nieuws

Pensioenopbouw fiscaal flink dichtgetimmerd

Archief

Het wetsvoorstel ‘Fiscale behandeling van pensioenen’ is naar de Tweede Kamer verzonden. De belangrijkste punten worden hier op een rijtje gezet. Wat opvalt, is dat het voorstel gedetailleerd en zeer ingewikkeld is. De fiscale begunstiging van pensioenregelingen is behoorlijk dichtgetimmerd.

door Alfred Lagendijk
Het wetsvoorstel beoogt de 29 aanbevelingen uit augustus 1995 van de Werkgroep fiscale behandeling van pensioenen (commissie Witteveen) wettelijk vast te leggen. Het wetsvoorstel bevat echter gewijzigde en nieuwe voorstellen, terwijl enkele aanbevelingen in het geheel niet zijn overgenomen.
Pensioendefinitie
In de huidige loonbelasting wordt een pensioenregeling toegestaan als deze naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. Deze algemene norm wordt in het nieuwe wetsvoorstel vervangen door een omschrijving van de toegelaten pensioenvormen, te weten:
een levenslang ouderdomspensioen;een tijdelijk ouderdomspensioen ter overbrugging van de AOW-uitkering;een nabestaandenpensioen voor de echtgenoot of ongehuwde partner;een tijdelijk nabestaandenpensioen ter overbrugging van de ANW-uitkering;een wezenpensioen voor eigen, stief- en pleegkinderen tot dertig jaar;een arbeidsongeschiktheidspensioen.In de huidige wetgeving is het pensioen gedefinieerd als een regeling die (nagenoeg) uitsluitend dient ter verzorging van de werknemer of zijn nabestaanden. De pensioenregeling zou daarom enkele elementen mogen bevatten die geen verzorgingsdoel hebben (zogenaamde onzuivere elementen), bijvoorbeeld een uitkering aan erfgenamen op het moment dat er geen nabestaande pensioengerechtigden meer zijn. In het nieuwe wetsvoorstel zijn onzuivere elementen, zoals een uitkering aan de erfgenamen, niet toegestaan.
Maximale aanspraken
In tegenstelling tot de huidige wettelijke regeling wordt de hoogte van het op te bouwen pensioen in het nieuwe stelsel nauwkeurig afgebakend. De opbouw wordt per soort pensioen in hoogte gemaximeerd en is per opbouwsysteem verschillend.
Voor het ouderdomspensioen inclusief de AOW-inbouw mag in een eindloonstelsel – in dit geval bedraagt het pensioen een bepaald percentage van het laatstverdiende loon – per dienstjaar niet meer dan 2% van het pensioengevend salaris worden opgebouwd. Een werknemer dient in staat te zijn om in 35 jaar 70% van zijn laatstverdiende salaris aan pensioen op te bouwen.
In een middelloonstelstel mag voor het ouderdomspensioen (inclusief de AOW-inbouw) jaarlijks niet meer worden gespaard dan 2,25% van het pensioengevend salaris. Dit komt overeen met een pensioen op basis van 2%-eindloon.
Voor beschikbare-premieregelingen is een gedetailleerde regeling gemaakt. Uitgangspunt is dat het pensioen gericht dient te zijn op een uitkering die na 35 jaar niet meer bedraagt dan 70% van het loon op dat tijdstip. Daartoe is een aantal regels voor het berekenen van de te betalen premies vastgesteld.
Ten eerste dient een staffel te worden gemaakt met leeftijdsklassen van ten hoogste vijf jaren. De per leeftijdsklasse te bepalen beschikbare premie wordt afgestemd op de gemiddelde leeftijd in die klasse. Voorts moet worden uitgegaan van een veronderstelde loopbaanontwikkeling. Die houdt in dat de jaarlijkse loonstijging voor een 35-jarige maximaal 3% per jaar bedraagt, in de daaropvolgende tien jaren maximaal 2% per jaar, in de daaropvolgende tien jaren maximaal 1% per jaar, en in de overige jaren nihil. Ten slotte mag geen rekening worden gehouden met inflatie en bedraagt de rekenrente minimaal 4%.
Voor alle pensioenopbouwsystemen geldt dat het ouderdomspensioen op de pensioeningangsdatum niet meer mag bedragen dan 100% van het laatst verdiende salaris. De in te bouwen AOW bedraagt minimaal de AOW-uitkering voor een enkele gehuwde zonder toeslag, maar met vakantiegeld.
