nieuws

Polishouders krijgen Vie d’Or-schade vergoed

Archief

Elf jaar na het omvallen van levensverzekeraar Vie d’Or heeft het Gerechtshof in Den Haag zowel accountant Deloitte & Touche als actuaris Heijnis en Koelman én de Verzekeringskamer aansprakelijk gesteld voor de schade die polishouders hebben geleden door het faillissement. De Stichting Vie d’Or, bij wie 11.000 polishouders zijn aangesloten, is “zeer verheugd met het arrest”.

Het Haagse Gerechtshof wil deskundigen de hoogte van de schadevergoeding laten vaststellen. De Stichting Vie d’Or, die 11.000 polishouders vertegenwoordigt, zette die schade eerder op e 90 mln. “Dit arrest is een forse steun in de rug voor de polishouders”, aldus Stichting-woordvoerder Hans van Ronkel. “Het is een uiterst belangrijke stap op weg naar schadevergoeding. Het Hof heeft ons opdracht gegeven om voor 1 september tot een schadeberekening te komen, die recht doet aan de individuele omstandigheden van de polishouders. Dat zullen we doen, waarbij we om de gang van zaken te bespoedigen, nog altijd bereid blijven tot schikkingen.”
Gered
Drie jaar geleden had de rechtbank in Den Haag alleen Deloitte & Touche aansprakelijk gesteld voor de schade. Voorafgaand aan het faillissement van Vie d’Or – eind 1993 – hadden de actuaris en de toezichthouder weliswaar fouten gemaakt, maar niet genoeg voor aansprakelijkheidstelling, zo vond de rechtbank. In hoger beroep is het Gerechtshof echter van mening dat alledrie de partijen fouten met gevolgen hebben gemaakt. Volgens het Hof had de levensverzekeraar gered kunnen worden: “de schade voor polishouders had voorkomen of althans beperkt kunnen worden”.
Toezichthouder
De Pensioen- en Verzekeringskamer (PVK) wordt verweten dat het “eerder en krachtiger” had moeten ingrijpen, toen duidelijk werd dat Vie d’Or haar zaken niet op orde had. “Het bij herhaling en – in 1991 – in afwijking van eerdere toezeggingen ruim overschrijden van de voorgeschreven termijn voor inlevering van de verslagstaten was een ernstige aanwijzing dat aan een goede gang van zaken bij Vie d’Or moest worden getwijfeld. Het gaat er bij deze staten immers om de voor de polishouders van groot belang zijnde solvabiliteit te beoordelen”, aldus het Gerechtshof.
De alarmbellen hadden bij de toezichthouder moeten rinkelen, omdat uit eerder onderzoek al bekend was dat de administratie van Vie d’Or niet op orde was. “Vie d’Or maakt zoveel productie dat zij achter de feiten aanholt. Een inschatting van de resultaten uit de bedrijfsvoering is daarom niet goed mogelijk”, constateerde de PVK al eens. En begin september 1991 deelde de accountant mee dat de administratie pas op een termijn van anderhalf jaar volledig op orde zou zijn.
Verder had het ontslag van actuaris Heijnis & Koelman door de toezichthouder opgevat moeten worden “als een signaal dat aan een goede gang van zaken moest worden getwijfeld”. De actuaris verbrak in mei de relatie met Vie d’Or, nadat de PVK zelf te kennen had gegeven dat deze óf een krachtiger en onafhankelijker invulling aan zijn functie moest geven óf moest overwegen zijn functie ter beschikking te stellen.
Stille bewindvoerder
Het Gerechtshof is van oordeel dat de PVK “onder de hiervoor genoemde omstandigheden in ieder geval eind november 1991 had moeten besluiten tot het benoemen van een stille bewindvoerder, omdat het belang van polishouders een dergelijk ingrijpen onverwijld noodzakelijk maakte. Door dit na te laten heeft de PVK niet gehandeld als van een redelijk handelend toezichthouder mocht worden verwacht”. Het Hof verwijt de PVK nonchalance. “Zij heeft onvoldoende onderkend dat een levensverzekeraar, van wie bij herhaling blijkt dat de administratie op essentiële punten tekortschiet, een gevaar vormt voor al degenen die in het maatschappelijk verkeer op de soliditeit van een onder toezicht staande verzekeringsmaatschappij vertrouwen.”
