nieuws

‘Levenprodukt vooraf fiscaal laten toetsen’

Archief

De belastingdienst riep in 1992 een overlegorgaan in het leven om de belastingheffing en het fiscale beleid ten aanzien van levensverzekeringen te ondersteunen. Het werd gedoopt: ‘Werkgroep Verzekeringsprodukten’. De werkgroep werd ingesteld in het jaar dat de Brede Herwaardering I na veel geharrewar en wijzigingen in werking trad. Voorzitter van de Werkgroep Verzekeringsprodukten is mr C.L.J.R. Douven.

‘Levenprodukt vooraf fiscaal laten toetsen’
door Piet Biemans
Douven: “De Brede Herwaardering riep in verband met de ingewikkeldheid van de materie veel vragen op, niet alleen bij het verzekeringsbedrijf, adviseurs en consumenten, maar ook bij de belastingdienst zelf”.
De wetswijziging bracht een golf aan nieuwe produkten met zich mee. De belastingambtenaren moesten deze produkten doorgronden en toetsen aan de nieuwe belastingbepalingen.
,Niet alleen moesten vragen worden beantwoord, maar de fiscus moet natuurlijk in het hele land hetzelfde standpunt innemen en dezelfde werkwijze toepassen”, betoogt Douven.
De verspreid werkende belastingambtenaren hadden behoefte aan een specialist die als centrale vraagbaak kon fungeren. Daarom deze werkgroep.
In de werkgroep komen vooral de lijfrente en andere periodieke uitkeringen als gouden handdrukken en arbeidsongeschiktheidsrente aan de orde en de kapitaalverzekering. Dat zijn immers de belangrijkste onderwerpen in de Brede Herwaardering I.
“Het gaat in veel gevallen om langlopende contract-verplichtingen voor de opbouw van oudedagsvoorzieningen. Gezien de lange looptijden en het belang van de voorziening mogen hierbij over de fiscale aspecten geen misverstanden of onzekerheden bestaan”, aldus Douven.
Samenstelling
De werkgroep bestaat uit 8 personen. Het zijn vertegenwoordigers van de regionale belastingdiensten, een actuaris en een vertegenwoordiger van de belastingafdeling Grote Ondernemingen in Amsterdam. Deze afdeling behandelt alle belastingzaken van de levensverzekeringmaatschappijen in ons land. Daarnaast zit in de werkgroep iemand van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporings Dienst (Fiod) en een vertegenwoordiger van het ministerie van financiën.
De groep komt eenmaal per 6 weken bijeen en heeft dan de hele dag nodig. “Er zijn altijd legio vragen te beantwoorden”, aldus Douven.
Die vragen komen voor het grootste deel van belastingambtenaren. De vraagpunten ontstaan bij de vaststelling van belastingaanslagen en wanneer belastingplichtigen fiscale duidelijkheid vooraf willen hebben bij het sluiten van een verzekering. Maar ook verzekeraars hebben hun inbreng in de stroom vragen, evenals belastingadviseurs en tussenpersonen. “Het gros van de vragen gaat over de lijfrente-problematiek en de mogelijkheden van premie-aftrek. Het aantal wordt kleiner, nu men gewend is aan de nieuwe wetgeving”.
In de tweede helft van 1994 kwamen er over lijfrente e.d. 93 vragen van de belastingdienst zelf en 32 van verzekeringmaatschappijen en adviseurs. Over kapitaalverzekeringen werden in die periode aan de werkgroep 10 vragen gesteld door belastingambtenaren en 9 door de verzekeringssector. Buiten die categorieën kreeg de werkgroep nog 18 vragen van de belastingdienst en 2 uit het bedrijfsleven.
Als voorzitter van de werkgroep krijgt Douven al deze kwesties op zijn bord. “We onderscheiden incidentele gevallen respectievelijk ingewikkelde en steeds opnieuw voorkomende kwesties. De incidentele gevallen doet de werkgroep zelf af. Gecompliceerde en steeds weer optredende gelijke problemen raken het beleid en moeten landelijk worden opgelost”.
De werkgroep is niet bevoegd om beleid te maken. “We doen dan voorstellen aan de beleidsmakers”.
Wat doet de werkgroep wanneer een aangeboden verzekeringsprodukt fiscale onjuistheden bevat? “Dan stelt de werkgroep in de eerste plaats de betrokken belastinginspecteur op de hoogte en bespreken wij met hem de eventuele verdere aanpak. We kunnen hem bijstaan in gesprekken met belastingadviseurs en bij een eventuele procedure. We gaan na, of de ontdekte onjuistheid in meerdere contracten voorkomt, bijvoorbeeld in algemene voorwaarden of in een standaardclausule. Als zulks het geval is, nemen we contact op met de betrokken maatschappij en vragen we alle verzekeringsovereenkomsten op met de bewuste fiscale onjuistheid”.