Overbruggingspensioen
Het maximale overbruggingspensioen dat een werknemer voor de periode tussen het 60e en 65e levensjaar kan opbouwen, bedraagt maximaal twee keer de gehuwden-AOW (100% AOW).
Hierbij mag ook worden meeverzekerd het verschil in premie volksverzekeringen voor en vanaf de 65-jarige leeftijd (premiecompensatie). Tevens is het mogelijk om deze premies en de verschuldigde belasting in de uitkering voor 65 jaar te bruteren, zodat het totale nettopensioen voor de 65-jarige leeftijd gelijk is aan het pensioen na 65 jaar. Het overbruggingspensioen mag in minimaal tien jaar direct voorafgaand aan de pensioeningangsdatum worden opgebouwd.
Nabestaanden
Het nabestaandenpensioen bedraagt op de pensioendatum van de werknemer maximaal 50% van het pensioengevend salaris. Bij een opbouw van het nabestaandenpensioen over 35 jaar bedraagt het opbouwpercentage derhalve 1,43% van het pensioengevend salaris per dienstjaar. Voor middelloonregelingen geldt een opbouwpercentage van 1,61% per jaar, terwijl voor een beschikbare-premieregeling van dezelfde grondslagen moet worden uitgegaan als bij het ouderdomspensioen.
Het nabestaandenpensioen voor de pensioendatum mag in totaal niet meer dan 50% van het maximaal bereikbare salaris in de uitgeoefende functie bedragen.
Het wezenpensioen in een eindloonstelsel bedraagt per dienstjaar niet meer dan 0,29%. Op het tijdstip van ingang mag een wezenpensioen maximaal 10% van het pensioengevend salaris bedragen. Voor middelloonregelingen geldt een opbouwpercentage van 0,33% per jaar, terwijl voor de beschikbare-premieregeling weer dezelfde grondslagen gelden. Voor een volle wees mogen de percentages worden verdubbeld.
Inkoop van pensioen
Het opvangen van pensioentekorten die ontstaan door een beperkte pensioenregeling in de huidige dienstbetrekking of door een pensioenbreuk als gevolg van verandering van baan, is nog steeds niet goed geregeld.
Pensioeninkoop is slechts mogelijk als sprake is van tekorten in de pensioenregeling van de huidige werkgever of ingeval pensioen wordt ingekocht op basis van dienstjaren die bij andere werkgevers zijn doorgebracht, mits waarde-overdracht heeft plaatsgevonden. Is waarde-overdracht niet mogelijk, dan resteert slechts het lijfrenteregime.
Ingang pensioen
Voor de opbouw van zowel het pensioen als het prepensioen geldt een ingangsdatum van op z’n vroegst de 60e verjaardag. De feitelijke datum waarop de pensioenen ingaan mag eerder liggen. Het pensioen moet dan actuarieel herrekend worden.
Er is geen vroegste pensioenleeftijd. De uiterste leeftijd waarop het pensioen dient in te gaan is zeventig jaar of zoveel eerder als het pensioen gelijk is aan 100% van het laatst verdiende salaris. Is de 100%-grens al voor het 65e jaar de 100%-grens is bereikt, dan is 65 jaar de uiterlijke ingangsdatum.
Indien wordt doorgewerkt na de pensioendatum, dient het pensioen in te gaan op de datum van uitdiensttreding. Dit laatste kan ons inziens voorkomen worden door de pensioenleeftijd in de regeling vooruit te schuiven.
Prepensioen
Er wordt een speciale faciliteit voor prepensioenen in het leven geroepen. Deze geldt voor nieuwe prepensioenregelingen die al dan niet ontstaan door omzetting van vut-regelingen.
Een prepensioen kan toegezegd worden tot 1 januari 2009: tien jaar na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Ten tweede geldt de faciliteit voor reeds op 1 januari 1999 bestaande prepensioenen, die voortkomen uit een vut-regeling en die niet geheel aan de voorwaarden van het prepensioen voldoen.
