nieuws

Opleiden en examineren moet gescheiden blijven

Archief

Examens die onderdeel zijn van een vestigingseis in het kader van de Wet Financiële Dienstverlening (WFD) mogen niet worden uitgevoerd door instellingen die ook de opleiding voor deze wettelijk vereiste opleidingen hebben verzorgd. Dat is de mening van de aanwezigen tijdens de relatiemiddag van de Stichting Examens Assurantiebedrijf (SEA).

Ruim 82% van de aanwezigen was het eens met deze stelling; 17% oneens. SEA-voorzitter Arno Dolders, in het dagelijks leven geeft hij leiding aan Legal & General, weet zich gesteund door deze uitkomst in zijn pleidooi voor een onafhankelijk exameninstituut. De overige panelleden Henk Duthler (Avéro Achmea), John van der Voet (voorzitter commissie Toezicht vakbekwaamheidseisen Wabb) en de heer Veldhuizen (LOI) toonden zich een warm voorstander van splitsing.
Dolders hield in zijn inleiding een pleidooi voor één exameninstituut voor de wettelijke examens en een strikte scheiding tussen examen en opleiding. “Want”, betoogt hij, “meerdere exameninstituten betekent een hogere prijs voor de examens en een mindere kwaliteit van de examens. Als opleiden en examinering onder één dak plaatsvindt, dan zal het commercieel belang prevaleren, is er voor kleine opleidingsinstituten geen level playing field en worden de kosten van het toezicht hoger”.
Volgens Dolders is het einde van SEA in zicht als opleiden en examinering onder één dak plaatsvinden. “Wij zijn afhankelijk van examengelden en kunnen niet opboksen tegen commerciële instituten.” Dolders vindt verder dat er sprake is van belangenverstrengeling. “Het is wellicht praktisch om alles onder één dak te hebben, maar een opleidingsinstituut heeft belang bij veel examenkandidaten. Bovendien brengt het toezicht hierop hogere kosten met zich mee, want het toezicht zal zwaarder moeten zijn.”
Overigens vindt Dolders niet dat de SEA hét enig aangewezen exameninstituut in de branche zou moeten zijn. “De SEA richt zich op assurantiën. De examinering in het kader van de WFD wordt veel breder. Ik pleit dan ook voor een (nieuw) landelijk exameninstituut voor WFD-examens.” Dolders hield tevens een pleidooi voor tempo. “Zorg voor een tijdige concretisering van eindtermen in toetstermen.”
Persoonscertificatie
Ruim 69% van de aanwezigen was het eens met de stelling dat het juist is dat een wettelijke eis tot permanente educatie vergezeld wordt van een wettelijke verplichting tot toetsing. Een kwart was het daar niet mee eens en 5% had er geen oordeel over.
Panellid Harold Mahadew (AFM) stelde dat dit in de effectenbranche zeer gebruikelijk is. Ook Dolders vond dat de branche het goede voorbeeld moet geven. “Het is goed om permanent te toetsen. Eens per drie jaar, afhankelijk van de ontwikkelingen in de markt.” Mahadew voegde er nog wel aan toe dat heel goed gekeken moet worden naar de administratieve lasten die dat met zich meebrengt. Bovendien is hij van mening dat alleen getoetst zou moeten worden op nieuwe ontwikkelingen.
Bureau D&O stelde aan haar enquêtegroep (450 kantoren) ook een aantal vragen over permanente educatie; 25% gaf antwoord. Iets meer dan 24% was het eens met de stelling dat feitelijk leiders/bestuurders periodiek getoetst moeten worden op hun aanwezige vakkennis; 37% was het enigszins eens, 17% is neutraal, ruim 9% is het hiermee oneens en 13% is het geheel oneens met deze stelling.
Als die toets er komt, dan vindt 63% dat getoetst moet worden op kennis van zowel actualiteiten als basisvakbekwaamheid; ruim 21% vindt dat alleen getoetst moet worden op kennis van actualiteiten en ruim 15% vindt dat alleen op basisvakbekwaamheid getoetst mag worden. Ruim 36% van de ondervraagden vindt dat zo’n toets elke twee jaar gehouden moet worden; 15% vindt elk jaar. Ruim 21% vindt dat de toets elke drie jaar moet plaatsvinden en nog eens 27% vindt elke vier jaar.
Wordt de toets niet gehaald dan vindt ruim 16% dat het consequenties moet hebben voor de vergunning om actief te zijn; 32% is het daar enigszins mee eens, 23% is neutraal. Oneens is ruim 10% en bijna 18% is het geheel mee oneens.
Van de aanwezigen in de zaal vindt ruim 66% dat de toetsing van de permanente educatie zou moeten plaatsvinden op basis van persoonscertificatie. Eén van de sprekers op de relatiemiddag was Jan van der Poel, directeur van de Raad voor Accreditatie. Hij ging in op de voor- en nadelen van zo’n persoonscertificatie.
Bij persoonscertificatie wordt de kennis en de kunde gecertificeerd, door middel van een theorie-examen én door een praktijktoets. Verder moet er een regime komen om te toetsen of de kennis en kunde op peil blijft. Als positieve elementen voor gecertificeerde personen noemde hij ondermeer: aantoonbare bekwaamheden, openbare aantoonbaarheid, eigen waarde op de arbeidsmarkt en verdediging in kader van wetgeving. Voor de afnemers, bijvoorbeeld werkgevers, betekent het dat de persoon aantoonbare bekwaamheden bezit, dat deze zijn aangetoond door een onpartijdige instantie en dat er een gelijkwaardigheid in aantoonbaarheid bestaat.
Van der Poel ging ook in op wat men niet mag verwachten. Voor gecertificeerde personen is certificatie geen opleidingsvoorziening, het helpt niet bij het verbeteren van de bekwaamheid, het is een constatering van de bekwaamheid en het is in zichzelf geen ‘education permanente’. Voor de afnemers geldt dat er geen handhaving is. Bovendien is het geen garantie dat de vakbekwaamheid ook goed wordt ingezet. Als voorbeeld hiervan haalde Van der Poel het Nederlands voetbalelftal aan. “Stuk voor stuk buitengewoon vakbekwaam, maar geen garantie voor een goed resultaat.” Dat zei hij overigens nog voordat het Nederlands elftal diezelfde avond met 6-0 won van Schotland. Bij persoonscertificatie wordt verder alleen aangetoond wat vereist is in de regelingen.
Als alternatieven voor persoonscertificatie noemde Van der Poel diploma’s, collegiale toetsing, peer review en vergunning. Afsluitend stelde hij dat certificatie geen doel op zich mag zijn, maar een middel. “Draagvlak is een absoluut vereiste en openbare en eenduidige toetstermen en eisen zijn eveneens een vereiste.”
Middenstandsdiploma
Tijdens de afsluitende paneldiscussie werd de stelling geponeerd dat het juist is dat de WFD het middenstandsdiploma weer invoert. Ruim 64% was het daar mee eens. Ruim 22% oneens en 12% had geen oordeel. Panellid Henk Duthler was het eens met de stelling. “De WFD is bedoeld als consumentenbescherming en als bedrijfstak mag je eisen stellen aan de ondernemer.”
Panelleider Jurjen Oosterbaan Martinius legde vervolgens Mahadew (AFM) het vuur na aan de schenen. “Waarom is het zo dat alleen voor financiële dienstverleners het middenstandsdiploma weer van stal gehaald wordt?” Mahadew ging de verdediging in. “De AFM voert uit, wij bedenken het niet. De WFD is een kaderwet, de bedrijfstak vult de wet verder in.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.