nieuws

Onduidelijkheid troef rond flexibilisering van pensioen

Archief

Tot zo’n vijf jaar geleden was het in pensioenland betrekkelijk rustig. Het sporadische leven in de brouwerij kwam eerder van de rechter dan van de politiek. Vanaf 1994 volgen ontwikkelingen elkaar echter in snel tempo op, zowel in juridisch als in fiscaal opzicht. In dit artikel wordt de balans opgemaakt van bijna vijf jaar parlementaire discussies en wetgevingsinitiatieven op het gebied van flexibilisering van pensioen.

door Jacqueline Polman-Jager
Bij de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Brede Herwaardering II in het najaar van 1993 leek er nog weinig aan de hand. De pensioendefinitie in artikel 11 van de Wet op de loonbelasting 1964 was naar de mening van de toenmalige staatssecretarissen van Financiën en Sociale Zaken ruim genoeg om maatschappelijk gewenste pensioenontwikkelingen fiscaal op te vangen. Noodzaak tot aanpassing was er volgens hen niet.
Niettemin kwam er in het voorjaar van 1994 een concept initiatief-wetsvoorstel. De huidige staatssecretaris van Financiën, Willem Vermeend, tekende hier samen met Kamerlid Jan van Zijl voor. Als reden voor het wetsvoorstel gaven zij, dat de fiscus in de praktijk – bij de toetsing van pensioenregelingen – onvoldoende op de hoogte zou zijn van hetgeen naar maatschappelijke maatstaven redelijk was.
Bedrogen
Van indiening van het wetsvoorstel is het nooit gekomen. Na de verkiezingen in mei 1994 werd Vermeend zelf staatssecretaris van Financiën. Wie zou hebben gedacht dat hij het door hem ontworpen wetsvoorstel als bewindsman snel zou oppakken, kwam bedrogen uit. Wel gaf hij – waarschijnlijk om tactisch-politieke redenen – het startschot voor de Commissie Witteveen.
Uiteindelijk werd het rapport van deze Commissie op 1 september 1995 aan de Tweede Kamer aangeboden. Vermeend leek de snelheid erin te willen houden, want naar zijn mening konden de meeste aanbevelingen direct door de belastingdienst worden geconcretiseerd in de uitvoeringssfeer, omdat ze als de heersende maatschappelijke opvattingen konden worden beschouwd.
Hierin heeft hij gelijk. Een variabel pensioen werd bijvoorbeeld al in 1958 door de Hoge Raad (BNB-1958/103) toegestaan. Dat over loon in natura, in casu de auto, pensioen kan worden opgebouwd was volgens ons hoogste rechtscollege in het arrest van 19 november 1997 (PJ-1997/82) reeds in 1991 naar maatschappelijke opvattingen redelijk. Over pensioenopbouw over variabele loonbestanddelen gesproken: in de verzekeringsbedrijfstak is het al veel langer gebruikelijk om variabele loonbestanddelen zoals provisie in de pensioengrondslag op te nemen.
Stilte
Na 1 september 1995 werd het opeens stil. Een stilte die slechts door Vermeend met twee brieven – van 16 januari 1996 respectievelijk 12 juni 1996 – is onderbroken.
De teneur hiervan is anders dan de aanbiedingsbrief aan de Tweede Kamer bij het rapport Witteveen. Hoewel aan sommige aanbevelingen een ruime uitleg wordt toegekend, wordt op andere teruggekomen. Zo moet over de auto als onderdeel van de pensioengrondslag eerst nog nader overleg plaatsvinden, omdat de meningen hierover naar de mening van de staatssecretaris van Financiën nog niet uitgekristalliseerd zijn.
De aanhoudende stilte was voor het Tweede-Kamerlid De Vries aanleiding kritisch te vragen naar de stand van zaken met betrekking tot de flexibilisering. Vermeend antwoordde op 28 oktober 1997 dat de wet de wet is en de jurisprudentie de jurisprudentie. De belastingdienst moet pensioenregelingen hieraan toetsen.
