nieuws

Onafhankelijkheid intermediair ophet spel door concentratietendens

Archief

Onafhankelijkheid intermediair ophet spel door concentratietendens

De voorkeur van zowel verzekeraars als tussenpersonen om in toenemende mate het aantal agentschappen af te bouwen, ook wel ‘concentratietendens’ genoemd, heeft zulke vormen aangenomen dat de onafhankelijkheid van het zelfstandig intermediair op het spel staat.
Dit kan worden geconcludeerd uit de resultaten van een door adviesbureau D&O in Hoevelaken gehouden enquête onder assurantiekantoren die deel uitmaken van de zogeheten D&O-enquêtegroep. In totaal zijn 458 kantoren aangeschreven waarvan er bijna 300 hebben gereageerd, een respons van 63%, aldus D&O.
Uit de enquêteresultaten blijkt dat het intermediair gemiddeld 65% van zijn schadeverzekeringen bij niet meer dan 3 (primaire) maatschappijen heeft gesloten. Van dit trio heeft de belangrijkste verzekeraar een aandeel van gemiddeld 33% in de schadeportefeuille van het intermediair, en de nummers twee en drie 19% resp. 13%.
Bij levensverzekeringen liggen deze percentages nog hoger. De drie primaire levensverzekeraars hebben gemiddeld 79% van de portefeuille van tussenpersonen in handen. Daarbij moet worden aangetekend dat de belangrijkste van deze primaire maatschappijen 49% van de levenportefeuille bezit, en de nummers twee en drie 19% resp. 11%.
Niet verrassend
De resultaten bevestigen het beeld uit eerdere door ons uitgevoerde onderzoeken, zegt woordvoerder mr J. Oosterbaan Martinius van D&O. “Op zich verrassen de uitkomsten over de concentratietendens ons niet”.
Oosterbaan schrijft de concentratietendens toe aan de noodzaak tot verlaging van de totale kosten van het verzekeringsproduct en verhoging van de kwaliteit. “Verzekeraars en intermediair worden onder druk van deze concurrentie gedwongen op zoek te gaan naar die combinaties waar, tegen lagere kosten, een hogere kwaliteit dan die van de concurrent wordt geleverd. Dit lukt niet indien slechts incidenteel met elkaar wordt samengewerkt”, zegt Oosterbaan Martinius.
De keuze van primaire verzekeraars wordt volgens hem niet “lichtvaardig” gemaakt door het intermediair. “Een verkeerde keuze zet de concurrentiepositie van het kantoor in de eigen regio onder druk.”
Omvang kantoor bepalend
Volgens D&O kan worden geconstateerd dat primaire verzekeraars relatief meer productie ontvangen van kleine(re) kantoren dat grotere tussenpersonen. “In het algemeen geldt dat naarmate het kantoor groter is, het aandeel van de eerste primaire verzekeraar kleiner is.”.
Bij schadeverzekeringen is het aandeel van de eerste primaire verzekeraar in de productie van kantoren met maximaal 2 medewerkers 74%; bij kantoren van 6 tot en met 10 medewerkers is dit percentage nog altijd 58% tot 60%. Het intermediair met meer dan 10 werknemers brengt gemiddeld 32% van zijn schadeproductie bij de eerste primaire verzekeraar onder.
Bij levensverzekeringen is de concentratietendens nog groter onder kleine(re) tussenpersonen. De kantoren met niet meer dan 2 medewerkers sluiten gemiddeld 90% van hun productie bij de eerste primaire verzekeraar; bij kantoren van 6 tot en met 10 medewerkers is dat 81% tot 84%. Opvallend is dat tussenpersonen met meer dan 10 medewerkers gemiddeld 87% van de productie aan één maatschappij gunnen.
Volgens Oosterbaan Martinius zullen verzekeraars en tussenpersonen elkaars dienstverlening in de komende jaren veel kritischer gaan beoordelen. “Enigszins gechargeerd kun je zeggen dat een adviseur nog wel kan leven met een slechte bereikbaarheid van een maatschappij waarmee hij incidenteel samenwerkt. Dit geldt niet voor die maatschappijen waarmee hij dagelijks meerdere keren contact heeft. Naarmate de samenwerking toeneemt, zullen de kwaliteitseisen stijgen.”
Wisseling in verzekeraars
De gevolgen van de concentratietendens zouden op zich minder verontrustend zijn als tussenpersonen geregeld van primaire verzekeraars zouden wisselen. Uit het D&O-onderzoek komt naar voren dat dit niet zo is. De meerderheid van het intermediair is in de laatste drie jaar niet van primaire verzekeraars veranderd.
Bij schadeverzekeringen zegt gemiddeld 58% van de tussenpersonen geen andere primaire verzekeraars te hebben genomen; 29% claimt één maatschappij te hebben gewisseld en 2% zegt zaken te doen met drie nieuwe primaire verzekeraars. De bereidheid van maatschappij te wisselen, is het grootst in de groep van kantoren met 6 tot en met 10 medewerkers, aldus bureau D&O.
De identiteit van de primaire levensverzekeraars is niet veranderd in de afgelopen drie jaar bij 54% van de geënquêteerde assurantiekantoren. Bij eenderde van dit intermediair is één primaire levenmaatschappij vervangen, en bij 2% zijn alle primaire verzekeraars gewisseld in de laatste drie jaar.
