nieuws

Meer duidelijkheid over pensioenaangroei

Archief

In augustus zijn twee belangrijke vraag en antwoordbesluiten verschenen. Het ministerie van Financiën heeft alle vragen die vanuit de praktijk zijn gesteld nog eens op een rijtje gezet en heeft deze vervolgens beantwoord. Het eerst verschenen besluit ziet op de zogenoemde pensioenaangroei en het tweede besluit op inkomensvoorzieningen in het algemeen.

door Helga van Bijnen
Alvorens in te gaan op de vragen en antwoorden nog even kort de algemene regels bij lijfrentepremieaftrek. Het is dit jaar nog toegestaan een klein bedrag ad e 1.069 (2002) ongetoetst als betaalde lijfrentepremie in mindering te brengen op het belastbaar inkomen. Vervolgens heeft een belastingplichtige nog recht op aftrekmogelijkheden als hij kan aantonen dat sprake is van een pensioentekort. Hij kan gebruikmaken van de ‘jaarruimte’ en van de ‘inhaalruimte’.
Bij de bepaling van de jaarruimte wordt berekend of de aangroei van de oudedagsvoorziening (pensioen en/of FOR) in verhouding staat tot het inkomen in dat kalenderjaar. Is dat niet het geval, dan kan gebruik worden gemaakt van de jaarruimte. De inhaalruimte (ook wel reserveringsruimte genoemd) is het totaalbedrag van de in de afgelopen zeven jaren onbenut gebleven jaarruimte en kan jaarlijks tot een bepaald maximum worden benut.
Bij de bepaling van de in aanmerking te nemen aftrekbare premie voor lijfrenten in de jaarruimte, is met name van belang de pensioenaangroei die het gevolg is van de toename van de diensttijd in dat jaar. Onder het begrip diensttijd, zoals dat is opgenomen in de definitie van de jaarruimte, wordt verstaan alle perioden die meetellen voor de opbouw van de pensioenrechten: de zogenoemde pensioenjaren. Hierbij maakt het niet uit of een belastingplichtige in één of meer van die perioden recht heeft op premievrijstelling wegens bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid.
Pensioenaangroei
Bij beschikbare-premieregelingen wordt niet de daadwerkelijke pensioenaangroei in aanmerking genomen – deze is immers moeilijk vast te stellen – maar een fictieve, forfaitaire pensioenaangroei. Deze aangroei wordt berekend door de premies die in het betreffende jaar zijn betaald, te vermenigvuldigen met factoren uit de daarvoor speciaal opgestelde tabel.
In beginsel is voor de berekening van de pensioenaangroei slechts de premie die is toe te rekenen aan het levenslange ouderdomspensioen van belang. Echter bij beschikbare-premieregelingen dient de totale premie voor het levenslange ouderdoms- en nabestaandenpensioen in aanmerking te worden genomen. Bij de hiervoor reeds genoemde tabel wordt namelijk op grond van deze totale premie de stijging van het levenslange ouderdomspensioen op een fictieve wijze berekend. Bij de factoren is reeds rekening gehouden met het feit dat een deel van de premie ziet op het nabestaandenpensioen. Voor de toepassing van de tabel moet het premiedeel voor het nabestaandenpensioen niet uit de totaalpremie worden gehaald.
Bij een hybride pensioenregeling is géén sprake van een gegarandeerd pensioen, maar wordt wel gestreefd naar een middelloon- of eindloonpensioen. Een hybride pensioenregeling wordt op grond van een besluit van 2 juli 2001 beschouwd als een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd pensioen. Het is opmerkelijk dat de hybride pensioenregeling voor de bepaling van de pensioenaangroei níet als een beschikbare-premieregeling wordt beschouwd, maar als een middelloon- of eindloonregeling. Niet de factoren uit de tabel moeten worden toegepast, maar het opbouwpercentage van het kalenderjaar moet worden vermenigvuldigd met de pensioengrondslag van het betreffende kalenderjaar.
Pensioenopgave
