nieuws

Lijfrente wel of niet in het ‘oude regime’?

Archief

Tegen het einde van de vorige eeuw heeft de fiscus vele huisbezoeken afgelegd bij diverse verzekeringsmaatschappijen. De Belastingdienst was op zoek naar polissen die rond 15 oktober 1990 zijn afgesloten. Doel van het onderzoek was na te gaan of de in deze polissen belichaamde verzekeringen daadwerkelijk vóór of op 15 oktober 1990 tot stand waren gekomen.

Door Alfred Lagendijk en Helga van Bijnen
De Belastingdienst had het vermoeden dat er zo her en der wel eens gerommeld zou kunnen zijn met de datumvermelding op de polissen. Voor polishouders zou het zeer gunstige overgangsrecht daartoe aanleiding kunnen zijn. Het ‘oude regime’, zoals dat gold voor de invoering van de Brede Herwaardering (1 januari 1992), was aanzienlijk voordeliger dan de regimes na deze datum.
De voordelen van het oude regime voor lijfrenteverzekeringen, veelal kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule, zijn met name: de hoge maximale aftrek van de premie (e 9.788), de vrijheid van begunstiging, uitkeringsduur, hoogte en ingangsdatum. En niet te vergeten: bij afkoop is er geen sprake van een negatieve persoonlijke verplichting/negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat veel polissen niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 15 oktober 1990, tot stand zijn gekomen. De afgelopen jaren is hierover dan ook veel jurisprudentie verschenen. Daarbij ging het veelal om de vraag of de polis tijdig tot stand is gekomen en/of een boete bij de naheffing gerechtvaardigd is. Dit speelde ook in de procedure die op 3 oktober jongstleden voor de rechter in Den Bosch is behandeld. Daarbij was de casus als volgt.
Casus
Op 6 september 1990 had de verzekeringnemer de offerte inclusief een aanvraagformulier ontvangen. Als ingangsdatum was op de offerte 1 oktober 1990 opgenomen en deze offerte was geldig tot zestig dagen na dagtekening.
Uit het onderzoek van de Belastingdienst bleek dat bij binnenkomst van een aanvraagformulier een nummer werd toegekend dat overeenkwam met het nummer van de nadien afgegeven polis. De Belastingdienst liet het oog vallen op een andere polis uit de administratie van de verzekeringsmaatschappij. Het polisnummer lag ongeveer vijfhonderd nummers lager dan de polis uit de casus en hierover werd het volgende opgemerkt. De datum van afgifte van de polis was 6 november 1990 en op het aanvraagformulier bij de gezondheidsvragen was het volgende antwoord opgenomen: “bij controle van de bloeddruk op 31 oktober 1990 was deze nog steeds goed, terwijl geen gebruik meer wordt gemaakt van medicamenten”.
De Belastingdienst trok hieruit de conclusie dat formulieren die een nummer hoger hebben dan de op 6 november 1990 afgegeven polis na 31 oktober 1990 moeten zijn binnengekomen. Dit, zo blijkt eveneens uit een besluit van 29 november 2001, is één van de onderdelen ter bepaling van het moment van afsluiting. De verzekeringnemer heeft dus niet aannemelijk kunnen maken dat het aanvraagformulier voor 16 oktober 1990 de verzekeraar had bereikt. De afgiftedatum van de polis uit de casus was overigens 9 november 1990.
Datum overeenkomst
Naast het moment van indienen van het aanvraagformulier spelen de volgende punten een rol bij de bepaling van de datum waarop de verzekering tot stand is gekomen. De eerste is de medische acceptatie. Wanneer een verzekering wordt afgesloten onder voorwaarde van medische acceptatie, is het van belang of de verzekeraar van aanvang af volledige dekking heeft verleend. Als dat zo is, dan is de verzekering in fiscale zin tot stand gekomen op het moment van sluiten van de overeenkomst. De staatssecretaris geeft daarbij wel aan dat van volledige dekking slechts sprake is indien de verzekeraar bij het overlijden van de verzekerde, voordat de medische keuring dan wel acceptatie heeft plaatsgevonden, hetzelfde bedrag zal uitkeren als na de medische acceptatie is verzekerd. Indien er geen sprake is van voorlopige dekking of een voorlopige dekking tot een lager bedrag, is in fiscaal opzicht sprake van een voorovereenkomst die na acceptatie wordt gevolgd door een nieuwe overeenkomst. In dat geval is de overeenkomst pas tot stand gekomen op het moment van acceptatie door de verzekeraar.
Het tweede aspect, het tijdstip van premiebetaling, is niet altijd bepalend. Indien geen sprake is van een offerte waardoor aanbod en acceptatie niet hebben kunnen plaatsvinden, en dus eigenlijk geen elementen van verzekering aanwezig zijn, is geen sprake van een afgesloten verzekering. Verder speelt het tijdstip van premiebetaling natuurlijk wel een rol als er wel sprake is van aanbod en acceptatie én in de verzekeringsvoorwaarden is bepaald dat eerst na ontvangst van de eerste premie de overeenkomst tot stand is gekomen. Naast het tijdstip van ontstaan van de verzekering is het tijdstip van betaling van de premie uiteraard van belang voor het jaar van eventuele aftrek van de premie als uitgaven voor inkomensvoorzieningen.
Compromis
In de onderhavige casus was de verzekeringsmaatschappij met de Belastingdienst een soort van compromisaanbod overeengekomen. Iedere verzekeringnemer van een zogenoemde ’15-oktober polis’ – een polis afgesloten rond deze datum maar die uiteindelijk toch niet onder het oude regime valt – kon daaraan deelnemen. De kapitaalverzekering met lijfrenteclausule kon alsnog worden omgezet in een nieuw regime lijfrenteverzekering onder de volgende voorwaarden.
– De over de jaren 1992 tot en met 1998 betaalde en in aftrek gebrachte premies zouden niet worden gecorrigeerd.- De verzekering zou vanaf 1 januari 1999 onder het Brede-Herwaarderingsregime vallen (dus geen voordelen van het oude regime).- De verzekeringnemer zou moeten verklaren voor de jaren 1992 tot en met 1998 geen beroep te zullen doen op de zogenoemde saldomethode.Deze verzekeringnemer in de casus is niet op dit aanbod ingegaan. Dit had tot gevolg dat deze een navorderingsaanslag voor de jaren 1996 tot en 1998 kreeg. De in die jaren in mindering gebrachte premies werden tot het inkomen gerekend. Het ‘voordeel’ van de belastingplichtige komt erop neer dat de lijfrentepremies die de verzekeringnemer gedurende de jaren 1992 tot en met 1995 ten onrechte in aftrek heeft gebracht, ten tijde van uitkering onbelast op grond van de saldomethode kan genieten.
Verder willen wij u nog meegeven dat als aangetoond kan worden dat een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule vóór 16 oktober 1990 tot stand is gekomen, er toch recht op premieaftrek na 1 januari 2001 kan bestaan. De polis dient dan voor het einde van dit jaar te zijn aangepast aan de voorwaarden zoals ze zijn opgesomd in de Wet IB 2001.
sectie Pensioenen & Verzekeringen van Pricewaterhousecoopers.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.