De PVK benoemde geen bewindvoerder, maar gaf – op 30 september 1991 – een ‘aanwijzing’ dat de administratieve organisatie voor 1 december diende te verbeteren. “Volstrekt ontoereikend en ook niet erg reëel”, vindt het Haagse Gerechtshof nu. De noodzaak tot extra voorzichtigheid en dus het aanstellen van een stille bewindvoerder werd volgens het Hof nog vergroot, “indien wordt bedacht dat een deel van de solvabiliteit – te weten een bedrag van e 5,9 mln terzake het NRG-contract – bij faillissement van Vie d’Or in rook zou opgaan”.
Het Hof maakt ten slotte nog gehakt van het verweer van de toezichthouder dat benoeming van een stille bewindvoerder in de markt snel bekend zou zijn geworden en daardoor het einde van Vie d’Or zou hebben betekend. “Dat verweer moet worden verworpen. De mogelijkheid een stille bewindvoerder te benoemen was in 1990, dus zeer recent in de wet opgenomen. Bij die gelegenheid is juist overwogen dat stille bewindvoering ter vermijding van onevenredige schade niet bekend zou worden gemaakt.”
Actuaris en accountant
Het verwijtbare gedrag van de accountants én de actuaris is dat zij de directie en raad van commissarissen van Vie d’Or in een vroeg stadium veel duidelijker hadden moeten waarschuwen dat het met de maatschappij de verkeerde kan opging. Actuaris Heijnis & Koelman had de directie en de commissarissen schriftelijk moeten waarschuwen. Die hadden dan geweten dat de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen én er was een dreiging geweest van het onthouden van een (ongeclausuleerde) goedkeurende verklaring bij de jaarrekening. Volgens het Hof had dat de problemen van Vie d’Or naar buiten gebracht en dus de leiding van de maatschappij zeker tot actie gedwongen: “maatregelen niet zozeer op eigen kracht, maar veeleer overname door een andere verzekeringsmaatschappij”.
Accountant Deloitte & Touche heeft “ernstig gefaald”. Zo voldeed de administratie van Vie d’Or op wezenlijke onderdelen niet aan de eisen en had de jaarrekening over 1989 geen goedkeurende verklaring mogen krijgen. “Indien de accountants tijdig hadden gedaan wat zij hadden moeten doen, zouden de problemen van Vie d’Or tijdig uit de wereld zijn geholpen.”
Ton Kool, Arend Vermaat en Piet Keizer, bestuurders van de Verzekeringskamer ten tijde van het Vie d’Or-debacle, namen “volstrekt ontoereikende en ook niet erg reële maatregelen”.
Bert Lieuwma
In de kantlijn van het hoger beroep heeft het Gerechtshof in Den Haag nog enkele woorden gewijd aan het optreden van Bert Lieuwma in het najaar van 1993. De toenmalige Vie d’Or-directeur lichtte de pers in over de problemen van de maatschappij. “Wat er ook zij van de vraag of dat optreden verstandig was of niet”, het hof vindt het niet aannemelijk dat het faillissement was uitgebleven als Lieuwma niet naar buiten was getreden. “In de tweede plaats ligt het niet voor de hand dat Vie d’Or, indien er, zoals de accountants stellen, in wezen weinig met Vie d’Or mis was, in de problemen zou zijn geraakt door het enkele feit dat een directeur met bepaalde problemen naar buiten is getreden. Aannemelijk is veeleer dat de problemen van Vie d’Or zo ernstig waren deze ook los van het optreden van Lieuwma binnen korte termijn tot ingrijpen van de PVK en tot het faillissement zouden hebben geleid.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.