nieuws

Makelaarskantoor loog zwart-op-wit over feitelijk leider assurantietak

Archief

Onlangs heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven uitspraak gedaan ten aanzien van een voorgenomen doorhaling van een SER-inschrijving van een makelaarskantoor. Tegen het besluit tot doorhaling was eind 1993 bij dit College beroep ingesteld. Op 1 februari 1994 had de SER een verweerschrift ingediend. Ruim een jaar later, op 9 februari 1995, werd de zaak door het College behandeld. De uitspraak is begin deze maand gepubliceerd.

In wezen speelde de zaak al in de tweede helft van de jaren tachtig.
In januari 1986 werd het betrokken makelaarskantoor ingeschreven in het B-register van de SER. Als feitelijk leider fungeerde X. Per 1 augustus 1987 vertrok X als medewerker bij het kantoor. Bij beschikking van 9 november 1987 besloot de SER de inschrijving door te halen. Nadat het kantoor beroep had ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven werd de doorhaling opgeschort tot 1 juli 1988. Op 15 september 1988 werd ene Y door de SER geaccepteerd als feitelijk leider van de assurantietak van het betrokken makelaarskantoor. Op 17 oktober 1988 berichtte Y de SER dat hij met ingang van die datum was ontslagen. De volgende dag kondigde de SER opnieuw doorhaling van de inschrijving aan. Op 22 november 1988 berichtte het makelaarskantoor, dat de heer Z als feitelijk leider was aangetrokken. Deze opgave werd een maand later door de SER geaccepteerd. Op 16 januari 1989 berichtte het kantoor de SER, dat het dienstverband met Z na de proeftijd is voortgezet.
Onderzoek ECD
De jaren verstreken, totdat in het voorjaar van 1993 de Economische Controledienst een onderzoek instelde naar de bedrijfsvoering van het betrokken kantoor. Uit het terzake opgemaakte rapport bleek, dat Z nimmer bij het kantoor in dienst was geweest!
Naar aanleiding van dit rapport besloot de SER op 15 juni 1993 wederom tot doorhaling van de inschrijving. Een daartegen ingediend verweerschrift werd op 10 november 1993 door de SER verworpen. Vervolgens diende het makelaarskantoor een verzoekschrift in bij het College van Beroep.
‘Directeur overspannen’
De leugenachtige handelwijze rond de jaarwisseling van 1988/1989 werd door de advocaat van het makelaarskantoor verdedigd met het argument, dat de directeur van het kantoor in die periode overspannen was.
De gemachtigde van de SER bracht hier tegen in: “Of er medisch gezien sprake was van overspannenheid bij de heer J. en/of deze overspannenheid had kunnen leiden tot de laakbare handelwijze van de heer J. laat ik in het midden daar dit niet meer relevant is. Immers, zijn overspannen toestand is kennelijk eind 1989 beëindigd. Vanaf dat moment had uw cliënt in ieder geval de SER kunnen inlichten omtrent de feitelijke situatie”. In het beroepschrift betoogde het makelaarskantoor, dat de SER onredelijk is geweest door te weigeren de doorhaling op te schorten tot 1 mei 1994, aangezien medewerkster W. in april 1994 het B-examen zou afleggen. Voorts zou het kantoor recht hebben op een verklaring van vakbekwaamheid zoals bedoeld in art. 4, lid 8 van de Wabb, aangezien het “aan de eisen daarvoor voldoet, voor zover deze eisen juist zijn”.
Goede gronden
Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek de doorhaling op te schorten, overweegt het College dat de SER zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval de studie van een van de medewerksters voor het B-examen niet kon worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Het kantoor is immers sinds 1988 in de gelegenheid geweest de situatie in het bedrijf in overeenstemming te brengen met de terzake geldende bepalingen, maar heeft die gelegenheid niet benut. Ten tijde van de bestreden beschikking kon de SER in redelijkheid weigeren nogmaals een termijn te gunnen. Hierbij wordt door het College nog opgemerkt, dat conform art. 9, lid 2 Wabb de naam van het kantoor tot dusverre niet kon worden doorgehaald, zodat de gevraagde opschortingstermijn in feite ruimschoots is gegund. De medewerkster heeft evenwel het examen niet gehaald. Het geheel overziende, besluit het College het beroep te verwerpen. Het argument dat aan het kantoor een verklaring van vakbekwaamheid conform art. 4, lid 8 van de Wabb had moeten zijn verstrekt, is volgens het College niet aan de orde. Dat was geen aspect in de bestreden beschikking van de SER. Zaaknummer 93/1830/021/001

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.