nieuws

‘Marktwerking vereist veel meer vrijstellingen bij bedrijfstakpensioenfondsen’

Archief

Marktwerking in de pensioensector maakt minstens een forse verruiming noodzakelijk van vrijstellingen van de verplichte deelname aan bedrijfstakpensioenfondsen, betoogde staatssecretaris R. Linschoten van sociale zaken en werkgelegenheid in de jaarvergadering van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen.

Om tot die verruiming te komen denkt hij in de eerste plaats aan de instelling van een onafhankelijk orgaan waarbij werkgevers in beroep kunnen gaan. “Dat college kan de afwijzing van vrijstelling door het bedrijfstakpensioenfonds toetsen op redelijkheid en billijkheid”.
“Voorts vind ik het belangrijk dat een werkgever, wanneer hij een flexibele pensioenregeling wil en het bedrijfstakpensioenfonds onvoldoende keuzemogelijkheden biedt, vrijstelling moet kunnen krijgen. In zo’n geval is een globale toets van de gelijkwaardigheid van de betrokken pensioenregelingen uiteraard vereist”.
Zeer plausibele reden
Linschoten vervolgde: “Ook een reden voor vrijstelling in het kader van de marktwerking kan zijn dat een andere pensioenuitvoerder lagere uitvoeringskosten in rekening brengt dan het bedrijfstakpensioenfonds. Dat is een zeer plausibele reden om uit het pensioenfonds te treden”.
De staatssecretaris verwacht dat alleen al de verruiming van vrijstellingsmogelijkheden invloed zal hebben op de marktwerking en dat deze de bedrijfstakpensioenfondsen, waar dat nodig is, zal aanzetten tot een klantvriendelijker beleid. “In dat opzicht is het een goede zaak dat ze moeten gaan concurreren”.
Zoals bekend hebben staatssecretaris Linschoten en minister drs G. Zalm van Financiën aan de betrokken organisaties van pensioenuitvoerders (bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen en verzekeraars) gevraagd hoe de marktwerking in de pensioensector kan worden verbeterd. Tevens hebben de bewindslieden bij hen het oordeel gevraagd over hun voorstel voor een nieuwe terreinafbakening voor verzekeraars en pensioenfondsen. Zodra alle adviezen binnen zijn, zal het kabinet zijn standpunt bepalen, zei Linschoten.
Versoberingen
Bij het onderwerp marktwerking in de pensioensector vindt Linschoten een belangrijke vraag of bij de huidige ‘institutionele structuur’ (bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen en verzekeraars) versoberingen kunnen worden gerealiseerd in de pensioenregeling of dat daarin te grote belemmeringen ingebakken zijn.
Bij de verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen is de band tussen ondernemer en pensioenregeling wat losser en dat kan tot nadeel hebben dat de regeling te weinig wordt versoberd of, anders gezegd, dat er niet genoeg tot herverdeling van de pensioenmiddelen wordt overgegaan, vindt Linschoten. “Naar mijn mening zou het ook niet van marktwerking getuigen als alles wat de overheid afbouwt, in de wettelijke sociale verzekeringen klakkeloos via de verplichtstelling weer wordt afgedekt in de aanvullende pensioensfeer. U begrijpt het al: ik doel hiermee op het WAO-gat”.
De staatssecretaris wil meer marktwerking om de bedrijfstakpensioenfondsen meer klantgericht te laten handelen en om de kostenbewustheid bij de burgers te vergroten.
“De financiering van de pensioenregeling door middel van werknemersbijdragen leidt tot meer kostenbewustheid bij de werknemers”, aldus Linschoten. Met het oog op een nieuwe terreinafbakening hebben bewindslieden een nadere definiëring van het begrip ‘pensioentoezegging’ voorgesteld. Deze nadere definiëring ruimt volgens hem alle belemmeringen voor fondsen inzake kostenbewustheid uit de weg. “Uitbreiding van individuele keuzemogelijkheden, dus flexibliisering, houdt ook meer marktwerking in”.
Het kabinet wil bij bedrijfstakpensioenfondsen de verplichtstelling van het invaliditeitspensioen schrappen en zal bekijken of dat tezijnertijd ook moet gebeuren voor het nabestaandenpensioen.
Terreinafbakening
De voorgestelde nadere terreinafbakening wordt volgens de staatssecretaris grosso modo in de gevraagde adviezen onderschreven.
In het voorstel moet de toezegging van de werkgever voortvloeien uit de arbeidsrelatie en moet de financiering aan de pensioenuitvoerder lopen via de werkgever. De hoogte van de werkgeverspremiebijdrage (nu minimaal 50%) is niet meer relevant.
Wanneer fondsen vrijwillige voorzieningen blijven uitvoeren, binnen het raam van de pensioenregeling en na beëindiging van de deelneming, geldt volgens Linschoten in de nieuwe afbakening de voorwaarde dat de werkgever deze vrijwillige voorzieningen hetzelfde behandelt als het door hem toegezegde pensioen, dus bij voorbeeld dezelfde indexering toepast bij beide. Voorts moet volgens de staatssecretaris de PSW van toepassing worden verklaard op deze voorzieningen. Dan geldt bijvoorbeeld bij echtscheiding de bepaling dat een deel van de vrijwillig opgebouwde voorziening toekomt aan de gewezen echtgenoot.
“Met deze nadere definiëring wordt bereikt dat er zowel voor de werkgever als voor de werknemer financiële gevolgen zijn verbonden aan het treffen van vrijwillige voorzieningen bij het fonds”, aldus de staatssecretaris. “En er wordt ook mee bereikt dat er vanwege die consequenties aanleiding kan zijn om meer vrijblijvend de gewenste aanvullingen onder te brengen bij een verzekeraar in plaats van bij een fonds”.
Linschoten verwacht dat hij samen met de minister van financiën op korte termijn via een nadere definiëring in een uitvoeringsregeling op grond van artikel 13 WTV tot een nieuwe terreinafbakening kan komen.
Rentestandskorting
Een goede ontwikkeling is volgens de staatssecretaris dat bij nieuwe pensioenverzekeringen veelal geen rentestandskortingen meer worden overeengekomen. Dit in verband met voorgeschreven rekenregels bij het recht op pensioenwaardeoverdracht. Vanaf juli 2004 moet de overdrachtswaarde worden gebaseerd op een rekenrente van 4%. “Het zou van werkgevers wel erg kortzichtig zijn om zich bij het aangaan van een contract door een korting te laten verleiden, die ze vervolgens bij ontslag van de deelnemer zelf weer moeten bijfinancieren”, aldus Linschoten. “Deze ontwikkeling beschouw ik als een bewijs dat de markt in staat is zelf te komen tot de noodzakelijke bijstellingen”.
De financiering gedurende de resterende dienstjaren van pensioenverhogingen over verstreken dienstjaren (’65-x-systeem’) levert volgens de staatssecretaris het gevaar op dat bij waarde-overdracht in geval van tussentijds vertrek van werknemers een aanvullende financieringslast rust op de oude werkgever. Vooral bij ondernemingen en bedrijfstakken in zwaar weer, waar veel werknemers vertrekken, is dat een reëel gevaar. In de komende wijziging van de PSW (‘tweede fase’) zal worden voorgeschreven dat de pensioenverhogingen meteen worden ‘afgefinancierd’. De bestaande aanspraken mogen gefinancierd blijven worden volgens het oude systeem.
Staatssecretaris R. Linschoten (rechts) en mr R. ten Wolde, secretaris van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen tijdens de jaarvergadering.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.