nieuws

‘Kosten WFD onaanvaardbaar hoog’

Archief

In vrijwel alle reacties op het consultatiedocument van het Platform Financiële Dienstverlening van de AFM wordt afwijzend gereageerd op de hoge kosten van de Wet Financiële Dienstverlening (WFD). Het Verbond van Verzekeraars spreekt zelfs over “onaanvaardbaar hoog”. De Autoriteit Financiële Marken (AFM) zegt honderden reacties te hebben ontvangen op dit consultatiedocument. “Een groot deel daarvan was gebundeld. Wij constateren ook dat er veel tijd is genomen om te reageren”, aldus de AFM.

Het Verbond van Verzekeraars heeft de toezichthouder laten weten de hoge kosten van invoering van de WFD “onaanvaardbaar” te vinden. “De balans van opbrengsten en lasten is niet in evenwicht”, aldus het Verbond. Verder vraagt het Verbond om een consumentenonderzoek naar de wijze waarop verzekeraars informatie moeten verschaffen.
Uit de reactie van de NVA op het consultatiedocument blijkt dat de brancheorganisatie het gevoel heeft dat belangrijke zaken nog onvoldoende uitgewerkt zijn. “Hierbij denken wij aan de beroepsaansprakelijkheid, de reality-check en de kosten van de WFD en het toezicht, waar wij nog mee worstelen.”
De NVA zegt verder te constateren dat veel tussenpersonen zich nog onvoldoende bewust zijn van (de impact van) de WFD. “Wij pleiten daarom voor een actieve informatiecampagne dit najaar met persoonlijke adressering van het intermediair.” De NVA is ook voorstander van een overgangsperiode van anderhalf jaar na invoering van de wet waarbinnen de doelgroep de kans krijgt zich kennis eigen te maken, de organisatie WFD-conform in te richten en zaken als zorgplicht, klachtenregeling en beroepsaansprakelijkheid op orde te brengen.
De NVA is verder ongerust over het feit dat ons land op 15 januari volgend jaar wel over een wet beschikt, maar nog niet voldoet aan de inhoudelijke eisen van de Europese richtlijn op de Assurantiebemiddeling. De NVA vraagt zich af of verzekeraars (aanbieders) dan nog zaken mogen doen met de achterban en of er een verschil is tussen buitenlandse en binnenlandse aanbieders. “Dit facet verontrust ons zeer en zal spoedig op haar gevolgen helder moeten worden gemaakt.”
Zorgen
Ook de NBVA heeft richting de AFM gereageerd. Uit deze reactie blijkt dat de NBVA zich vooral ernstig zorgen maakt over de financiële en administratieve lasten van het toezicht. “Vooral het kleinere intermediair versombert bij het totale bouwwerk aan toezichtregels. Immers, voor dit type kantoren zullen de lasten relatief steviger drukken op hun rendement. Dat kan hen bedrijfseconomisch in een slechtere en zelfs bedreigde uitgangpositie brengen.”
De belangenorganisatie vraagt expliciet aandacht voor de relatieve lastendruk. “Hoewel inzicht in de volledige lasten en baten nog ontbreekt, kunnen wij uit meerdere (deel-)berekeningen opmaken dat de lasten van het totale bouwwerk onacceptabel hoog zijn.” Zij wijst daarbij op de eisen op het gebied van deskundigheid. “De verplichte diplomastructuur in combinatie met het overgangsregime en permanente-educatieverplichtingen leiden tot een onevenredige lastenverzwaring.” In dat kader pleit de NBVA dan ook voor een overgangstermijn van 36 maanden voor alle modules in plaats van de eis om per 1 januari volgend jaar over de diploma’s te beschikken en binnen achttien maanden aan de supplementmodules te moeten voldoen.
De NBVA is verder een warm pleitbezorger van de ‘Eerder Verworven Compententies-procedure’ (EVC). Hiermee zou recht gedaan worden aan het huidige kennis- en ervaringsniveau van het intermediair. De EVC-procedure meet via onafhankelijke deskundigen of iemand de handelingen die nodig zijn in de beroepspraktijk daadwerkelijk beheerst. De NBVA vraagt om erkenning en accreditering van deze methodiek.
