nieuws

Pensioenbesluit Financiën noopt tot meer aanpassingen

Archief

Aan het einde van de zomer is een besluit van de staatssecretaris van Financiën gepubliceerd waarin een aantal vragen en antwoorden is opgenomen met betrekking tot pensioenregelingen. Diverse antwoorden zijn voor pensioenuitvoerders en andere betrokkenen van belang, onder meer de doorlopende 100%-toets bij uitstel van pensioen.

Alfred Lagendijk en Micha Hoofiën
Alle vragen houden verband met de wettelijke bepalingen uit de Wet op de Loonbelasting 1964 (Wet LB). Eén van de vragen waarop door de staatssecretaris uitgebreid wordt ingegaan, is de vraag of de pensioenuitvoerder – bijvoorbeeld het pensioenfonds of de verzekeraar – samen met de pensioengerechtigde na afloop van de dienstbetrekking de uitvoering van de pensioenregeling mag wijzigen. Dat is mogelijk als die wijziging ook tussen de voormalige werkgever en de pensioengerechtigde mocht worden overeengekomen. Hierbij dient wel te allen tijde rekening te worden gehouden met de fiscale grenzen.
Restbegunstiging
Een andere vraag uit het besluit heeft betrekking op de restbegunstiging. Onder restbegunstiging wordt verstaan ‘een verwaarloosbaar kleine kans dat bij het overlijden van een werknemer voor de pensioendatum een kapitaal uit hoofde van de pensioenregeling ineens wordt uitgekeerd aan een erfgenaam die niet tot de kring van verzorgden in de zin van artikel 18 (thans artikel 11, derde lid) van de Wet op de loonbelasting 1964 behoort’.
Restbegunstiging is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Volgens de staatssecretaris in een tweetal situaties:
– Indien het op te bouwen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen verzekerd worden in de vorm van een gemengde verzekering, die voorziet in een kapitaalsuitkering bij het overlijden van de (oud-)werknemer voor de pensioendatum, of- een kapitaalsuitkering in de vorm van periodieke uitkeringen bij het in leven zijn van de (oud-)werknemer op de pensioendatum.Van een uitzonderlijk geval kan voorts alleen sprake zijn in de opbouwfase van het pensioen, mits de werknemer een partner heeft. Als om wat voor reden ook de partner wegvalt, dient de verzekeringsovereenkomst binnen een redelijke termijn te worden aangepast. Restbegunstiging is dan niet meer mogelijk.
Gegarandeerd
Eén van de vragen die in de praktijk erg leeft, is of binnen een beschikbare-premieregeling een minimumrendement mag worden gegarandeerd. Kenmerkend voor een beschikbare-premieregeling is dat het aan te kopen pensioen op de ingangsdatum onzeker is. De pensioenpremies die gedurende de looptijd worden gestort, kunnen in tal van beleggingsfondsen worden ondergebracht. De rendementen kunnen hierdoor per fonds sterk verschillen.
Het is de werkgever niet toegestaan aan de werknemer een minimumrendement te garanderen. Dit kan namelijk leiden tot een overschrijding van de fiscale maxima en dat kan leiden tot een onzuivere pensioenregeling. De pensioenuitvoerder mag wel een minimumrendement toezeggen. Deze garantie maakt de pensioenregeling niet onzuiver, mits de werknemer of werkgever hiervoor geen aanvullende stortingen hoeft te verrichten.
Premievrijstelling
Ingeval in een beschikbare-premieregeling premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid is meeverzekerd, op welke premie heeft die premievrijstelling betrekking?
Uit het antwoord van de staatssecretaris blijkt dat de premievrijstelling slechts betrekking mag hebben op dat deel van de pensioenpremie dat verband houdt met de opbouw van de pensioenrechten zelf; dit moet ook duidelijk uit de pensioenregeling blijken.
Vervroegd pensioen
Wat gebeurt er met het nabestaandenpensioen indien het ouderdomspensioen door vervroeging actuarieel herrekend dient te worden?
Als het ouderdomspensioen eerder ingaat dan de ingangsdatum in de pensioenregeling, dan dient dit ouderdomspensioen actuarieel herrekend te worden. Deze vervroeging is van invloed op het nabestaandenpensioen. Het aantal deelnemingsjaren wordt verminderd, zodat het nabestaandenpensioen naar evenredigheid verlaagd wordt. Het nabestaandenpensioen wordt verlaagd door het lagere aantal deelnemingsjaren of doordat de oorspronkelijke verhouding tussen het nabestaandenpensioen en het ouderdomspensioen blijft gehandhaafd (bijvoorbeeld 70%).
Uitstel en 100%
Het ouderdomspensioen mag maximaal 100% van het pensioengevend loon bedragen. De zogenoemde 100%-toets vindt plaats onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ingang van het pensioen. Vindt de 100%-toets ook onmiddellijk voorafgaand aan de ingangsdatum van pensioen plaats, indien de ingangsdatum wordt uitgesteld en er wordt doorgewerkt?
Het ligt eraan of de opbouw van het pensioen ook wordt voortgezet. Dit is namelijk geen verplichting. Als wordt doorgewerkt tot aan de uitgestelde pensioeningangsdatum, zonder verdere opbouw van pensioen, wordt het pensioenkapitaal (slechts) opgerent tot aan de ingangsdatum. Op het moment dat het pensioen daadwerkelijk ingaat, wordt de 100%-toets toegepast. Indien de 100%-grens wordt overschreden, wordt het meerdere uitgekeerd in een (bruto) uitkering ineens.
Als wordt doorgewerkt tot aan de uitgestelde pensioeningangsdatum mét voortgezette pensioenopbouw, dan dient de 100%-toets doorlopend plaats te vinden. Bij voortzetting van de pensioenopbouw binnen een beschikbare-premiestelsel betekent dit feitelijk dat de voorheen gebruikte premiestaffel niet meer aansluit bij de nieuwe (verlate) pensioeningangsdatum. De staatssecretaris keurt in dit besluit goed dat ‘men in die situatie het premiepercentage uit de laatste leeftijdsklasse van de bestaande staffel blijft hanteren’.
Het ouderdomspensioen mag wettelijk echter niet verder worden opgebouwd dan tot 100% van het pensioengevend loon. Als de 100%-grens is bereikt, moet worden gestopt met de opbouw van pensioen. Om dit te controleren, zal doorlopend getoetst moeten worden of die 100%-grens nog niet is bereikt.
Ten aanzien van de verplichte ingangsdatum is het volgende bepaald. Als de werknemer op het moment van het bereiken van de 100%-grens nog geen 65 jaar is, mag de ingang van het pensioen tot de 65-jarige leeftijd worden uitgesteld of tot de eerdere datum waarop de dienstbetrekking eindigt. Er mag echter geen opbouw van pensioen meer plaatsvinden.
Tot slot
Een aantal vragen en antwoorden uit het besluit betreft een uiteenzetting van wat letterlijk in de wetgeving is opgenomen en zal bij de uitvoerder in beginsel geen problemen opleveren. Andere vragen en antwoorden kunnen echter leiden tot min of meer verplichte aanpassingen in een pensioenregeling. De vraag is of de staatssecretaris overal heeft stilgestaan bij de praktische uitvoering. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de doorlopende 100%-toets.
Ondanks dat het grootste deel van het besluit niet leidt tot nieuwe inzichten, zullen veel uitvoerders en werkgevers hun regelingen op enkele punten dienen aan te passen. Deze aanpassingen kunnen dan mooi worden betrokken in de grote ‘schoonmaakactie’ voor 1 juni 2004.
Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.