Vragen leiden soms tot opsporing van dergelijke fiscale uitglijders. Een frappant voorbeeld: In diverse lijfrentepolissen van verschillende maatschappijen bleek het afkoopverbod niet in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen. De verzekering voldeed daarom niet aan de fiscale voorwaarden, dus de premie was niet aftrekbaar. In oktober 1994 heeft de staatssecretaris toen beslist, dat de betrokken maatschappijen de polis mochten corrigeren met terugwerkende kracht. “De fiscus gaat er daarna van uit, dat de polis vanaf het begin goed is geweest. Als deze aanpassing niet was toegestaan, zouden er later bij verzekeraars heel wat klachten zijn geweest van verzekerden die hun aftrek verloren zagen gaan”, aldus Douven. “Het ging om tienduizenden polissen van meerdere maatschappijen”.
Een recente vrucht van het werk van de werkgroep is de stellingname van de belastingdienst tegen de zogenaamde doorloopconstructie: het continueren op de expiratiedatum van een kapitaalverzekering en de ermee verbonden hypotheek die met het verzekerde kapitaal wordt afgelost. Belastinginspecteurs trokken over deze praktijk bij de werkgroep aan de bel. Bij een dergelijke combinatie is het normaal dat men op de einddatum het contract beëindigt en de lening aflost. De belastingdienst verzet zich tegen de handelwijze dat men het contract continueert. Het enige voordeel hiervan is immers belastingvoordeel, zo redeneert de fiscus.
Douven: “Als een inspecteur ons een concreet geval van een dergelijke continuatie voorlegt en de belastingplichtige houdt voet bij stuk, dan gaan we een procedure aanspannen. Wij stellen dan, dat de hypotheekrente niet meer aftrekbaar is”.
De bewuste combinatie is de laatste jaren massaal toegepast door de komst van de spaarhypotheek. Maar het verzet van de belastingdienst betreft ook andersoortige combinaties van levenpolissen en hypotheken, ongeacht de aanvangsdatum van het contract. Het verzekeringsbedrijf is dus gewaarschuwd. Laten maatschappijen de werkgroep wel eens nieuwe produkten beoordelen op hun fiscale acceptabiliteit? “Dat komt voor, en we zouden graag zien dat dat vaker gebeurt”, zegt Douven. Hij onderscheidt maatschappijen die fiscaal gezien op het scherp van de snede opereren en verzekeraars die vertrouwde soorten produkten uitbrengen. Douven formuleert het uitgangspunt van de werkgroep. “Voor nieuwe gewaagde produkten, waarmee de verzekeraar de fiscale grens verkent, geven wij geen zekerheid vooraf. Over nieuwe varianten van gebruikelijke produkten praten wij graag met de verzekeraar. Het kan veel werk voorkomen bij de klant, de maatschappij en de belastingdienst”.
Kwesties betreffende riskant opererende maatschappijen komen vooral via de belastingdienst bij de werkgroep binnen. “Dat betekent dus onzerzijds eventueel ingrijpen achteraf”.
‘Gewone’ maatschappijen daarentegen richten zich vooraf rechtstreeks tot de werkgroep. “Die handelwijze brengt minder problemen met zich mee”. De procedure is dan, dat de werkgroep de polis bespreekt met de auteur. Als er haken en ogen aan het produkt zitten, worden die in alle openheid besproken. Dat kan leiden tot acceptatie van het produkt, tot wijziging ervan en tot afstel. Een dergelijke bespreking komt zo’n tien maal per jaar voor, zegt Douven.
Verbond van Verzekeraars
De werkgroep neemt ook deel aan het overleg tussen de belastingdienst en het Verbond van Verzekeraars.
Het Verbond had altijd al contact met het ministerie van financiën. Bij een reorganisatie enkele jaren geleden heeft het ministerie sommige van haar uitvoeringstaken overgedragen aan de belastingdienst. Het overleg met het Verbond van Verzekeraars is toen gaan ressorteren onder de belastingdienst, onder het voorzitterschap van de beleidscordinator van de sector inkomstenbelasting particulieren (‘inkomstenbelasting-niet winst’). In dit platform vertegenwoordigt Douven de werkgroep en zit ook een vertegenwoordiger van het ministerie en van de Fiod.
“In het platform komen organisatorische punten aan de orde en fungeert de afvaardiging van de verzekeraars als een klankbord voor ons bij de bepaling van het fiscale beleid”, zegt Douven. “We wisselen gedachten uit omtrent wetswijzigingen, beleidsvoorstellen, knelpunten etcetera. Het platform heeft nut voor de overheid èn voor de verzekeraars. Het beleid wordt daardoor beter uitvoerbaar”.