De standsorganisatie is verder bezorgd over “de zeer beperkte capaciteit in de markt voor beroepsaansprakelijkheidsverzekering”. In een toelichting zegt voorzitter Rob Groenemeijer dat 85% tot 90% van het intermediair verzekerd is bij de twee beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars die Nederland rijk is. “Dat leidt nu niet tot capaciteitsproblemen, maar als je zo weinig beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars hebt, geeft dat een druk op de prijzen. Die druk wordt onevenredig verzwaard als de toezichthouder extra eisen gaat stellen aan de beroepsaansprakelijkheid. Ook ontstaan er dan wel capaciteitsproblemen.” De kans dat de toezichthouder gaat morrelen aan de beroepsaansprakelijkheidseisen acht Groenemeijer overigens klein.
Volmacht
In een brief aan de Vaste Kamercommissie heeft de NVGA laten weten de WFD op drie punten aangepast te willen zien. De organisatie van volmachtbedrijven pleit voor het verplichtstellen van het NVGA-model voor de volmachtovereenkomst. Als dat niet lukt, ziet de NVGA graag dat het NVGA-model als leidraad voor de uitvoeringsmaatregelen wordt genomen.
Een tweede pleidooi betreft het aanmerken van de Gevolmachtigd Agent als financieel dienstverlener, zoals in WFD-artikel 27, lid 2 is opgenomen. “In de Memorie van Toelichting op dit artikel, waarin het begrip ‘financiële dinestverlener’ nader is omschreven, wordt uitsluitend uitgegaan van personen die rechtstreeks contact hebben met de klant, en van leidinggevenden die het verkoopproces inhoudelijk kunnen sturen. Als daaraan wordt vastgehouden, zal de gevolmachtigd agent straks buiten de werking van genoemd artikel vallen. Hij voldoet immers aan geen van beide definities. Omdat dit niet de bedoeling kan zijn, pleit de NVGA voor een ruimere omschrijving van het artikel.”
Op de derde plaats vindt de NVGA dat in het wetsvoorstel WFD bij de transponeringstabel voor de module Volmacht de indruk zou kunnen ontstaan dat hiervoor al met het huidige A-diploma een vrijstelling kan worden verkregen. “Dat is echter niet het geval. Van een vrijstelling kan pas sprake zijn met de diploma’s A én Gevolmachtigd Agent”, aldus de NVGA.
Administratieve performance
Legal & General heeft op de site www.wetfinancieledienstverlening.nl enkele korte enquêtes gehouden. Daar hebben ruim negenhonderd bezoekers aan meegedaan. Algemeen directeur Arno Dolders concludeert op grond van de uitkomsten dat er een breed draagvlak bestaat voor de WFD, maar dat een aantal voorstellen “kritisch ontvangen” zijn.
Zo vinden de meeste respondenten (75%) dat de WFD eisen moet stellen aan de administratieve prestaties van verzekeraars. Verder vindt 62% dat een ieder die klanten adviseert een diploma moet hebben. Iets meer dan de helft (54%) vindt dat gevestigde ondernemers, die reeds jaren actief zijn maar geen diploma’s bezitten, toch moeten kunnen profiteren van de overgangsmaatregelen. Eenzelfde aantal vindt dat er een strikte scheiding moet komen tussen een exameninstituut en een opleidingsinstituut.
Een meerderheid (72%) kan zich vinden in de oprichting van een stichting die op structurele basis als gesprekspartner van de AFM optreedt. Ruim 50% vindt dat deze stichting niet actief mag zijn op de gebieden die de representatieve (stands)organisaties (onder andere NVA en NBVA) tot hun taakgebied rekenen. Bijna driekwart van de respondenten is het oneens met de stelling dat uitsluitend vertegenwoordigers van de representatieve organisaties, zoals NVA, NBVA en Verbond van Verzekeraars, zitting kunnen hebben in het bestuur van deze stichting. De respondenten zijn de zelfde mening toegedaan ten aanzien van het College van Deskundigen. Legal & General vindt zelfs dat representatieve organisaties niet zouden moeten plaatsnemen in zo’n college in verband met belangenverstrengeling.
Exact 40% meent dat verzekeraars wél verantwoordelijk moeten worden gehouden voor misdragingen van tussenpersonen. Hierbij wordt aangetekend dat deze respondenten zich mogelijk niet bewust waren van de wettelijke meldplicht van verzekeraars aan de toezichthouder over misdragingen van het intermediair.
