nieuws

Pensioengevend loon in een cafetariasysteem

Archief

In een besluit van 22 februari 2002 geeft de staatssecretaris van Financiën goedkeurend beleid inzake het begrip pensioengevend loon. Met dit besluit worden enkele praktische problemen rondom het begrip pensioengevend loon opgelost en wordt tegelijkertijd aangegeven hoe een cafetariasysteem kan worden gecombineerd met de pensioenregeling. Het besluit kan met terugwerkende kracht worden toegepast op reeds lopende cafetariaregelingen.

Alfred Lagendijk
Veel werkgevers zijn bezig met de flexibilisering van arbeidsvoorwaarden. Dat kan heel eenvoudig door invoering van bijvoorbeeld een pc-privé-regeling. Bij meer complexe vormen komt de term cafetariasysteem snel boven. De basis van dit systeem is terug te voeren tot de keuze van een werknemer om verschillende beloningsvormen tegen elkaar uit te ruilen. De werknemer stelt zijn eigen beloningspakket vast en kiest de bij hem passende beloningsvorm.
Een veel voorkomende vorm van ruil is bijvoorbeeld de aankoop van extra vakantiedagen tegen inlevering van brutoloon. Mits reglementair goed geregeld, is er vanuit loonbelastingperspectief geen probleem. Als de uit te ruilen beloningsbestanddelen echter onderdeel uitmaken van de pensioengrondslag, doet zich de vraag voor of deze pensioengrondslag vanuit fiscaal perspectief moet worden verlaagd. Het ministerie van Financiën heeft deze vraag tot nu toe altijd bevestigend beantwoord. Op basis van bovengenoemd besluit kan uitruil echter plaatsvinden zónder gevolgen voor de pensioenopbouw.
Het besluit gaat uitvoerig in op de vraag wat onder de pensioengrondslag kan worden begrepen. Dit onderdeel bevat echter weinig nieuws. Wel wordt een praktisch werkbare uitleg gegeven aan de werking van de 100%-toets in geval van niet-regelmatig genoten salaris. Het tweede onderdeel van het besluit bevat goedkeurend beleid over de pensioengrondslag en ruil van beloningsbestanddelen.
100%-toets
In een pensioenreglement dat voldoet aan de huidige fiscale wetgeving, is de fiscale maximering van de pensioenaanspraak opgenomen. Dit is de zogenaamde 100%-toets. Als pensioen wordt opgebouwd over variabele beloningsbestanddelen, vindt de opbouw plaats volgens een middelloonsysteem of een beschikbare premiesysteem. Als in eerdere jaren pensioen is opgebouwd over variabel loon en in latere jaren die mogelijkheid vervalt, bijvoorbeeld omdat de werknemer geen bonus meer geniet, dan geeft de 100%-toets onduidelijkheid.
De staatssecretaris keurt nu goed dat de 100%-toets wordt toegepast op een fictief vastgesteld pensioengevend loon. Dit wordt dan berekend door het pensioengevend loon te verhogen met het gemiddelde variabele loon over de totale diensttijd. Deze voor de praktijk werkbare oplossing kan bij het opstellen van het pensioenreglement worden gehanteerd.
Ruil beloningsbestanddelen
De staatssecretaris heeft altijd vastgehouden aan de verlaging van de pensioengrondslag bij de omzetting van belast loon in onbelast loon. Ook als het pensioengevend loon op 1 januari wordt vastgesteld en in augustus wordt het loon tijdelijk verlaagd door toepassing van het cafetariasysteem.
Bij de fiscale goedkeuring van menig cafetariasysteem, met bijbehorende gevolgen voor de pensioenregeling, werd dezelfde discussie gevoerd. Het standpunt werd in de praktijk al langer bestreden met het argument dat jurisprudentie en toepassing van artikel 19 Wet LB pensioenopbouw het toelaat dat het loon met niet meer dan 30% wordt verlaagd. In vervolg hierop keurt de staatssecretaris voor alle soorten pensioenstelsels goed dat verlaging van het pensioengevend loon achterwege kan worden gelaten.
Aan de goedkeuring worden diverse voorwaarden verbonden.
– De regeling moet schriftelijk zijn vastgelegd en openstaan voor ten minste driekwart van de werknemers.- De werknemer heeft ten minste één keuzemoment per jaar zodat de verlaging van het loon een tijdelijk karakter heeft.- Salaris in geld wordt geruild tegen een van de genoemde loonbestanddelen.- De verlaging van het pensioengevend loon is niet meer dan 30%.- Als het gebruikelijke loon afwijkt van het feitelijke loon is de verlaging maximaal 30% van het gebruikelijke loon.De laatste voorwaarde heeft alleen praktische betekening in dga-situaties. Of deze voorwaarden houdbaar zijn, zal moeten blijken, omdat dit goedkeurend beleid direct voortvloeit uit de toepassing van artikel 19 van de Wet LB. In de praktijk leveren de voorwaarden, gezien de ervaringen met de cao-à-la-carte, echter weinig problemen op.
Conclusie
Een cao-à-la-carte met incidentele verlaging van de pensioengrondslag, is administratief bewerkelijk en maatschappelijk ongewenst. Dit besluit voorkomt veel onnodige administratieve rompslomp. Wel moet de werkgever voortaan beoordelen of het loon met niet meer dan 30% wordt verlaagd, omdat anders een fiscaal bovenmatig pensioen ontstaat. Met die toets kan de werkgever echter bij de opzet van het cafetariasysteem rekening houden.
Als werkgever en werknemer nu overeenkomen dat de pensioenopbouw plaatsvindt over het hogere, gebruikelijke salaris, moet dit wel worden vastgelegd. Afhankelijk van de situatie kan dit in een aanvullende arbeidsovereenkomst, in de cao of in het pensioenreglement.
van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.