nieuws

Onhandige formulering fataal voor fraude-onderzoek Moret

Archief

Wat een serieus onderzoek van Moret Ernst & Young naar fraudepreventie in de schadeverzekeringsbranche had moeten worden, verzandde afgelopen week in een rel over onhandige formuleringen in de rapportage daarover. Het onderzoek ‘Waakzaam weren’ wordt gekenmerkt door ‘onzorgvuldig taalgebruik’ in de ogen van de tussenpersonenorganisaties en is volgens het Verbond van Verzekeraars zelfs een ‘gemiste kans’.

Onder de kop ‘Tussenpersoon in verdachtenbank’ gaf De Telegraaf afgelopen week het startschot voor een vrijwel eindeloze reeks verwijten van branche-organisaties aan het adres van de afdeling forensische accountancy van Moret Ernst & Young dat het onderzoek gehouden had. Volgens het krantenbericht was uit onderzoek gebleken ‘dat tweederde van alle verzekeringsmaatschappijen werkt met frauderende verzekeringsagenten’.
De tussenpersonenorganisaties NVA en NBvA – plotseling zeer eensgezind – lieten naar aanleiding van dat bericht weten dat “door het verwarrende taalgebruik, ook in het persbericht van Moret ter zake, ten onrechte de beschuldigende vinger naar assurantietussenpersonen wordt geheven. Waar bijvoorbeeld onderzocht is of verzekeringsmaatschappijen het afgelopen jaar wel eens geconfronteerd zijn met frauduleuze handelingen door of via een assurantietussenpersoon, wordt de schijn gewekt dat tussenpersonen bij al deze fraudegevallen (of pogingen daartoe) actief betrokken zouden zijn. Het aantal fraudegevallen waarbij tussenpersonen daadwerkelijk betrokken zouden zijn geweest, wordt nergens gespecificeerd. Ook is het aantal tussenpersonen dat het in totaal zou betreffen, niet duidelijk”.
Gemiste kans
Het Verbond van Verzekeraars gaat nog een stuk verder dan de beide tussenpersonenorganisaties en laat geen spaan heel van de bevindingen van Moret. Volgens het Verbond biedt het onderzoek geen nieuwe inzichten in het fenomeen verzekeringsfraude en bevat het geen concrete aanbevelingen voor eventuele aanpassingen van het fraudebeleid. “Het onderzoek wekt bovendien ten onrechte de indruk dat verzekeraars op dit terrein weinig actief zijn. Een beeld dat versterkt wordt door de ongenuanceerde wijze waarop conclusies uit het rapport zijn geredigeerd. Het Verbond acht, gezien het belang van het onderwerp en de medewerking die vanuit de bedrijfstak aan het onderzoek is verleend, het rapport dan ook een gemiste kans.”
Deze zeer negatieve reactie is opmerkelijk, juist omdat het Verbond zelf betrokken was bij het totstandkomen van het onderzoek, via de persoon van mr A.H. Westerman die in de begeleidingscommissie van het onderzoek zitting nam. Had deze begeleidingscommissie dan niets in te brengen?
Volgens verbondsvoorlichter M. Uri, die spreekt namens Westerman, was de invloed van de begeleidingscommissie inderdaad beperkt. “Westerman was bovendien één van de zeven leden van deze commissie. De werkgroep heeft wel het nodige commentaar op de redactie van het concept-rapport gegeven, omdat de inhoud daarvan in de ogen van de begeleiders aanleiding zou geven tot misverstanden. Aan de krantenpublicatie, die waarschijnlijk is gebaseerd op het concept-rapport, hebben we kunnen zien waartoe dat geleid heeft. Het totaaloordeel van het onderzoek valt vanzelfsprekend onder de verantwoordelijkheid van de onderzoekers zelf en niet die van de begeleidingscommissie”.
Had Westerman dan niet beter uit de begeleidingscommissie kunnen stappen? “Het leek ons niet zinvol om in de loop van het proces uit de commissie te stappen. Dan was het resultaat misschien nog slechter geweest”.
Niet aangesproken
Drs R. Toppen, de onderzoeker in kwestie, voelt zich niet of nauwelijks aangesproken door de golf van kritiek die over hem en z’n onderzoek is uitgestort. “Ik heb het gevoel dat het Verbond van Verzekeraars gepikeerd is door de krantenpublicatie en niet zozeer door ons onderzoek. Het Verbond is teleurgesteld over de verminkte berichtgeving, maar dat ben ik zelf ook. Op het onderzoek zelf heb ik van verzekeraars veel positieve reacties gekregen.” De onderzoeker wil niet inhoudelijk op de kritiek van het Verbond van Verzekeraars ingaan. “Vinden ze dat het onderzoek geen nieuwe inzichten biedt in het fenomeen verzekeringsfraude? Ik zou zeggen: lees het rapport, daar zult u het tegendeel aantreffen.”
De gewraakte passage in het rapport waar wordt gesproken over ‘confrontaties met frauduleuze handelingen door of via een assurantietussenpersoon’, komt volgens Toppen voort uit de onderzoeksvraag of er fraude geconstateerd is bij assurantietussenpersonen (die door 70% van de verzekeraars met weinig, vaak of regelmatig werd beantwoord). “Om te voorkomen dat het woord ‘bij’ voor verwarring zou zorgen, hebben wij er in het rapport ‘door of via’ van gemaakt.” (let wel: deze passage maakt deel uit van het hoofdstuk ‘fraude door externe dienstverleners’, red).
“De gebruikte vraagstelling was volgens mij niet onduidelijk, aangezien geen enkele verzekeraar er op het vragenformulier kanttekeningen bij geplaatst heeft.” In het rapport wordt bij de gewraakte passage overigens wel gewezen op het feit dat het hoge percentage geen indicatie geeft over de werkelijke omvang van de vermoede of gesignaleerde fraude onder tussenpersonen. Goed denkbaar is dat verzekeraars met dezelfde frauderende tussenpersonen worden geconfronteerd, aldus het rapport.
Waakzaam weren
De adviesgroep forensische accountancy van Moret hield het inmiddels omstreden onderzoek ‘Waakzaam weren’ om inzicht te krijgen in de ontwikkelingen op het gebied van fraudepreventie en risk-management in de schadeverzekeringsbranches brand en motorrijtuigen.
Van de 120 door Moret aangeschreven schadeverzekeraars, vulde de helft (” 75% van de markt) de lijst met vragen over verzekeringsfraude in. De belangrijkste bevindingen van het onderzoek luiden als volgt:
Meer dan 80% van de respondenten schat de kans op fraude ten aanzien van de eigen onderneming gemiddeld hoog in, en ruim 70% is van mening dat de eigen verzekeringsproducten fraudegevoelig zijn.Een kwart van de verzekeraars schat de schade als gevolg van fraude hoger dan de door het Verbond van Verzekeraars genoemde vijf procent (f 700 mln) van het totaal uitbetaalde schadebedrag.Tweederde van de respondenten geeft aan in het afgelopen jaar wel eens te zijn geconfronteerd met frauduleuze handelingen door of via een assurantietussenpersoon.Bijna de helft van de verzekeraars heeft geen fraudepreventiebeleid.In 80% van de gevallen was het lijden van financiële schade de voornaamste reden voor het instellen van een fraudepreventiebeleid.Door 70% van de deelnemers wordt aangegeven dat hun fraudepreventiebeleid verbetering behoeft ten aanzien van schademeldingen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.