“Wij delen het Verbond van Verzekeraars bijvoorbeeld mee, dat wij bezig zijn op een bepaald terrein beleid te ontwikkelen. Zo hebben wij gezegd, dat we niet gelukkig zijn met de genoemde doorloopconstructie, naar aanleiding van vragen die maatschappijen hebben gesteld aan belastinginspecteurs. Wij signaleren en informeren. Ook het te verwachten beleid inzake de verzekeringsuitkering bij overlijden en de gevolgen daarbij voor het successierecht zijn onlangs onderwerp van bespreking geweest bij het platform. Wij zeggen dat we ermee bezig zijn, en verzekeraars maken hùn opmerkingen. Ons uitgangspunt is, dat verzekeraars op die manier inbreng kunnen hebben bij het bepalen van het beleid”.
Het platform is er niet om allerlei technische problemen op te lossen, benadrukt Douven. “De bespreking van een constructie behoort niet tot het werk van het platform”.
Het platform komt 2 à 3 keer per jaar bijeen. De volgende bijeenkomst zal plaatsvinden in oktober a.s. Er wordt gewerkt met een agenda.
Een resultaat van het platform is volgens Douven bijvoorbeeld een uniform beleid inzake de heffing van loonbelasting over lijfrente. Niet alle betrokken belastingeenheden volgden een zelfde gedragslijn in de gevallen dat een deel van de lijfrentepremie niet fiscaal was afgetrokken. In zulke gevallen gaat over de lopende lijfrente-uitkeringen eerst belastingheffing in, wanneer de gezamenlijke uitkeringen de gezamenlijke niet-afgetrokken premies overschrijden (‘saldo-methode’).
Het Verbond van Verzekeraars bepaalt de bemanning van zijn afvaardiging. “Ze bestaat doorgaans uit drie personen. De samenstelling wisselt per bijeenkomst”, aldus Douven. Het zijn gewoonlijk specialisten van maatschappijen. Krijgen deze personen vóórwetenschap, dus voorsprong op concurrenten? “Een belangrijk aandachtspunt voor ons is, dat we dat willen voorkomen. Als we regelgeving willen verbeteren, moeten we gesprekken aangaan. Dan moeten we er concreet over praten. De deelnemers aan het platform kunnen conclusies trekken, maar we zullen hen nooit het nieuwe beleid presenteren. De deelnemende verzekeraars kunnen een beperkte voorsprong krijgen; dat nemen we op de koop toe. Het alternatief is: geen verzekeraars in het platform, met de kans dat de regelgeving minder goed op de praktijk aansluit”.
“We zijn alert op misbruik van deze vertegenwoordiging, maar zien er geen groot gevaar in”, besluit Douven.
Overigens is in het platform het Verbond van Verzekeraars onze gesprekspartner en niet vertegenwoordigers van maatschappijen, merkt Douven op.
De Werkgroep Verzekeringsprodukten behandelt geen criminele praktijken. “Als we strafrechtelijke zaken tegenkomen, maken we er werk van, maar ze komen niet voor in onze taakomschrijving. Wij hebben bijvoorbeeld geen directe bemoeienis met de de bestrijding van het witwassen van zwart geld”.
Desgevraagd wil Douven graag en wellicht ten overvloede een aanbeveling doen aan het levensverzekeringbedrijf. “Ik zou nog een lans willen breken voor de produktbeoordeling vooraf bij nieuwe verzekeringsprodukten of niet dagelijks voorkomende varianten. Dit voorkomt discussies achteraf en mogelijk ontevreden klanten. Met deze beoordeling vooraf is niet alleen de belastingdienst gebaat, maar ook de verzekeraars en de assurantietussenpersonen”.
Vragen aan de Werkgroep Verzekeringsprodukten kunnen indirect worden gesteld via de belastinginspecteur. Men kan de werkgroep ook rechtstreeks benaderen. Het adres is: Belastingdienst/Directie particulieren, Portefeuillehouder IB-niet winst, Postbus 85087, 3508 AB Utrecht. ***** Kader *****
Mr C.L.J.R. Douven studeerde fiscaal recht aan de katholieke universiteit in Tilburg. Hij liep vervolgens drie jaar stage bij diverse ‘eenheden’ van de belastingdienst. Daarna was hij gedurende 2 jaar lid van een belastingtechnisch team dat belastingambtenaren adviseert bij de vaststelling van aanslagen en hen eventueel bij procedures bijstand verleent. Vervolgens was hij anderhalf jaar leider van een technisch team van de ‘belastingdienst buitenland’, een aparte afdeling van het bedrijf. Sinds 1994 is hij voorzitter van de Werkgroep Verzekeringsprodukten.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.