nieuws

Meer werk maken van arbeids- reïntegratie bij letselschade

Archief

Het kon na het Audalet-symposium van 6 april jl. over ‘Reïntegratie en personenschade’ niet uitblijven. Er moest na dit macro-achtig opgezette symposium wel een meer concreet ingevulde studiedag volgen over hetzelfde onderwerp. Na de eye-opener, in de vorm van een breed informerend en dus wat vagere en onpraktische inzet in het voorjaar, nu directer en concreter ‘samen studeren’. Audalet slaagde erin deze opzet binnen een halfjaar te realiseren.

door Richard Matthijssen
En zo waren er dan op 11 oktober in het conferentiecentrum VNZ te Zeist 120 vakgenoten bij elkaar om zowel plenair als in discussiegroepen hun vakkennis te verbreden en te verdiepen. Er waren 23 verzekeraars vertegenwoordigd, 20 expertisebureaus, 22 advocatenkantoren en enkele rechtsbijstandverzekeraars en GAK/GMD-vestigingen. Deze 11e oktober was al heel snel volgeboekt. Direct regelde Audalet een herhalingsbijeenkomst, die wordt gehouden op 15 november. Ook deze is inmiddels fors overtekend.
Groeiende belangstelling
Kennelijk heeft letselschaderegelend Nederland begrepen dat de weg van arbeidsreïntegratie bij personenschade belangrijker is (voor alle betrokken partijen) dan tot voor kort werd aangenomen. Het verzekeringsmanagement raakt daarvan duidelijk ook overtuigd. Inmiddels zijn immers bij enkele grote verzekeraars specifieke deskundigen actief met tientallen reïntegratie-zaken en met succes. Ook expertisebureaus beginnen zich te etaleren door in hun dienstenpakket reïntegratie-activiteiten te noemen.
De inleiders
De beide ‘reïntegratie-specialisten’, Joost Verhoeven en Gert Wevers, benaderden het beste de bedoeling van deze studiedag. Zij deden dit door zo concreet mogelijk bezig te zijn met het onderwerp en op die manier daarmee naar de kern te gaan, namelijk daar waar de uitvoering plaats vindt: bij gelaedeerde.
Verhoeven (Interpolis) sprak over ‘Reïntegratie in vogelvlucht’. Zijn verhaal was helder en zat vol met ideeën en praktische tips over aanpak, procedures, wat te doen of na te laten. Hij noemde de benodigde contacten met GAK/GMD, arbeids- en outplacementsbureaus. Hij bepleitte een duidelijke ‘stap voor stap’-aanpak; dus niet alles tegelijk overhoop halen, maar heldere afspraken over wie wat doet en een geregelde evaluatie over: het bereikte, het afgesprokene en de verdere procedure. Verhoeven bleek over een aantal volmachten van zijn werkgever te beschikken, onder meer met betrekking tot toezeggingen voor (om/bij)scholing, (technische) voorzieningen, proefplaatsen en subsidies. Met uitsluitend praten over ideeën en plannen, waarvoor steeds weer fiat verkregen moet worden, kan in dit type activiteiten niet adequaat gewerkt worden, aldus Verhoeven.
Wevers (Centraal Beheer) zou spreken over ‘Specifieke problemen’. Hij begon zijn betoog met een aantal voorbeelden van succesvol reïntegratiewerk, al dan niet in samenwerking met GMD/GAK. Het waren niet allemaal successtories. Wevers schroomt overigens niet om een niet- of minder geslaagde reïntegratie ook succesvol te noemen, want het is volgens hem “heel goed om in de letsel-schaderegeling te weten waar je aan toe bent, en in het kader daarvan twijfels weg te nemen over iemands arbeids(on)mogelijkheden”. Als de bemoeienis van de reïntegratiespecialist resulteert in een goede eindregeling, of een aangepakt studie, een nuttige vrije-tijdsbesteding of desnoods de conclusie “dat het niet lukt”, kan volgens hem van geslaagde activiteiten worden gesproken. Wevers hecht niet zozeer aan alles wat er gebeurd is en wat iemand mankeert. Hij is meer gespitst op wat gelaedeerden zeggen, bedoelen, wensen en willen; zo samen met gelaedeerden de problemen te lijf gaan en oplossen, dat is het. Wevers vindt voorts, dat belangenbehartigers van slachtoffers zich vaak somber tonen over de toekomst van hun cliënten en zich daarbij tevens passief opstellen. Voorts zijn medisch adviseurs te veel gericht op de functionele invaliditeit, de uitvoerders van de sociale verzekering moeilijk benaderbaar voor hun cliënten, en verliezen werkgevers hun (ex-)medewerkers te snel uit het oog.
Theoretischer
Henk Geerdink en Peter Custers hielden een verhaal ‘vanuit’ het op reïntegratie gerichte opleidingscentrum te Hoensbroek. Hun inleiding was wat theoretischer dan die van de beide vorige sprekers. Zij hanteren ook een wat andere taal. Zij hebben het over persoonsgebonden- en omgevingscondities waarnaar gekeken dient te worden. Zij beschikken over worksamples (nabootsingen van werkplekken), casemanagement en screenings-onderzoekmethoden. In dit verband paste ook goed het verhaal en de plaatjes over de Ergos Worksimulator, een hulpmiddel om arbeidsmogelijkheden zo goed mogelijk in beeld te krijgen.