Ook Dutch Insurance Network hield WFD-meetings voor enkele honderden tussenpersonen. Van deze kantoren is 48,3% van mening dat er nadere regels gesteld moeten worden ten aanzien van de administratieve performance van verzekeraars. Enkele uitspraken daarbij zijn: “De vereisten moeten voor iedereen gelden” en “Schade kan ontstaan door de slechte performance van verzekeraars”. Waar men zich erg over opwindt, zijn de bewaartermijnen na beëindiging van de overeenkomst. Meer dan de helft is het oneens met het advies op dat punt.
Bijna 70% vindt bovendien dat er wel nadere regels gesteld moeten worden aan ongewenste gedrag, zoals misleidende reclame, overkreditering en verkoop van overbodige producten. Misleidende producten moeten sowieso verboden worden. “Er is veel misleiding, aanpakken dus”, zeggen veel tussenpersonen.
Het advies over het verstrekken van productinformatie kan niet op veel bijval rekenen. Ruim 60% ziet namelijk wél de noodzaak in om nadere richtlijnen te geven voor aparte productinformatie voor de bemiddelaar. De meerderheid vindt dat de bemiddelaar aanvullende en uitgebreidere informatie moet krijgen.
Zorgplicht
Ook de Pensioendesk heeft gereageerd op het consultatiedocument. De franchiseketen van pensioenadviseurs is het niet eens met de conclusie van de Commissie Relatie Aanbieder-Bemiddelaar (CRAB) dat de zorgplicht jegens een ‘onafhankelijke bemiddelaar’ beperkt kan blijven tot het toezien op de vergunningsplicht en het verschaffen van adequate productinformatie. De wijze waarop deze bemiddelaar zijn rol invult, is zijn verantwoordelijkheid en niet die van de aanbieder. “Wij zijn het met deze conclusie niet eens. Onze ervaring bij pensioenadvisering is, dat in de relatie tussen aanbieder en bemiddelaar, de aanbieder meestal grote invloed uitoefent op de wijze waarop de bemiddelaar zijn adviesrol vervult. Hier ligt een taak voor de toezichthouder om aanbieders daarop te controleren.” De Pensioendesk is ook voorstander van een meldplicht voor de bemiddelaar bij de toezichthouder als deze constateert dat de aanbieder niet voldoet aan de gestelde eisen.
De Pensioendesk is het oneens met het advies dat de aanbieder zelf bepaalt op welke wijze productinformatie wordt aangeboden aan de bemiddelaar en dat daarbij volstaan kan worden met consumenteninformatie. “Alle regelgeving over productinformatie in de verzekeringsbranche ten spijt (financiële bijsluiter, Code Rendement en Risico) is onze ervaring dat het vergelijken van producten vrijwel onmogelijk is op basis van de productinformatie, zoals deze tot op heden door aanbieders wordt verschaft. Het vergelijken van producten is zeer arbeidsintensief, duur en niet sluitend. Dat komt onder meer, omdat software om producten te vergelijken zeer gebruiksonvriendelijk is, niet alle aanbieders hun productinformatie willen beschikbaar stellen voor deze softwaretoepassingen en niet alle producten daarin zijn opgenomen. Collectieve pensioenproducten bijvoorbeeld zijn er niet in opgenomen.”
Voor kosten- en rendementsvergelijkingen tussen de verschillende aanbieders moeten volgens de Pensioendesk allerlei correctiefactoren worden toegepast voordat producten daadwerkelijk onderling te vergelijken zijn en voor alle producten software-applicaties beschikbaar zijn. “Door deze onvolkomenheden ten aanzien van productvergelijkingen is het aantal uren dat gespendeerd moet worden voor een goede productvergelijking aanzienlijk, terwijl dergelijke softwaretoepassingen ook al duur zijn. De toezichthouder zou aanbieders moeten bewegen om productinformatie beschikbaar te stellen. Van aanbieders zou mogen worden verlangd dat zij productinformatie uniform aanleveren, zodat deze problemen kunnen worden ondervangen. Daarbij denken wij aan het uniform definiëren van producteigenschappen, het uniform benoemen van kostensoorten, rendementsgaranties en rendementsrisico’s en het uniform weergeven van de omvang van deze kosten en het rendement van het product.” Opmerkingen:

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.