nieuws

Kansloze strijd voor fiscus bij beleid doorlopende provisie?

Archief

De opening van de vorige editie van AM (‘Fiscus legt bom onder doorlopende provisie’) heeft veel stof doen opwaaien in de verzekeringsbranche. Twee deskundigen van Ernst & Young zijn van mening dat de fiscus een kansloze strijd vecht door doorlopende provisie fiscaal te behandelen als afsluitprovisie.

door Windeld van den Brink en Silvain Niekel
De fiscus wil de tussenpersoon dwingen tot directe winstneming over de gehele doorlopende provisie op levensverzekeringen. Deze stelling komt er in feite op neer dat de fiscus onmiddellijk belasting eist over een bedrag dat de tussenpersoon nog niet eens volledig heeft ontvangen. De vraag is echter of de aanval van de Belastingdienst kans van slagen heeft.
Tot voor enkele jaren geleden was het geijkte patroon dat een relatief hoge afsluitprovisie ineens werd uitbetaald. In geval van royement binnen een bepaalde periode was de tussenpersoon verplicht tot (gedeeltelijke) terugbetaling van de provisie aan de verzekeringsmaatschappij. Daarnaast ontving de tussenpersoon een jaarlijkse prolongatieprovisie die bestond uit een vergoeding voor incasso en een vergoeding voor het beheer van de polis. Fiscaal konden we daar wel mee uit de voeten:
– De afsluitprovisie werd verantwoord in het jaar van afsluiten van de polis.- Voor het risico van terugbetaling ingeval van royement werd een voorziening getroffen.- De prolongatieprovisie werd belast in het jaar van prolongatie eventueel rekening houdend met een gedeeltelijke overloop van de beheersvergoeding naar het volgende belastingjaar (de zogenaamde ‘voorziening onverdiende provisie’).Zoals bekend is er de voorbije jaren nogal wat gewijzigd in de afspraken tussen de verzekeringsmaatschappijen en de tussenpersonen. De tendens is dat de afsluitprovisies lager worden en de jaarlijkse prolongatieprovisies steeds hoger. Gevolg: de fiscus ziet steeds later zijn centen. Dat vindt hij niet prettig en daarom poneert hij nu de stelling dat alle doorlopende provisie aangemerkt dient te worden als afsluitprovisie.
Het arrest uit 1982
Als wapen in de strijd hanteert de fiscus een arrest van de Hoge Raad uit 1982. Uit dit arrest blijkt dat twee vragen doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het tijdstip van winstneming over provisies:
Moet de tussenpersoon in ruil voor de provisie nog werkzaamheden van enige omvang verrichten in de jaren ná afsluiting?Is de uitbetaling van de provisie aan nadere voorwaarden gebonden?Indien één of meer van deze twee vragen met ‘ja’ moet worden beantwoord, kan de tussenpersoon niet tot directe winstneming worden gedwongen.
Het moment van betaling is doorgaans irrelevant voor de fiscale winstbepaling: het gaat erom of een ondernemer zijn ‘prestatie’ ten opzichte van zijn afnemer heeft voltooid. Als bijvoorbeeld een autodealer al een bedrag ontvangt bij het sluiten van het verkoopcontract, is hij over de winst nog geen belasting verschuldigd. Hij mag wachten met winstneming totdat hij de auto daadwerkelijk aan de klant heeft afgeleverd.
Vertaald naar de situatie van het intermediair betekent dit dat moet worden bekeken waar de verzekeringsmaatschappij de provisie precies voor betaalt. Is dit slechts voor de activiteiten die gemoeid zijn met het afsluiten van de polis of ook voor eventuele toekomstige werkzaamheden? Op basis van deze regel dient de beloning voor incasso en beheer van de polis pas te worden belast in het jaar van prolongatie, omdat de betreffende werkzaamheden in dat jaar worden verricht. De stelling van de fiscus dat álle doorlopende provisie aangemerkt dient te worden als afsluitprovisie, is dus sowieso onhoudbaar.
Met betrekking tot de doorlopende provisie ligt de zaak wat genuanceerder. De naam die aan een provisie wordt gegeven is weliswaar richtinggevend voor de fiscale behandeling, maar niet beslissend. Indien derhalve uitsluitend het betalingsmoment van de afsluitprovisie is verschoven en er verder zowel juridisch als feitelijk niets is gewijzigd in de rechtsverhouding tussen de verzekeringsmaatschappij en de tussenpersoon, heeft de fiscus recht van spreken. In dat geval zal de gehele doorlopende provisie direct als winst moeten worden verantwoord en kan hooguit nog rekening worden gehouden met renteverlies en een verhoogd debiteurenrisico.
In veel gevallen zal er echter een wezenlijke verandering zijn opgetreden in de relatie tussenpersoon-verzekeraar. Tegenwoordig vinden de werkzaamheden van de adviseur niet meer uitsluitend in de afsluitfase plaats, maar in toenemende mate verspreid over de hele looptijd van de verzekering. Dit rechtvaardigt een later tijdstip van winstneming.
Het is denkbaar dat de tussenpersoon geen nadere werkzaamheden meer hoeft te verrichten om de doorlopende provisie te incasseren. Maar zelfs dan is winstuitstel nog mogelijk: indien de toekomstige doorlopende provisie afhankelijk is van onzekere factoren. Is bijvoorbeeld gekozen voor betaling onder de opschortende voorwaarde dat de polis nog niet is geroyeerd, dan heeft de fiscus een harde dobber aan het naar voren halen van de belastingheffing, omdat de fiscale regelgeving over het algemeen toestaat pas winst te nemen, nadat de opschortende voorwaarde is vervuld. Dit punt vereist een zorgvuldige formulering in het contract tussen de verzekeringsmaatschappij en de tussenpersoon.
Voorts is van belang dat de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf (Wabb) is gewijzigd met betrekking tot provisierechten. Wordt een polis overgesloten naar een andere tussenpersoon, dan is de tussenpersoon de doorlopende provisie geheel kwijt. Mede gelet op de vaak lange looptijd van de polissen is door deze wijziging van de Wabb de onzekerheid voor wat betreft het (volledig) ontvangen van de toekomstige doorlopende provisie zo toegenomen, dat de fiscale regelgeving ons inziens uitstel van winstnemen toestaat.
De stelling van de fiscus dat de belastingheffing over de gehele doorlopende provisie naar voren moet worden gehaald, is simpelweg te kort door de bocht. Wij zien de discussie met de fiscus daarom met vertrouwen tegemoet. Aandachtspunt voor de verzekeringsmaatschappijen en tussenpersonen blijft echter wel de juridische vormgeving (en feitelijke uitvoering) van de contracten die zij met elkaar sluiten.”
voor Ernst & Young Belastingadviseurs in respectievelijk Amersfoort en Amsterdam.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.