nieuws

Looptijd gouden handdruk-stamrecht

Archief

Hoe krijg ik mijn periodieke uitkering in zo kort mogelijke tijd uitgekeerd? Een vraag die adviseurs nogal eens wordt voorgelegd. Met name bij periodieke uitkeringen in verband met stamrecht bij ontslaguitkeringen – het zogeheten gouden handdruk-stamrecht – is het antwoord niet eenvoudig. In dit artikel wordt uitgelegd hoe door berekening van de sterftekans de looptijd verkort kan worden.

door mr drs R.M.J.M. de Greef
Om van periodieke uitkeringen te kunnen spreken, worden twee eisen gesteld. Ten eerste aan het periodieke element, al worden hieraan feitelijk geen formele eisen gesteld. Twaalf maandelijkse uitkeringen gelden al als periodiek. De tweede eis is de onzekerheidseis: de minimale hoogte van de sterftekans. Vooral een probleem bij het gouden handdruk-stamrecht.
Deze sterftekans bepaalt de duur van de looptijd van de periodieke uitkeringen. En die looptijd wil de verzekerde vaak zo kort mogelijk hebben. Des te eerder hij over het geld beschikt, des te minder kans hij loopt dat uitbetaling door overlijden van de rechthebbende uitblijft en de verzekeraar het geld in de zak mag houden.
Sterftekans
Om te kunnen spreken van een periodieke uitkering, moet de kans dat de verzekerde gedurende de looptijd van de verzekering overlijdt, reëel zijn. Onder reëel wordt ongeveer 1% verstaan. Uit jurisprudentie is een door de Hoge Raad goedgekeurd geval bekend, waarbij de sterftekans 0,94% bedroeg.
De huidige wettelijke lijfrentevormen kennen een dusdanige combinatie van leeftijd en looptijd, dat in vrijwel alle gevallen het sterfterisico voldoende is. Ten aanzien van de tijdelijke nabestaandenlijfrente worden geen eisen gesteld aan de einddatum van de periodieke uitkeringen.
Dit is echter anders als besloten wordt de periodieke uitkeringen toe te laten komen aan bepaalde, tot de familiekring behorende personen. In dat geval moeten de uitkeringen eindigen op het moment dat het gerechtigde familielid de leeftijd van 30 jaar bereikt, dan wel bij diens overlijden.
Deze laatste eis kan er toe leiden dat de sterftekans te gering is om nog te kunnen spreken van een periodieke uitkering. Op deze manier zou deze vorm van wezenpensioen in veel gevallen niet toegepast kunnen worden.
De staatssecretaris van Financiën heeft dit probleem echter onderkend en heeft in zijn resolutie van 21 april 1994 goedgekeurd, dat in dit specifieke geval toetsing achterwege mag worden gelaten. Kortom: er mag (fictief) van worden uitgegaan dat de sterftekans te allen tijde voldoende is.
Gouden handdruk
Echter, de eis dat sprake moet zijn van een voldoende sterfterisico geldt niet alleen voor lijfrenten in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting. Deze eis geldt voor alle soorten periodieke uitkeringen, waaronder het stamrecht bij ontslaguitkeringen (het gouden handdruk-stamrecht). Het is voor de adviseur dan ook zaak om hierbij stil te staan op het moment dat samen met de cliënt de looptijd van de stamrecht-uitkeringen wordt bepaald.
In de casus hieronder wordt uitgegaan van een situatie waarbij sprake is van een meeverzekerde nabestaande.
Berekening sterftekans
Bij de berekening van de sterftekans is allereerst het moment van berekenen van belang. In het algemeen geldt, dat als het verzekerde lijf nog onbekend is op het moment van afsluiten van de overeenkomst, de sterftekans pas kan worden berekend op het moment dat de uitkeringen een aanvang nemen. Op dat moment staat pas vast wie het verzekerde lijf is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van vóór 1 januari 1992.
Is daarentegen sprake van een zuivere of gerichte lijfrente waarbij het verzekerde lijf bekend is, dan is het berekenen van de sterftekans en daarmee de minimale looptijd al mogelijk op het moment van het aangaan van de overeenkomst. In het geval van gouden handdruk-stamrechten geldt in beginsel dezelfde redenatie, als van tevoren bekend is wie het verzekerde lijf is.
Traditionele methode
Afgezien van de vraag op welk moment de sterftekans berekend dient te worden, bestaan er diverse methoden om de hoogte van de sterftekans te berekenen in het geval er sprake is van meeverzekerde nabestaanden. De traditionele methode houdt in dat de sterftekansen van de individuele verzekerden met elkaar worden vermenigvuldigd. Er is dan sprake van een samengestelde sterftekans.
Indien sprake is van een meeverzekerde nabestaande, dient de looptijd 18 jaar te bedragen als de man 45 jaar is en de vrouw 5 jaar jonger is. Deze minimale looptijd geeft een sterftekans van minstens 1%. Als de man 55 jaar is en zijn vrouw 50 jaar, bedraagt de minimale looptijd – bij een samengestelde sterftekans van 1,03% – 10 jaar. Bij een 65-jarige man en diens 60-jarige vrouw, bedraagt de minimale looptijd nog 5 jaar.
Zonder nabestaande is de minimale looptijd veel korter. Bijvoorbeeld bij een man van 45 jaar bedraagt de minimale looptijd 4 jaar, teneinde een voldoende grote sterftekans te krijgen. Bij een man van 60 jaar is de minimale theoretische looptijd nog slechts 1 jaar.
Horizontale splitsing
Indien sprake is van twee verzekerden, is het zuiverder om er vanuit te gaan dat sprake is van twee verschillende periodieke uitkeringen: één periodieke uitkering voor de oudedag en één periodieke uitkering voor de nabestaande. Van beide periodieke uitkeringen moet de sterftekans afzonderlijk worden berekend.
Deze kansen worden niet met elkaar vermenigvuldigd, maar moeten afzonderlijk worden beschouwd. In het geval van de uitkering voor een nabestaande kan deze kans pas worden berekend op het moment dat de eerste verzekerde is overleden.
Looptijd verkorten
Het ligt naar mijn mening voor de hand om deze methodiek ook toe te passen voor de gouden handdruk-stamrechten. Ook dan dient een splitsing te worden gemaakt in twee afzonderlijke aanspraken (=horizontale splitsing).
Nu de afzonderlijke sterftekansen niet met elkaar worden vermenigvuldigd, zal de minimale looptijd aanzienlijk korter uitvallen dan het geval is bij de traditionele methode. Een uitgelezen mogelijkheid om een zo kort mogelijke looptijd te realiseren en de toegevoegde waarde als adviseur te laten zien aan de consument. Een verkorting van de looptijd zal door de verzekeraar evenwel minder als ‘toegevoegde waarde’ worden gezien. Roland de Greef, Fiscale Sectie Pensioenen en Verzekeringen van Coopers & Lybrand te Amsterdam

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.