Het prepensioen mag niet meer bedragen dan 85% van het laatst verdiende salaris. Uitgaande van een opbouw in minimaal tien jaar bedraagt de opbouw van het prepensioen derhalve niet meer dan 8,5% per dienstjaar van het laatst verdiende salaris. Indien opbouw op middelloon-basis geschiedt, bedraagt het opbouwpercentage maximaal 9,15%. Opbouw op basis van beschikbare premie vindt plaats conform de regels voor het ouderdomspensioen, waarbij eveneens het maximum van 85% van het laatst verdiende salaris geldt.
Afwijking van het opbouwpercentage van 8,5 is mogelijk voor werknemers, die minder dan tien jaar van hun prepensioen af zijn, is toegestaan. Als voorwaarde geldt dat de periode waarin de betreffende werknemer heeft deelgenomen in de vut-regeling tezamen met de prepensioenperiode ten minste tien jaar moet zijn.
Uitstel van prepensioen is mogelijk, evenals omzetting in ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Een prepensioen voor de directeur/groot-aandeelhouder (dga) is in de visie van de wetgever evenals een vut-regeling niet mogelijk. Een regeling van gedeeltelijk prepensioen en vut is toegestaan, als beide uitkeringen samen niet meer zijn dan 85% van het laatst verdiende salaris.
Ten slotte mag de maximale looptijd van een prepensioenregeling niet langer zijn dan de periode die een bij aanvang van de regeling reeds in dienst zijnde werknemer nodig heeft om een volledig prepensioen op te bouwen. Deze regel zorgt voor een structureel tintje. Als bijvoorbeeld bij invoering van een regeling met een prepensioenleeftijd van zestig jaar de jongste werknemer 25 jaar is, dan kan de prepensioenregeling 35 jaar van kracht blijven. Niet van belang is in hoeveel jaren werknemers hun prepensioenrecht opbouwen.
Overige onderdelen
Bij algemene maatregel van bestuur zullen nadere regels worden opgesteld voor de invulling van het pensioengevend salaris. Te denken valt aan pensioenopbouw over: bepaalde structurele beloningen in geld en in natura, variabele beloningselementen, pensioenopbouw over salarisstijgingen die hoger zijn dan de algemene loonindex in de laatste vijf jaren voor de pensioendatum. Duidelijk is inmiddels wel dat het privé-gebruik van de auto niet tot het pensioengevend salaris mag worden gerekend.
Het begrip diensttijd zal eveneens bij algemene maatregel van bestuur nader worden ingevuld. Als tijdens de diensttijd ouderschapsverlof, zorgverlof, sabbatsverlof of studieverlof wordt opgenomen (of een loongerelateerde uitkering wordt ontvangen), dan blijft pensioenopbouw mogelijk. Pensioenopbouw tijdens een vut- of prepensioenuitkering is mogelijk, evenals bij een afvloeiingsregeling, zolang er sprake is van een loongerelateerde uitkering.
Niet alleen verplichte, maar ook vrijwillige bijdragen voor een pensioenregeling zijn vrijgesteld van loonbelasting.
Periodieke pensioenuitkeringen kunnen binnen een marge van 100:75 fluctueren. Hierbij hoeft geen rekening te worden gehouden met indexeringen en een overbruggingspensioen.
Gehandhaafd is de aanwijzingsbevoegdheid. Hiermee kunnen pensioenregelingen als ‘zuiver’ worden aangewezen als zij op bepaalde onderdelen in geringe mate afwijken van de wettelijke bepalingen. Het pensioen mag hoger zijn dan de bovenstaande maximale percentages door jaarlijkse aanpassing aan de loon- of prijsontwikkeling, door variatie in de hoogte van de pensioentermijnen binnen de verhouding van 100:75, door de positieve gevolgen van waarde-overdracht, en door onderlinge ruil van nabestaanden-, wezen- en ouderdomspensioen.
Pensioenregelingen kunnen vooraf ter beoordeling aan de Belastingdienst worden voorgelegd. Tegen de beslissingen staat bezwaar en beroep open. Als de regeling achteraf niet zuiver blijkt te zijn, kan dat met terugwerkende kracht worden hersteld. Door werknemers te veel betaalde en gerestitueerde premies zullen bij de werknemers als loon worden belast. Deze regeling geldt niet voor individuele pensioenregelingen.
Er komt geen speciale regeling voor zogenaamde snel slijtende beroepen zoals voetballers en wielrenners.
