteveen op dit punt nader uitgewerkt. De belangrijkste nuanceringen luiden als volgt: het overgangsregime waarbij vut omgezet kan worden in een pré-pensioen zal ook gaan gelden voor vut-regelingen die in het verleden al zijn omgezet in een regeling voor vervroegde pensionering.
In de brief van 16 januari is de regeling in die zin verruimd, dat wil zeggen dat men vanaf 1 september 1995, tien jaar de tijd krijgt om de omzetting in gang te zetten. Daarbij is het niet van belang in hoeveel jaren een ingezette afwikkeling haar beslag krijgt. Indien men dus vlak voor het einde van de periode van tien jaar, gerekend vanaf 1 september 1995, kenbaar maakt zijn vut-regeling om te willen zetten in een pré-pensioenregeling kan men vervolgens, zolang als men wil, over de omzetting doen.
Over de pré-pensioenjaren kan, evenals bij vut het geval is, ouderdomspensioen worden opgebouwd. Voor werknemers die minder dan tien jaar van de pré-pensioendatum verwijderd zijn, mag binnen die verkorte periode een adequaat pré-pensioen van maximaal 85% van het eindloon worden opgebouwd.
In dit specifieke geval waarbij sprake is van een sterk verkorte opbouwperiode keuren de staatssecretarissen goed dat het maximale opbouwpercentage voor pré-pensioenen van 8,5 willekeurig overschreden mag worden. Dit houdt dus bijvoorbeeld in dat een werknemer van 59 jaar oud, die op zijn 60e jaar met pré-pensioen wil, in één keer een koopsom mag storten welke voldoende is om het pré-pensioen te kunnen financieren.
Probleem
Inmiddels is er op 12 juni 1996 weer een brief aan de Tweede Kamer verschenen van beide staatssecretarissen. Ten aanzien van het overgangsrecht van vut-regelingen naar pré-pensioenregelingen valt in deze brief op dat eerdergenoemde 10-jaars termijn pas begint te lopen vanaf januari 1997. Dat betekent dat vut-regelingen tot 1 januari 1997 omgezet kunnen worden in pré-pensioenregelingen.
Bij de overgang van een ingegane vut-uitkering op basis van het kapitaaldekkingsstelsel naar een pré-pensioenregeling, zal geen sprake zijn van een financieringslast aangezien bij een dergelijk stelsel alle toekomstige verplichtingen reeds zijn gefinancierd.
Het probleem zit in de vut-regeling waarbij gebruik wordt gemaakt van het omslagstelsel. De verplichting voor lopende uitkeringen (de vut-verplichting voor de werkgever ontstaat pas op het moment dat de uitkering gaat lopen) is hier nog niet afgedekt. Hier ontstaat vaak een gigantische financieringslast indien de vut-regeling ineens zou worden omgezet in een pré-pensioenregeling.
Combinatieregeling
In de praktijk blijken er vooral om die reden combinatieregelingen in het leven te worden geroepen. In een dergelijke regeling wordt de basisuitkering gevormd door een door middel van het omslagstelsel gefinancierde uitkering, welke voor alle deelnemers gelijk is. Daarboven wordt dan aan een salaris gerelateerd pensioen verzekerd op basis van het kapitaaldekkingsstelsel. Op deze wijze ontstaat dan een dempend financieel effect bij overgang naar een kapitaaldekkingsstelsel.
Door de combinatie van pensioen en vut in één regeling ontstaan er praktische problemen ten aanzien van de uitvoeringsinstantie. Een pré-pensioen mag immers niet door een vut-fonds worden uitgevoerd, terwijl een vut-regeling wel door een pensioenfonds mag worden uitgevoerd. In beginsel is de combinatieregeling een onzuivere regeling met alle fiscale gevolgen van dien. Het is derhalve in alle gevallen noodzakelijk een verzoek in te dienen bij de minister van Financiën, die in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een pensioenregeling of een vut-regeling als zodanig kan aanwijzen als een kwalificerende pensioenregeling.
Het ligt voor de hand om te verzoeken de regeling als vut-regeling aan te wijzen, aangezien de pensioenregeling op grond van de PSW niet volgens het omslagstelsel gefinancierd mag zijn. Een ander punt waarop gelet dient te worden bij een combinatieregeling is dat, indien de combinatieregeling als een vut-regeling wordt erkend, over de gehele uitkering overhevelingstoeslag verschuldigd is. Over pensioenuitkeringen is toekenning van overhevelingstoeslag niet verplicht.
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de omzetting van een vut-regeling in een pré-pensioenregeling de nodige haken en ogen in zich bergt. Het is derhalve zeer aanbevelingswaardig om hiervoor tijdig deskundige hulp in te schakelen. Voor u als adviseur ligt hier een mogelijkheid om uw meerwaarde te bewijzen. Mr drs Roland M.J.M. de Greef is werkzaam bij de Fiscale Sectie Pensioenen & Verzekeringen van Coopers & Lybrand in Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.