nieuws

Nieuw fiscaal regime voor kapitaal- en lijfrentepolissen

Archief

De Wet Inkomstenbelasting 2001 heeft verstrekkende gevolgen voor de verzekeringsbranche. In dit artikel zetten Lammert Koekoek en Natasja Winter eerst in het kort het boxensysteem neer. Daarna gaan zij dieper in op de specifieke wetsvoorstellen op het gebied van lijfrentepremies en kapitaalverzekeringen.

Lammert Koekoek en Natasja Winter
Vorige week hebben minister Gerrit Zalm en staatssecretaris Willem Vermeend van Financiën het voorstel voor de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna IB-2001) ingediend bij de Tweede Kamer. De huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 wordt bij invoering van het wetsvoorstel volledig vervangen. Het is de bedoeling dat de nieuwe wet per 1 januari 2001 van kracht wordt.
Boxensysteem
In het huidige recht wordt inkomstenbelasting geheven over inkomsten uit zogenaamde bronnen, bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid en inkomsten uit vermogen. In beginsel worden alle positieve en negatieve inkomsten uit de bronnen met elkaar verrekend en leiden zo tot het belastbaar inkomen. Met name de onderlinge verrekenbaarheid en de gevoeligheid daarvan voor manipulatie, is de bewindslieden reeds jaren een doorn in het oog. Om dit tegen te gaan hebben zij het boxensysteem geïntroduceerd.
De inkomsten die een belastingplichtige geniet, worden per categorie toebedeeld aan één box. Er zijn drie boxen, te weten:
box I: inkomsten uit werk en woning;box II: winst uit aanmerkelijk belang;box III: inkomsten uit sparen en beleggen. Iedere box heeft vervolgens zijn eigen regels en tariefstructuur. Positieve en negatieve inkomsten uit een box kunnen slechts binnen diezelfde box worden verrekend en niet meer met de voor- of nadelen van een andere box (enkele uitzonderingen daargelaten).In box I worden onder andere inkomsten uit arbeid, winst uit onderneming, inkomsten uit de eerste eigen woning en de periodieke uitkeringen en verstrekkingen ondergebracht. Op deze inkomsten kunnen diverse aftrekposten in mindering worden gebracht, waarna het saldo progressief wordt belast op basis van de volgende tabel:
Tot f 31.652 32,9% Van f 31.652 tot f 53.881 36,85% Van f 53.881 tot f 101.659 42% Vanaf f 101.659 52%
De belastingvrije som wordt vervangen door een zogenaamde heffingskorting: op te betalen belasting wordt een bedrag in mindering gebracht, groot f 3.321. Deze algemene korting kan voor werkenden, afhankelijk van het inkomen, worden vermeerderd met een extra aftrek van maximaal f 1.536.
Winst uit aanmerkelijk belang wordt ondergebracht in box II. De regeling voor het aanmerkelijk belang is in 1997 aanzienlijk gewijzigd en wordt in het nieuwe recht grotendeels overgenomen. Het heffingspercentage wordt verhoogd van 25 naar 30.
De inkomsten uit sparen en beleggen worden belast volgens de regels van box III, de zogenaamde vermogensrendementheffing. In box III wordt het vermogen ondergebracht waarover in de boxen I en II geen belasting wordt betaald. Te denken valt aan banktegoeden, effecten, de tweede woning et cetera. Huisraad, de auto, de eerste eigen woning, boot of caravan worden niet tot het belastbare vermogen gerekend.
Het wetsvoorstel gaat ervan uit dat over het saldo van de bezittingen en schulden, die in box III zijn ondergebracht, een fictief rendement wordt behaald van 4%, ongeacht het werkelijk behaalde rendement en de gemaakte kosten. Over deze fictieve opbrengst is 30% belasting verschuldigd, zodat effectief 1,2% belasting wordt geheven over de waarde van het vermogen. Overigens geldt voor iedere belastingplichtige een vrijstelling in box III van f 37.463. Een deel van de groep belastingplichtigen ouder dan 65 jaar komt in aanmerking voor een extra vrijstelling. Een negatief vermogen leidt overigens niet tot aftrek.
Er is door de invoering van box III geen ruimte meer voor de vermogensbelasting; deze wordt dan ook afgeschaft.
Oudedagsparaplu
Naast de ingrijpende wijziging van het belastingstelsel door invoering van het boxensysteem, is in het wetsvoorstel ook het fiscale regime voor oudedagsvoorzieningen aanzienlijk gewijzigd. De fiscale begeleiding van alle mogelijke oudedagsvoorzieningen wordt geregeld binnen de zogenaamde oudedagsparaplu. Binnen deze paraplu is de maximaal fiscaal gefacilieerde aftrekbare opbouw van oudedagsvoorzieningen gegeven. Slechts ingeval van een tekort in de pensioenopbouw, kunnen premies voor lijfrenten in aftrek worden gebracht.