Volgens de staatssecretaris van Financiën kan een wijziging die heeft plaatsgevonden na het verstrijken van het kalenderjaar nog gevolgen hebben voor de pensioenaangroei van dat betreffende kalenderjaar. Verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen moeten vóór 1 juni (binnen vijf maanden) van het jaar volgend op het kalenderjaar aan de verzekerde werknemer een pensioenopgave verstrekken. Voor de jaren 2001 en 2002 is deze termijn verlengd tot 1 november van het jaar volgend op het kalenderjaar.
Deze opgave moet de gegevens bevatten die op dat moment bekend zijn. Als achteraf blijkt dat in de opgave verkeerde gegevens zijn opgenomen, dan moet er alsnog een gecorrigeerde opgave worden verzonden. Deze (tweede) opgave, die de belastingplichtige moet gebruiken om zijn jaarruimte te berekenen, moet binnen een redelijke termijn worden verstrekt. Als redelijke termijn wordt door de staatssecretaris een termijn van twee maanden aangegeven.
Uitruil en inkoop
Een belastingplichtige heeft de mogelijkheid zijn overbruggingspensioen of prepensioen uit te ruilen voor een levenslang ouderdomspensioen. Voor de berekening van de pensioenaangroei kan deze uitruil van tijdelijke pensioenrechten van belang zijn.
Voor zover de omzetting ziet op tijdelijke rechten die zijn opgebouwd in de jaren vóórafgaand aan het kalenderjaar van omzetting, heeft de omzetting geen gevolg voor de hoogte van de pensioenaangroei. Alleen wanneer de uitgeruilde tijdelijke rechten zijn opgebouwd in hetzelfde kalenderjaar, moet de daaruit ontstane aanspraak op levenslang ouderdomspensioen in aanmerking worden genomen. Let op: deze omzetting kan niet alleen gevolgen hebben voor de berekening van de jaarruimte maar ook voor het terugnemen van reeds in het verleden betaalde lijfrentepremies!
Het voorgaande geldt evenzeer bij de inkoop van dienstjaren. Hierbij moet ten aanzien van het terugnemen van lijfrentepremies nog worden opgemerkt, dat het slechts plaatsvindt voorzover er dienstjaren met ingang van het jaar 2001 worden ingekocht. Alleen komt hier nog bij dat de inhaalruimte verminderd zou kunnen worden.
Negatieve uitgaven
Op grond van een bepaling die met ingang van 1 januari 2001 in de wet is opgenomen, kan er bij pensioenverbetering sprake zijn van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Als het pensioentekort waarop de mogelijkheid van premieaftrek was gebaseerd nadien door een verbetering van het pensioen wordt gerepareerd, worden de premies en de daaraan toe te rekenen rendementen in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Nu wordt door de staatssecretaris toegezegd dat deze bepaling slechts geldt voor bedragen die op grond van de jaarruimte en de inhaalruimte in mindering zijn gebracht. Dat betekent dat de bedragen die op grond van de oude regels (zoals die golden tot en met 31 december 2000) in mindering zijn gebracht, buiten deze bepaling vallen.
Echter op grond van het in de wet opgenomen overgangsrecht kan er in de inhaalruimte rekening worden gehouden met de pensioentekorten die zien op de jaren 1994 tot en met 2000. Een verbetering van een pensioentekort dat ziet op jaren vóór 2001 en op basis waarvan in de jaren 2001 en volgende in de inhaalruimte extra lijfrentepremies zijn afgetrokken, kan ook tot het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen leiden.
Tot het moment van het verschijnen van de beide besluiten waren wij er altijd vanuit gegaan dat een pensioenverbetering gevolgen kon hebben voor lijfrentepremies die in het verleden op grond van de zogeheten tweede en de derde tranche in mindering zijn gebracht. Zo blijkt maar weer dat de twee besluiten dus niet alleen duidelijkheid scheppen, maar ook nog eens ‘begunstigend beleid’ overbrengen.
van PriceWaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.