Deze mededeling werd op 13 november nog eens herhaald richting de belastingdienst. Tevens werd aangegeven dat verruimingen die zonder wettelijke maatregelen in de bestaande wetgeving passen, in beginsel toepasbaar zijn, voorzover zij maatschappelijk aanvaardbaar zijn. Vreemd, want in 1994 vond Vermeend nog dat de belastingdienst bij toetsing van pensioenregelingen teveel achterliep bij de maatschappelijke opvattingen.
Handen in het haar
Op 5 december 1997 herhaalt Vermeend in een brief aan de Tweede Kamer hetgeen hij op 28 oktober al had meegedeeld. Voorop staat volgens hem dat de belastingdienst niet op de wetgeving vooruit loopt. Problemen moet men maar voorleggen aan een coördinatiepunt binnen de belastingdienst.
Hiermee houdt Vermeend dezelfde lijn aan als zijn door hem bekritiseerde voorganger, die in de resolutie van 8 april 1994 vragen en problemen over flexibilisering al naar een landelijke werkgroep verwees. Dat schiet niet erg op.
De uitvoeringspraktijk zit ondertussen met de handen in het haar. Werkgevers kunnen dringend gewenste pensioenregelingen met flexibele elementen niet invoeren, omdat belastinginspecties door alle onzekerheid niet meer kunnen en durven bepalen wat ze wel en niet mogen goedvinden.
Uiteindelijk wordt op 3 december 1997 het lang verwachte wetsvoorstel inzake de flexibilisering naar de Raad van State gezonden. Behandeling daarvan wordt over de Kamerverkiezingen heen getild.
Spanning
Op 9 december hebben kabinet en sociale partners – verenigd in de Stichting van de Arbeid – het zogenaamde pensioenconvenant ondertekend. Eén van de belangrijkste doelstellingen is tot versobering en kostenbeheersing bij pensioenregelingen te komen.
Nu leidt modernisering en een betere toegankelijkheid van regelingen – met andere woorden ‘flexibilisering’ – welhaast onvermijdelijk tot extra lasten. Er is dus sprake van een zekere spanning tussen het convenant en de flexibiliseringsgedachte.
Bovendien hangt als een zwaard van Damocles een verplichte middelloonsystematiek boven de hoofden van werkgevers en werknemers. Het kabinet houdt zich namelijk het recht voor om fiscale aftrek van pensioenpremies te beperken tot middelloonregelingen, mochten de doelstellingen van het convenant niet worden bereikt. Flexibilisering van pensioen wordt hiermee erg moeilijk.
21e eeuw
Ten slotte verdient de nota ‘Belastingen in de 21e eeuw: een verkenning’ de aandacht. Hierin wordt de oudedagsparaplu geïntroduceerd. Belastingplichtigen mogen straks fiscaal gefacilieerd tot 70% van hun laatste salaris aan oudedagsvoozieningen opbouwen. Onder deze voorzieningen worden niet alleen pensioen, maar ook lijfrente, kapitaalverzekeringen en pensioensparen bij een bank begrepen.
In de nota wordt voor de verdere normering van pensioen steeds verwezen naar het rapport Witteveen en de daaruit voortvloeiende wetgeving. De vraag is echter of pensioenopbouw en pensioensparen, met de komst van 25% heffing over het fictieve rendement op het vermogen, nog wel zo interessant zullen blijven.
Voorlopig blijft de praktijk zitten met een groot stuk onduidelijkheid en onzekerheid over gewenste flexibilisering in pensioenregelingen. Wie een verzoek doet aan de belastinginspecteur of aan het coördinatiepunt om een pensioenregeling goedgekeurd te krijgen, hoeft thans niet op voortvarende behandeling te rekenen. De kans is bovendien heel groot dat een strenger antwoord zal worden gegeven dan vlak na het verschijnen van het rapport Witteveen mogelijk was.
Mr. Jacqueline Polman-Jager is werkzaam bij de Fiscale en Juridische Sectie Pensioenen & Verzekeringen van Coopers & Lybrand te Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.