nieuws

Nieuw fiscaal pensioenkader schept ruimte voor de toekomst

Archief

door mr drs R.M.J.M. de Greef

Op 29 augustus jl. heeft de werkgroep ‘Fiscale behandeling pensioenen’ haar aanbevelingen om tot een flexibeler en individueler fiscale behandeling van pensioenen te komen, aangeboden aan staatssecretaris Vermeend (financiën). In de werkgroep, die op 13 oktober 1994 door de bewindsman was ingesteld, hadden deskundigen uit diverse geledingen in pensioenland zitting. Kringen van werkgevers, werknemers, overheid, wetenschap, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen waren vertegenwoordigd.
De werkgroep had tot taak “te onderzoeken welke aanpassingen in de fiscale behandeling van aanvullende oudedagsvoorzieningen en daarmee samenhangende fiscale regelingen wenselijk en mogelijk zijn met het oog op de vraag om flexibilisering en individualisering”. De fiscale definitie van het begrip ‘pensioen’ sluit aan bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Doordat de maatschappelijke ontwikkelingen per definitie aan wijzigingen onderhevig zijn, is een voortdurende aanpassing noodzakelijk, dan wel dient het begrip zodanig ruim te worden geformuleerd dat het voldoende flexibel is om de tand des tijds te kunnen doorstaan. De noodzakelijke aanpassingen kunnen echter nauwelijks worden doorgevoerd, aangezien de fiscus de maatschappelijke ontwikkelingen afwacht, alvorens deze in een pensioenregeling te kunnen aanvaarden. Er is derhalve sprake van een vicieuze cirkel.
Grotendeels geslaagd
De reden dat de werkgroep werd ingesteld was: die vicieuze cirkel te doorbreken. De werkgroep is daarin grotendeels geslaagd. Indien de aanbevelingen van de werkgroep als regelgeving zullen zijn ingevoerd, kunnen we weer enige jaren vooruit met het pensioenbegrip.
Een en ander zal een veel grotere vrijheid met zich meebrengen om een pensioenregeling zoveel als mogelijk naar eigen wensen en inzicht in te richten. Dit zal het nodige advieswerk met zich meebrengen voor diegenen die daar goed op inspelen. De werkgroep heeft in totaal 29 aanbevelingen gedaan, welke de basis vormen voor een nieuw fiscaal kader en een wettelijke basis zullen geven voor modernisering en stroomlijning van de fiscale behandeling van pensioenen. Blijkens een persbericht van 1 september jl. heeft de Ministerraad inmiddels ingestemd met alle aanbevelingen van de werkgroep. Op korte termijn zal de staatssecretaris een besluit uitvaardigen waarin vermeld zal worden op welk tijdstip de diverse aanbevelingen in werking zullen treden. Het is nog onduidelijk wanneer dit besluit het licht zal zien. De belangrijkste aanbevelingen:

  • -de hoogte van het maximaal op te bouwen pensioen (inclusief aow) zal straks 100% van het eindloon mogen bedragen indien wordt doorgewerkt tot (maximaal) het 70e jaar. In het geval waarbij nabestaandenpensioen wordt uitgewisseld tegen ouderdomspensioen kan zelfs een hoger percentage worden bereikt. Ook door ingegane pensioenen te indexeren kan boven de 100% worden uit gekomen; 
  • -evenals nu reeds het geval is, kan op basis van de aanbevelingen een tijdelijk overbruggingspensioen tot aan het 65e jaar worden verzekerd. Dit ter compensatie van het gemis aan aow voor het 65e jaar. Het tijdelijk overbruggingspensioen gaat op zijn vroegst in op de pensioenrichtleeftijd (zie hierna) van minimaal 60 jaar. Het is echter mogelijk om het tijdelijk overbruggingspensioen eerder dan de pensioenrichtleeftijd in te laten gaan, mits actuarieel herrekend tot een lager tijdelijk overbruggingspensioen; 
  • -uitgaande van een eindloonsysteem wordt het opbouwpercentage per dienstjaar gemaximeerd op 2%. Dit is nu nog 1,75% per dienstjaar. Indien er sprake is van een pensioentekort, bedraagt dit percentage nu nog 2,33%. Het zal duidelijk zijn, dat bij een lager opbouwpercentage per dienstjaar het langer zal duren voordat het gewenste pensioen zal zijn opgebouwd. Tezamen met het hiervoor genoemde absolute maximum van 100% van het eindsalaris, vormt het maximale opbouwpercentage van 2% per dienstjaar het kwantitatieve kader van de door de werkgroep aangegeven flexibiliteit. Om uiteindelijk op het zelfde pensioen uit te komen als nu mogelijk is met gebruikmaking van het opbouwpercentage van 2,33% per dienstjaar, is het derhalve noodzakelijk om langer door te werken. Wat dit punt betreft, is het rapport van de werkgroep niet toe te juichen als het gaat om het in staat stellen van werknemers om vrije keuzes te maken. Ik vermoed dat hierover het laatste woord nog niet is gezegd. Indien in plaats van het gebruikelijke eindloonsysteem een middelloonsysteem wordt gehanteerd, waarbij voor de bepaling van het te bereiken ouderdomspensioen wordt uitgegaan van het gemiddelde loon, kunnen hogere opbouwpercentages worden gehanteerd. Dit hangt samen met hetgeen de werkgroep voorstaat indien het gaat om andere dan eindloonsystemen. Alsdan dienen namelijk opbouwpercentages te worden gehanteerd die naar hun pensioenresultaat overeenkomen met 2% per jaar op eindloonbasis; 
  • -de minimale pensioeningangsleeftijd wordt verlaagd van 60 naar 55 jaar. Vanaf deze laatste leeftijd is tevens deeltijdpensioen mogelijk. De minimale pensioenleeftijd die in een pensioenregeling mag worden opgenomen is 60 jaar. Dit is de zogenaamde pensioenrichtleeftijd. Deze leeftijd fungeert als basis voor pensioenberekeningen. Indien de werknemer besluit om eerder – bijvoorbeeld met 55 jaar – met pensioen te gaan, dient het reeds berekende pensioenrecht op actuarile basis te worden gekort, zodat de pensioenuitkeringen lager worden; 
  • -de hoogte van de pensioenuitkeringen kan binnen een bepaalde bandbreedte variëren. Hierdoor is het mogelijk om bijvoorbeeld in de eerste jaren van pensionering een hoger pensioen te genieten dan in latere jaren; 
  • -voortaan kunnen ook variabele beloningsbestanddelen zoals provisies en een ‘auto van de zaak’ onderdeel uitmaken van de pensioengrondslag. Dit opent een groot gebied aan onderhandelingsruimte tussen werkgevers en werknemers; 
  • -het loon dat via een bedrijfsspaarregeling wordt gespaard, kan gedeblokkeerd worden voor de voldoening van pensioenpremies. Dit is een aanknopingspunt voor verdere advisering; 
  • -het zal mogelijk worden om een pensioenregeling aan de belastingdienst voor te leggen ter beoordeling. Mits juist vormgegeven, kan dit waarschijnlijk nog meer mogelijkheden openen om de pensioenregeling naar eigen inzichten in te richten; 
  • -in beginsel zal een te hoge pensioenvoorziening leiden tot een volledige vrijval van het pensioen, zodat over het gehele reeds opgebouwde pensioenkapitaal ineens loonheffing zal moeten worden ingehouden en afgedragen. Aanbevolen wordt, dat pensioenregelingen die onbedoeld bovenmatig zijn, achteraf via een zogenaamde glijclausule in de pensioenregeling kunnen worden aangepast zonder dat dit tot fiscale consequenties zal leiden. Het ligt voor de hand dat ‘het onbedoeld zijn’ zó subjectief is, dat hierover gemakkelijk discussie met de fiscus kan ontstaan. 

Overgangsregeling
Tot slot zal er een overgangsregeling komen voor bestaande pensioen- en vut-regelingen. De oude regelingen moeten binnen vijf jaar na invoering zijn aangepast. Deze aanpassing mag overigens niet leiden tot een (belaste) vrijval van pensioenkapitaal.
Al met al zal het na de invoering van de aanbevelingen mogelijk zijn om meer op de individuele wensen afgestemde pensioenregelingen te ontwerpen. Hierin kan eventueel een bestaande vut-regeling worden geïntegreerd. Om ook vanuit fiscaal oogpunt zoveel mogelijk van de nieuwe regelgeving te profiteren, is het aan te bevelen om de nu bestaande pensioen- en/of vut-regelingen nader te bezien.
en Verzekeringen van Coopers & Lybrand te Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.