nieuws

Onderzoek bevestigt oorspronkelijk verwijt aan directie van Vie

Archief

d’Or

Het enquête-onderzoek van de Ondernemingskamer naar de ondergang van Vie d’Or bevestigt opnieuw in grote lijn het verhaal van kortstondig directielid Bert Lieuwma, zoals hij dat eind 1993 in de publiciteit bracht. De Veldhovense levensverzekeraar kenmerkte zich door een falend beleid van met name directeur/aandeelhouder Frans Maes, diens belangenverstrengelingen, onverantwoorde provisiebetalingen en een chaotische administratie.
Het 150 pagina’s tellend rapport, gemaakt in opdracht van de Amsterdamse ondernemingskamer, geeft een inmiddels bekend totaalbeeld: het kleine Vie d’Or maakte in enkele jaren een veel te snelle groei door, terwijl de zittende directie een geheel eigen visie ontwikkelde op begrippen als solvabiliteit, administratie en het verschil tussen de eigen portemonnee en die van de polis- en aandeelhouders.
De Stichting Vie d’Or zal het rapport goed kunnen gebruiken in haar poging de schade namens de gedupeerde polishouders te verhalen op zowel het bestuur en de raad van commissarissen van Vie d’Or als de Verzekeringskamer.
In de conclusie van het rapport wemelt het van de door de tweekoppige directie (behalve Maes ook Gerard van Santen) gepleegde onzorgvuldigheden, misleidingen, ernstige verzuimen en ontoelaatbaarheden. In totaal worden in het onderzoek 23 hoofdpunten van beoordeling opgesomd. Hieronder volgen de belangrijkste.
Geen meerjarenplan
Zowel Van Santen als Maes hebben zich blijkens het onderzoek onvoldoende gerealiseerd welke gevolgen (met name hoge kosten) waren verbonden aan de introductie van beleggingsverzekeringen zoals het Individueel Depot Plan (IDP). Een deugdelijk meerjarenplan ontbrak tot in 1992 en de maatschappij werd onder meer hierdoor steeds achteraf geconfronteerd met een onvoldoende solvabiliteit.
Een voorbeeld van ontoelaatbare belangenverstrengeling tussen Vie d’Or en directeur/aandeelhouder Frans Maes noemen de onderzoekers de inschakeling van tussenpersonen waarbij Maes zelf (financieel) betrokken was. Genoemd worden de kantoren OPA, Keller & Kruger, Goldschmith & Goldschmith en Alexander & Cooke. De verhouding met deze kantoren werd door Vie d’Or bovendien volstrekt ontoereikend geadministreerd.
Ook wordt Maes kwalijk genomen dat hij in de eindfase van Vie d’Or meer oog had voor zijn eigen aandelenpakket in het bedrijf dan het voortbestaan van de gehele onderneming. Hierdoor liep een poging van de Chase Manhattan bank om Vie d’Or te verkopen op niets uit.
De toegekende provisies en ‘royalties’ waren in een aantal gevallen (met name Blokland en Willemsen) zó hoog, dat zij een bedreiging vormden voor de solvabiliteit. Aan de wens om te groeien werd door de directie duidelijk voorang gegeven, hetgeen ten koste ging van het belang van de bestaande polishouders.
Toezicht
De raad van commissarissen, onder leiding van AkzoPharma-directeur Ben van Dommelen, is volgens de onderzoekers ernstig tekort geschoten in zijn toezichthoudende taak op de directie. De presidentcommissaris peuterde voor zichzelf bovendien een lening van f 675.000 los bij Vie d’Or, zonder dat daarvan iets op papier werd vastgelegd. Hypotheek Visie-directeur Anton van den Bol had het nog wat slimmer aangepakt: zijn lening voor een huis (f 580.000) zou rentevrij worden en de bijbehorende verzekering premievrij, als Vie d’Or failliet zou gaan. Beide leningen noemen de onderzoekers ‘onzorgvuldig directiebeleid’ van Frans Maes.
De Verzekeringskamer heeft volgens de onderzoekers een ‘ernstig betwistbaar standpunt’ in genomen ten aanzien van surplus reliefcontracten, waarmee Vie d’Or haar solvabiliteit cosmetisch opkrikte. Ten tijde van de noodregeling handelde de toezichthouder echter wél op aanvaardbare wijze. Een uitzondering hierop vormt de afhandeling van een langlopende leningsovereenkomst met Merrill Lynch, waardoor er mede door toedoen van de VK een schadepost van f 24 mln ontstond. Volgens de onderzoekers heeft de Verzekeringskamer zich onvoldoende verdiept in deze constructie. Zij noemen de nalatigheden van de VK daarom onzorgvuldig.
Lieuwma
Behalve dat het onderzoek de oorspronkelijke bevindingen van de op dat moment nog maar kort in dienst zijnde directeur Bert Lieuwma bevestigt, krijgt ook hij de nodige kritiek te verduren. De onderzoekers zijn van oordeel dat Lieuwma ‘ernstig onzorgvuldig’ heeft gehandeld door voor zijn beoordeling van de situatie in belangrijke mate af te gaan op de bevindingen van Gerard van Dijk (zijn eigen financieel adviseur, red) om vervolgens daarmee gewapend de vakpers in te lichten. Dit alles zonder vooraf overleg te plegen met accountant, actuaris of Verzekeringskamer. Hij had zich moeten realiseren dat de reddingsoperatie van Vie d’Or hierdoor sterk bemoeilijkt zou worden, aldus de onderzoekers.
Onderzoek kost polishouders half miljoen
Het enquête-onderzoek van de ondernemingskamer heeft de Stichting Vie d’Or een half miljoen gulden gekost. Hiervoor hebben drie onderzoekers een klein jaar rondgespeurd en ruim 25 betrokkenen ondervraagd. De Stichting stelde zich garant voor de betaling van de onderzoekskosten. De prijs valt ruim twee keer zo hoog uit dan oorspronkelijk was geraamd (f 200.000). Het bedrag zal door de stichting ingebracht worden in de totale schade die verhaald moet worden op de veroorzakers van de ondergang van de verzekeraar.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.