Lijfrentepremieaftrek
De huidige aftrek van lijfrentepremies vindt plaats op basis van het zogenaamde tranchesysteem. De eerste tranche betreft een voor iedere belastingplichtige geldende basisaftrek van f 6.075 (onder voorwaarden voor partners f 12.150). Van de tweede en de derde tranche kan gebruik gemaakt worden als de belastingplichtige door middel van berekeningen kan aantonen dat er een pensioentekort is. De vierde en de vijfde tranche gelden specifiek voor ondernemers.
In het wetsvoorstel ziet de lijfrentepremieaftrek er geheel anders uit. De vierde en vijfde tranche komen vrijwel gelijkluidend terug in de nieuwe wet en laten wij hierna onbesproken. De eerste drie tranches komen te vervallen en worden vervangen door een aftrek die in twee delen uiteen valt: de jaarruimte en de inhaalruimte.
Jaar- en inhaalruimte
De jaarruimte voorziet in een jaarlijkse aftrek van 15% van het inkomen, waarbij rekening moet worden met de opbouw van pensioen in het betreffende jaar en dotaties aan de FOR. De berekening van de jaarruimte is grotendeels geënt op de rekensystematiek van de huidige tweede tranche. Het inkomen dat in aanmerking mag worden in de berekening, bedraagt maximaal f 303.672, met inachtneming van een franchise van f 30.473.
Bij de inhaalruimte wordt nog een extra aftrek geboden. De aftrek mag maximaal 15% van het inkomen bedragen met een maximum van f 12.149.
De inhaalruimte kan op twee manieren worden benut. De eerste mogelijkheid is die waarbij de belastingplichtige aantoont dat hij in de afgelopen vijf jaar de jaarruimte (zie hiervoor) niet of niet volledig heeft benut. De tweede mogelijkheid kan gebruikt worden, indien de belastingplichtige aantoont dat hij een niet te verwaarlozen pensioentekort heeft. Er worden nog rekenregels vastgesteld die gebruikt moeten worden bij de vaststelling van het pensioentekort. Overigens kan de tweede mogelijkheid slechts gebruikt worden voor belastingplichtigen tussen de 39- en 70-jarige leeftijd.
Lijfrentepremies kunnen in de toekomst derhalve slechts afgetrokken worden als er een pensioentekort aanwezig is.
Overgangsrecht
Momenteel hebben wij nog te maken met verschillende vormen van lijfrente: onder andere de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule en de gerichte lijfrente. Bij de wetgevingsoperaties die bekend zijn geworden onder de naam ‘Brede Herwaardering’, is destijds een ‘normaal’ overgangregime ingesteld waarin bestaande contracten gerespecteerd werden. Het oude fiscale regime blijft tot in lengte van dagen van toepassing, tenzij men niet-toegestane handelingen met de polis uitvoert.
In het voorgestelde overgangsrecht wordt met die gewoonte gebroken. Bestaande contracten worden niet gerespecteerd. Wil men een bestaande polis na 31 december 2000 voortzetten en de premies blijven aftrekken, dan gelden daarvoor de nieuwe regels inzake de jaarruimte en de inhaalruimte. Dit geldt ook voor de zogenaamde ‘oud regime’-lijfrentepolissen. Lijfrentepremies zijn alleen nog maar aftrekbaar indien een pensioentekort aanwezig is. Dit betekent onder meer dat financiële planningen die gebaseerd zijn op een voortdurende premieaftrek van ruim f 20.000 bijgesteld c.q. opnieuw uitgevoerd dienen te worden.
Kapitaalverzekeringen
Onder het huidige recht is de uitkering uit een kapitaalverzekering geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van heffing van inkomstenbelasting, mits enkele voorwaarden zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de premiebetalingsduur en de variatie in de hoogte van de premies in acht worden genomen. Dit maakte de kapitaalverzekering tot een aantrekkelijk instrument voor onbelaste vermogensopbouw en in voorkomende gevallen ook een prima aanvulling op tekort schietende pensioenopbouw.
De fiscale faciliteiten voor de kapitaalverzekering komen in het wetsvoorstel niet meer terug, één uitzondering daargelaten. Deze uitzondering doet zich voor als de verzekering rechtstreeks wordt gekoppeld aan een hypothecaire geldlening ten behoeve van de eigen woning. Het moet dan wel gaan om de woning die als hoofdverblijf dient en niet om de vakantiewoning. Het rentebestanddeel in de kapitaalsuitkering kan dan onbelast worden genoten, voorzover de kapitaalsuitkering niet meer bedraagt dan f 267.751 (121.500 euro) per belastingplichtige.