In tegenstelling tot schadeverzekeringen blijkt op levengebied wel verband te bestaan tussen de grootte van kantoren en de bereidheid van maatschappij te wisselen. D&O: “Grotere kantoren wisselen meer primaire levensverzekeraars dan kleinere kantoren.” Van de kantoren met maximaal twee medewerkers heeft gemiddeld 68% in de laatste drie jaar geen nieuwe primaire levensverzekeraars gekozen; bij kantoren met meer dan 10 medewerkers is dit gemiddeld 44%.
Het rapport kost f 32 (incl. btw en kosten) en is bestelbaar bij D&O, postbus 44, 3870 CA Hoevelaken tel. 033 – 258.04.60, fax: 033 – 258.03.40.
J. Oosterbaan Martinius: “Incidenteel met elkaar samenwerken verhoogt de kosten”.
Intermediair en ANW
Twee weken voor het van kracht worden van de Algemene Nabestaandenwet (ANW) had 29% van het intermediair nog geen acties richting relaties ondernomen, staat in het D&O-rapport. Ruim 80% zou hebben aangegeven dit alsnog te gaan doen. De overgrote meerderheid zou geen ‘overspannen verwachtingen’ hebben van het premievolume dat wordt gegenereerd. Bijna driekwart verwacht een nieuwe premieproduktie beneden de halve ton, en een kwart tussen de 50 en 150 mille, aldus D&O.
Weinig overwerk bij intermediair
Het overwerken op assurantiekantoren komt minder voor dat aanvankelijk is aangenomen. Volgens D&O geeft 56% van de geënquêteerde assurantiekantoren aan dat de medewerkers niet structureel hoeven te overwerken. Opvallend is dat 80% van de kleine(re) kantoren hun werkzaamheden binnen de vaste kantooruren afhandelen; daarentegen wordt op assurantiekantoren met meer dan 10 werknemers in 65% van de gevallen wèl overgewerkt. Het aantal uren overwerk blijft echter beperkt: 42 van de medewerkers zou minder dan 5 uur per maand langer werken, en bij 44% van de kantoren is dat per medewerker tussen 5 en 10 uur per maand. Het aantal uren overwerk neemt wel toe; de beloning evenwel niet. Eenderde van de kantoren geeft geen extra beloning, eenderde compenseert de extra tijd door vrije uren, en 35% betaalt het overwerk uit.
Tussenpersonenorganaties niet bang voor aantasting onafhankelijkheid
De tussenpersonenorganisaties zijn het niet eens met de stelling dat een beperking van agentschappen de onafhankelijkheid van hun leden aantast. Zowel NBvA als NVA vinden dat het intermediair de keuzevrijheid houdt om samenwerking met verzekeraars te beëindigen of te intensiveren. “Met deze keuzevrijheid blijft het professionele intermediair zich onderscheiden van andere marktpartijen die verzekeringen aanbieden”, aldus de NVA.
De NBvA deelt deze mening. “In alle vrijheid en onafhankelijkheid kan dus worden gekozen voor het regelmatig of in meerderheid zaken doen met een beperkt aantal verzekeraars zonder dat daaraan productieverplichtingen of juridische banden ten grondslag liggen”, aldus deze standsorganisatie.
Argumenten voor zulke keuzes kunnen volgens de NBvA onder meer zijn: grotere efficiency door minder verschillende administraties, en een hogere graad van dienstverlening, ook voor verzekerden (coulance-uitkering, acceptatie moeilijke risico’s etc.).
Het intermediair kiest voor die verzekeraars waarmee zij de beste positie in de markt zullen hebben, zegt de NVA. Mede daarom worden aan deze maatschappijen hoge kwaliteitseisen gesteld. “Deze keuze is een momentopname. Voor het professionele intermediair is het van levensbelang met de juiste verzekeraars zaken te doen. De kwaliteit van het eindproduct wordt immers bepaald door de zwakste schakel.”
Dat de frequentie waarin tussenpersonen van primaire verzekeraars wisselen langer dan drie jaar is, komt volgens de NBvA omdat de (kosten)voordelen van een relatie met primaire verzekeraars zich pas over een reeks van jaren laten vaststellen.
De NVA benadrukt dat tussenpersonen niet omwille van het gemak bij primaire verzekeraars blijven. “Het intermediair kan zich dat niet permitteren door de druk van de consumentenmarkt. Weinig wisseling is geen reden voor ongerustheid, maar geeft juist aan dat er een goede samenwerking is en dat de uitgekozen verzekeraars blijkbaar die kwaliteit kunnen bieden waaraan het assurantiekantoor voor haar klanten behoefte heeft.”
De NBvA zegt wel dat de primaire verzekeraars hun voorkeurspositie bij tussenpersonen in toenemende mate moeten waarmaken. “Op de invulling van die relatie zullen verzekeraars steeds vaker door het intermediair worden afgerekend.”
Verzekeraars die al te drastisch hun agentschappen beperken, komen volgens de NVA zichzelf een keer tegen. “Verzekeraars zullen bij de constatering dat er een te smalle basis is ontstaan, weer samenwerking met meer assurantiekantoren gaan zoeken.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.