nieuws

Maatregelen zijn onvoldoende om doel ‘langer werken’ te bereiken

Archief

De werkende bevolking moet nog een paar jaartjes aan de loopbaan vastplakken. Althans, dat wil het kabinet. Het beleid is erop gericht om door belastingheffing over premies en aanspraken de vut en het prepensioen zo onaantrekkelijk te maken, dat ze worden afgeschaft en de pensioenleeftijd 65 jaar wordt. Maar de uiteindelijke beslissing daarover blijft in handen van sociale partners. Volgens Alfred Lagendijk van PricewaterhouseCoopers is het pakket aan maatregelen “volstrekt onvoldoende” om het door het kabinet beoogde doel te bereiken.

Alfred Lagendijk
De gevolgen van het afschaffen van de fiscale aftrek voor vut en prepensioen, per 1 januari 2006, zijn ingrijpend. Het werknemersdeel van vut-premies is niet meer aftrekbaar, terwijl het werkgeversdeel belast is tegen een tarief van 52%. De vut-uitkeringen zijn volledig belast tegen het progressieve tarief.
Bij prepensioen zijn de premies voor het werknemersdeel niet meer aftrekbaar en de premies voor het werkgeversdeel belast. Voor 57-plussers is een overgangsrecht gemaakt, waardoor er niets hoeft te veranderen. Zij houden hun fiscale aftrek. Werknemers kunnen, mits de uitvoerder het toestaat, hun recht op prepensioen afkopen. Uitvoerders moeten een opgave gaan verstrekken van de waarde van het prepensioen.
Daarnaast wordt de fiscale vrijstelling voor gouden handdrukken (stamrechtvrijstelling) afgeschaft, waardoor ontslagaanspraken altijd ineens worden belast. Tegelijkertijd wordt met ingang van volgend jaar maart de gouden handdruk gekort op de WW-uitkering. Overigens, naar het zich laat aanzien willen de (coalitie)partijen in de Tweede Kamer de voorgenomen korting op de WW teniet doen. In het vervolg op de afschaffing van het prepensioen vervalt ook de fiscale faciliteit voor de overbruggingslijfrente.
Compensatie
De vraag is welke prijs werkgevers en werknemers bereid zijn te betalen. Een aantal onderhandelaars en ondernemingsraden neemt nu al de positie in, dat zij bestaande vut- en prepensioenregelingen niet willen afschaffen. Zij zullen, als een werkgever deze afschaffing wel wil, compensatie eisen voor het wegvallen van de werkgeversbijdrage voor vut en prepensioen, met als gevolg hogere loonkosten.
De fiscale claim betekent dat het opgebouwde prepensioen wordt belast in box 3 met een vermogensrendementsheffing van 1,2% per jaar over de opgebouwde waarde. Vutters bouwen niets op, en hebben met deze heffing alleen te maken in de uitkeringsfase. De vermogensrendementsheffing kent een vrijstelling van bijna e 20.000 per persoon. Door deze heffing ontstaat een inkomensachteruitgang die, berekend over de uitkering, tussen de 5% en 15% hiervan bedraagt. De inkomensachteruitgang kan oplopen tot 40% afhankelijk van persoonlijke omstandigheden, zoals hoge ziektekosten, hypotheekrenteaftrek en alimentatieverplichtingen. Daarnaast zijn er nog andere elementen die de belastingdruk flink kunnen beperken, zoals andere inkomsten, bijvoorbeeld uit lijfrente.
Compensatie zal evenzeer gezocht worden voor de afschaffing van bestaande afvloeiingsregelingen, die om economische en sociale redenen zijn ingevoerd. Vanuit economisch perspectief worden hierin de kosten en opbrengsten van behoud of afvloeiing van een oudere werknemer afgewogen tegen de loonkosten en opbrengsten van een jongere werknemer. Vanuit sociaal perspectief gaat het om de werkgelegenheid in de sector, en de mate waarin oudere werknemers in staat zijn om hun beroep na hun zestigste nog te blijven uitoefenen. Werkgevers en werknemers zullen hun beleid herijken, daarin de belastingclaim laten meewegen en wellicht verdelen, en vervolgens veelal concluderen dat het verstandig is om het bestaande beleid te handhaven of iets bij te stellen.
Levensloop
De kritiek op de levensloopregeling is al een jaar niet van de lucht, en houdt onder meer in dat de regeling een speeltje is voor de rijke bovenlaag van de werkende bevolking. Welke werknemer met een partner en opgroeiende kinderen met een inkomen van e 30.000 is immers in staat 12% van zijn inkomen in de levensloop te storten?
Een werknemer kan – weliswaar uit eigen zak – een bijdrage betalen waarmee hij kan sparen voor verlof. Gespaard mag immers worden 12% van het jaarsalaris, met een plafond van anderhalf jaarsalaris. Er is geen jaarlijks maximum voor vijftigplussers, evenals voor afgekochte prepensioenen die in de levensloopregeling worden gestort. De uitvoering vindt plaats door verzekeraars en banken en (vooralsnog) niet door pensioenfondsen; een werknemer kan zelf kiezen voor een uitvoerder.
Een werknemer kan eveneens kiezen tussen spaarloon en levensloop. Omzetting van de levensloopregeling in pensioen is te allen tijde mogelijk. Het wetsvoorstel laat de werkgever de ruimte om aan de levensloopregeling eventueel een financiële bijdrage te leveren, en zelfs één die is gebaseerd op solidariteit. Dit is een probaat middel om vervroegde pensionering of een pensioenaanvulling te realiseren, en dus niet alleen weggelegd voor meer dan drie maal modaal.
Pensioengevolgen
Ik verwacht dat bij veel pensioenregelingen gebruik gemaakt gaat worden van de tot nu toe nog niet benutte fiscale ruimte, zoals pensioenopbouw over niet vaste loonbestanddelen. Dit leidt tot extra pensioenopbouw, die ook naar voren kan worden gehaald voor vervroegde pensionering. Ook de genoemde compensatie in de vorm van salarisverhoging geeft aanleiding tot pensioenverbetering. Deze verbetering kan eveneens worden aangewend voor vervroegde pensionering.
De regering heeft het belastingbudget aangewend als beleidsmiddel om Nederland te dwingen langer door te werken. Mijn conclusie is dat dit volstrekt onvoldoende is. De sociale partners gaan nu immers bepalen of iemand langer doorwerkt. De belangen die daar spelen, zijn van een heel andere aard dan de doelstelling die de regering voor ogen heeft bij de bepaling van haar beleid. De maatregelen zoals nu aangekondigd, zijn hooguit effectief als flankerend beleid.
Als werkgevers en werknemers op grote schaal besluiten om de vut en prepensioenregelingen in stand te laten, zal dat onherroepelijk leiden tot een aanzienlijke verzwaring van de administratieve lastendruk bij werkgevers, pensioenuitvoerders en de belastingdienst. Namelijk:
werkgevers moeten zowel belaste als onbelaste premies gaan inhouden op het salaris;pensioenuitvoerders moeten zowel belaste als onbelaste uitkeringen gaan verstrekken en een waarde-opgave voor box 3 verstrekken;de belastingdienst zal splitsingsbeschikkingen aan werkgevers voor de loonbelasting moeten verstrekken voor de belaste en onbelaste pensioenaanspraken.Daarnaast hebben pensioenfondsen splitsingsbeschikkingen nodig voor de vennootschapsbelasting en werknemers een beschikking voor het ontvangen van onbelaste uitkeringen.van PricewaterhouseCoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.