Naast de koppeling van de verzekering aan de eigen woning, dient de polis zelf nog aan een aantal andere voorwaarden te voldoen: 1) premiebetaling moet minimaal twintig jaar duren of tot het overlijden van de verzekerde; 2) de hoogste premie mag niet meer bedragen dan het tienvoud van de laagste; 3) de looptijd van de verzekering is maximaal dertig jaar; 4) in de begunstiging moet zijn opgenomen dat de begunstigde voor de uitkering dit bedrag ook daadwerkelijk zal gebruiken voor aflossing van de hypothecaire schuld. 5) de polis moet ondergebracht zijn bij een WTV-verzekeraar; 6) zodra de verzekeringnemer niet meer binnenlands belastingplichtig is, wordt de polis geacht tot uitkering te zijn gekomen.
Overgangsrecht
Wat gebeurt er met bestaande kapitaalverzekeringen die nog doorlopen na invoering van de nieuwe wet per 1 januari 2001? Daarvoor bestaan naar onze mening drie mogelijkheden:
Ten eerste kan nog gedurende twee jaar na invoering van de nieuwe wet – dus tot 1 januari 2003 – de verzekering worden aangepast aan de voorwaarden die gelden voor een kapitaalverzekering die hoort bij een eigen woning. Als dat tijdig is gebeurd, wordt de aangepaste verzekering behandeld als is omschreven in de volgende paragraaf.
De tweede mogelijkheid is voortzetting van de polis na 1 januari 2003, zonder aanpassing aan de voorwaarden als hiervoor bedoeld. De polis wordt dan met ingang van 1 januari 2003 tot de bezittingen in box III gerekend, waardoor de regels inzake het fictieve rendement van 4% en de heffing daarover van 30% van toepassing worden. Er hoeft dan niet te worden afgerekend over het rentebestanddeel dat in de polis was opgebouwd per 31 december 2002, mits de polis ‘normaal’ tot uitkering komt. Wordt de polis echter op enig moment na 31 december 2002 niet regulier voortgezet en bijvoorbeeld afgekocht, dan wordt alsnog het bedoelde rentebestanddeel tot het inkomen in box I gerekend. Hierover is volgens het progressieve tarief (maximaal 52%) belasting verschuldigd.
De derde mogelijkheid is die waarbij een polis op enig moment binnen de aanpassingstermijn (in 2001 of 2002), niet meer voldoet aan de voorwaarden die de huidige wet aan kapitaalverzekeringen stelt. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de bandbreedte van bijvoorbeeld 1:10 wordt overschreden. De polis gaat dan per 1 januari 2003 over naar box III en het rentebestanddeel wordt per die datum in box I belast.
Inkomsten eigen woning
De fiscale behandeling van de eigen woning wordt door de nieuwe wet vrijwel niet gewijzigd. Het huurwaardeforfait blijft net als de hypotheekrenteaftrek bestaan, echter alleen voor de eerste eigen woning.
Vakantiewoningen, tweede huizen en dergelijke worden gerekend tot de bezittingen in box III; de bijbehorende hypothecaire geldleningen tot de schulden. Eventuele huuropbrengsten en hypotheekrente worden in box III buiten beschouwing gelaten.
Internationale aspecten
Zoals uit het bovenstaande blijkt, worden de fiscale teugels voor de lijfrente- en de kapitaalverzekeringen aangehaald. Om ook na emigratie zijn greep op in Nederland opgebouwde voorzieningen te behouden, wordt bij emigratie voor pensioenen een zogenaamde conserverende aanslag opgelegd. Voor lijfrenten bestond deze al.
De conserverende aanslag komt er in het kort op neer dat bij emigratie een aanslag wordt opgelegd, die pas wordt ingevorderd als er een niet-toegestane handeling met het pensioen wordt verricht, bijvoorbeeld afkoop. De conserverende aanslag blijft tien jaar na emigratie bestaan. Hoewel de aanslag niet direct bij emigratie wordt ingevorderd, kan een dergelijke aanslag bijzonder vervelend zijn, met name omdat soms verlangd wordt dat de belastingplichtige zekerheid moet stellen (bijvoorbeeld het afgeven van een bankgarantie).
De mogelijkheden om aftrekbare pensioen- en lijfrentepremie te betalen aan een in het buitenland gevestigd pensioenfonds of verzekeraar, worden verruimd. Uiteraard dienen deze buitenlandse lichamen wel aan een aantal voorwaarden te voldoen, doch de Nederlandse pensioen- en lijfrentemarkt zal hierdoor worden uitgebreid.
Tot slot
Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld. De planning is dat de Tweede Kamer vóór de kerst de behandeling zal hebben afgerond, waarna de Eerste Kamer zich in 2000 over het wetsvoorstel zal buigen. Wij wachten met spanning af of deze voortvarende planning gehaald wordt en of er nog aanpassingen komen op de huidige voorstellen. Voorgaande is gebaseerd op onze interpretatie van de stukken van het wetsvoorstel, zoals dat onlangs is gepubliceerd. Wij hebben reeds enige inconsistenties geconstateerd, zodat wij verwachten dat er nog de nodige aanpassingen zullen komen.
de fiscale en juridische sectie Pensioenen & Verzekeringen van PricewaterhouseCoopers in Amstelveen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.