Nieuw is dat een bovenmatig pensioen gesplitst mag worden in een zuiver deel en een onzuiver deel, waarna het niet-bovenmatige deel als zuivere pensioenregeling geldt. De werkgever zal dan wel beargumenteerd moeten aangeven welk deel van de premie van de latere uitkering bij het zuivere deel van het pensioen behoort en welk deel bij het onzuivere deel.
Men kan zich afvragen of een dergelijke regeling praktisch uitvoerbaar is. In veel gevallen hoort het tot de onmogelijkheden om voor een bepaald onderdeel van het verzekerde risico een premie toe te wijzen. Op werkgevers rusten nu de bij een gedeeltelijk bovenmatige pensioenregeling behorende uitvoeringslasten.
Alfred S. Lagendijk is werkzaam bij fiscale en juridische sectie Pensioenen & Verzekeringen van Coopers & Lybrand in Amsterdam.
Pensioenconvenant
In de uit 1996 daterende nota ‘Werken aan zekerheid’ is door de toenmalige regering gekozen voor het middelloonstelsel als wenselijk toekomstig pensioenstelsel. Die ‘middelloon-eis’ is kort daarna weer losgelaten. Wel spreekt zowel het onlangs door sociale partners gesloten pensioenconvenant als het wetsvoorstel ‘Fiscale behandeling van pensioenen’ de wens uit om de kosten in de pensioensfeer te beheersen.
In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen waardoor 2% van het pensioengevend loon op basis van een middelloonstelsel als fiscaal maximum kan worden ingevoerd, als de resultaten van het pensioenconvenant niet in overeenstemming blijken te zijn met de afspraken. Hierdoor kan – op 1 januari 2001 – met één handeling een streep door dit wetsvoorstel kan worden gehaald. Bovendien kunnen opgebouwde en op te bouwen pensioenrechten aangetast worden, hetgeen de rechtszekerheid niet ten goede komt.
Bedrijfssparen
Het wordt mogelijk om gelden die in een premiespaarregeling of een spaarloonregeling gespaard worden, aan te wenden voor pensioen. Deze mogelijkheid bestaat momenteel al voor kapitaalverzekeringen en lijfrenten.
Tijdens de blokkeringsperiode kan het gespaarde bedrag worden opgenomen (gedeblokkeerd) voor vrijwillig door de werknemer te betalen pensioenpremies voor een aanvullend pensioen. Deblokkering is derhalve niet mogelijk voor pensioenpremies die de werknemer op grond van het pensioenreglement verplicht is te betalen. Deblokkering van spaargelden kan niet plaatsvinden voor bijdragen aan een pensioenregeling van een echtgenoot of partner.
Overgang voor bestaande regeling
Op grond van een overgangsregeling moeten de op 1 januari 1999 bestaande pensioenregelingen die niet volledig passen binnen de nieuwe voorwaarden uiterlijk op 1 januari 2004 – dat is dus vijf jaar na de beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel – aan de nieuwe voorwaarden zijn aangepast.
Zolang de regeling niet is aangepast, kunnen nieuw toetredende werknemers gewoon aan de bestaande pensioenregeling deelnemen. Wordt een regeling vrijwillig gewijzigd op niet-ondergeschikte punten, dan moet deze wel helemaal in overeenstemming worden gebracht met de nieuwe wetgeving. Wijzigingen die worden aangebracht op grond van de cao (of anderszins voortvloeiend uit het arbeidsvoorwaardenoverleg) worden als vrijwillig aangemerkt. Noodzakelijke aanpassingen kunnen zonder gevolgen nog wel voor 1 januari 1999 plaatsvinden.
Directeur/groot- aandeelhouders
De directeur/groot-aandeelhouder (dga) – en andere werknemers die een individueel pensioen opbouwen – mag een even groot pensioen hebben als in een collectieve regeling gangbaar is. In een algemene maatregel van bestuur zal verder worden uitgewerkt, wat in de collectieve sfeer gangbaar is met betrekking tot de opbouw over variabele loonbestanddelen, de eigen bijdrage in de pensioenpremie, de regels voor de inbouw van de AOW-uitkeringen en het nabestaandenpensioen. Wel mag een opbouwpercentage van 2 gehanteerd worden. Het kabinet gaat onderzoeken of de waardering van pensioenverplichtingen in eigen beheer voor de dga wettelijk geregeld kan worden.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.