Al luisterend bedacht ik, dat samenwerking tussen praktijkmensen als Joost Verhoeven en Gert Wevers en deze specialisten heel vruchtbaar zou kunnen zijn. Zij hebben elkaar heel wat te vertellen/leren. Instituten als Hoensbroeck, Werkenrode en Heliomare vervullen een belangrijke functie bij reïntegratieprocessen en het onderzoek daarnaar. Voor niet-letselschadespecialisten die wel over AOV-kennis en -ervaring beschikken, is het goed te beseffen, dat er in het algemeen wel degelijk verschillen (in benadering) bestaan tussen AOV en WA-letselschade. De uitwerking van “het duiden van passende arbeid” in het kader van een arbeidsongeschiktheidspolis, waarin de rechten en plichten van verzekerden en verzekeraars in een contract zijn vastgelegd, is toch wat anders dan “het reïntegreren van slachtoffers vanuit een WA-letselschaderegeling”. Van de laatsten mag in ieder geval duidelijk zijn dat zij meer rechten hebben, hoe die dan ook concreet vertaald mogen worden.
Kanttekeningen
Ik wil graag de volgende kanttekeningen maken:
1. Al dit soort (studie)dagen kennen hun beperkingen in tijd; zo ook deze. Aan het slot had ik het gevoel nog nauwelijks te hebben geroken aan alle voorhanden zijnde lesstof. In elk geval waren de groepsdiscussies te kort; er kon niet echt uitdiepend overlegd worden. Hetzelfde geldt in feite voor de plenaire discussies. 2. Er ‘dreigde’ een aardige discussie te ontstaan tussen enerzijds belangenbehartigers van gelaedeerden en anderzijds WA-verzekeraars over de vraag waar de verantwoordelijkheid nu eigenlijk ligt voor het reïntegratieproces. Wie neemt het initiatief, wie stuurt en coördineert? Een belangenbehartiger vond, dat hìj dat moest zijn als de vertegenwoordiger van het slachtoffer. Zijn achterban bleek daarover verdeeld. Een WA-verzekeraar meende, dat wie betaalt bepaalt. Ook hij kreeg daarvoor de handen niet op elkaar. Jammer dat tijdnood ook deze discussie moest inperken. 3. Uit de verf kwam evenmin de beantwoording van de vraag over de zg. overmatige reïntegratiekosten. Handhaving in een bepaald beroep of omschakeling naar andere bezigheden, kan wel eens duurder blijken dan het louter reïntegreren in arbeid op basis van inkomensvergelijking. Met andere woorden: heeft gelaedeerde recht op meer dan alleen (maar) het terugbrengen in de inkomenspositie van vóór het ongeval? Geldt in dit verband in de jaren negentig en verder nog dezelfde stevige schadebeperkingsplicht als voorheen? Gezien de stand van zaken in de jurisprudentie over dit onderwerp – wel casuïstisch gericht – durf ik deze vraag ontkennend te beantwoorden (zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Amsterdamse rechtbank al op 25.09.64, NJ65.42 en VR65.52; eiser was binnen redelijke grenzen vrij in de keuze van zijn beroep; daarom behoefde hij zich niet uitsluitend te richten op de voor gedaagde in de naaste toekomst minst nadelige mogelijkheden). 4. Aardig was ook een korte discussie naar aanleiding van de vraag hoe te handelen met gelaedeerden “die niets zouden willen, die niet gemotiveerd zouden zijn om mee te werken aan hun reïntegratie”. De eerste spontane reacties waren het duidelijkst. Die kwamen er ongeveer op neer, dat het jammer was voor dat slachtoffer, maar dat hij/zij dat dan wel zou terugvinden bij de afrekening. Henk Geerdink (opleidingscentrum Hoensbroeck) was daar (terecht) genuanceerder over. Hij is van mening, dat niemand “zomaar niets wil”; achter zo’n houding zit iets dat partijen – ook gelaedeerde – zich bewust moeten worden. Daar zijn diverse mogelijkheden voor, in Amerika bestaan er zelfs al trainingen voor (let op de fraaie omschrijving:) “een ontmoedigingsbeleid voor demotivatie”. 5. Grappig was nog het volgende. Een van de discussievragen luidde: “Is een letselschaderegelaar c.q. -behandelaar toegerust om reïntegratiewerkzaamheden te verrichten?” Antwoord van een deelnemer in mijn discussiegroep: “Op weg naar deze studiedag vond ik van wel, nu niet meer”.
Tenslotte
Als ik het voorgaande nog eens op mij laat inwerken, dringt zich, evenals in het afgelopen voorjaar, één conclusie op, namelijk: doorgaan met dit onderwerp; zorgen dat wij in de letselschaderegeling veel meer kennis en praktijkervaring gaan opdoen over reïntegratie.
Wim Lups (Audalet) liet ons aan de hand van enkele rekenvoorbeelden zien welke bedragen geheel verantwoord te investeren zijn in reïntegratie-arbeid. Het gaat in deze niet om grote aantallen personen, maar voor elke zaak staat een aanzienlijk financieel vermogen. Ik stel nu vast, dat Audalet in het voorjaar 1994 een breed symposium organiseerde over ‘reïntegratie als instrument bij de regeling van personenschade’, dat Audalet in het najaar 1994 aansluitend en op verzoek van de achterban studiedagen verzorgde over ‘arbeidsreïntegratie in de letselschaderegeling’; wederom bleef heel veel liggen. Daarom is nu de behoefte nog sterker geworden aan een echte cursus over dit onderwerp. Die kan mijns inziens heel goed worden ontwikeld in samenwerking met het SVV en Hoensbroeck. Wanneer is de eerste cursusdag? In mei of in september 1995?
Sinds zijn pensionering houdt hij zich bezig met de opleiding van arbeidsdeskundigen.
Een van de talrijke vragenstellers tijdens de jongste studiedag van Audalet, die een rijk geschakeerd deelnemerspubliek trok.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.