nieuws

Kabinet wijkt af van eerdere plannen

Archief

Op Prinsjesdag heeft het kabinet de nota ‘Werken aan zekerheid’ openbaar gemaakt. In die nota worden de jongste plannen op het gebied van de aow en de aanvullende pensioenen gepresenteerd. Plannen die in sommige opzichten haaks staan op de aanbevelingen van de commissie Witteveen en eerder gedane toezeggingen door datzelfde kabinet.

door mr. A.S. Lagendijk
In tegenstelling tot eerdere commotie omtrent de betaalbaarheid van de aow, is het op dit front betrekkelijk rustig gebleven. De aow blijft in beginsel gekoppeld aan het minimumloon. Tevens is het niet de bedoeling de aow-leeftijd te verhogen tot 66 of 67 jaar. Wel wordt wellicht enige vrijheid bij het bepalen van de aow-leeftijd geïntroduceerd. Het kabinet denkt hierbij niet aan een verlaging van de aow-leeftijd, maar aan het laten ingaan van de aow op een latere leeftijd, als de betrokkene dat wenst. Op die manier kan een wat hoger aow-pensioen worden verkregen.
Aow-premies worden nu geheven over de eerste belastingschijf (f 45.325). Het is vooralsnog niet de bedoeling de grondslag voor de financiering van de aow te verbreden door het heffen van premie over het inkomen in de tweede en de derde schijf. Wel overweegt het kabinet de lengte van de eerste schijf op termijn wat te gaan verhogen door een andere indexeringssystematiek. Daardoor wordt de grondslag voor de heffing van aow-premies enigszins vergroot.
Het kabinet zal met voorstellen komen om het premiepercentage voor de aow te maximeren. Een eventueel toekomstig tekort wordt vervolgens gefinancierd met Rijksbijdragen. In wezen komt dit neer op een gedeeltelijke financiering van de aow uit de belastingopbrengst. Daardoor wordt de aow indirect toch gefinancierd uit de tweede en derde belastingschijf én door de aow-trekkers zelf.
Aanvullende pensioenen
In 1995 heeft de commissie Witteveen geadviseerd over de fiscale behandeling van pensioenen. Bij brief van de staatssecretarissen van Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 september 1995 heeft het kabinet laten weten dat dit rapport een richtsnoer kan zijn voor de fiscale wetgeving.
Een belangrijk onderdeel van dit rapport was fiscale facilitering van het pensioen op basis van het eindloon. Bij een werkzame periode van 35 jaar, zou men 70% van het eindloon moeten kunnen behalen. Dit impliceerde een opbouwpercentage van 2 per jaar op eindloonbasis.
Laatstelijk bij brief van 12 juni 1996 van voornoemde staatssecretarissen heeft het kabinet dit beleid nog eens bevestigd: het eindloonstelsel als uitgangspunt. Ook werd in deze brief aangekondigd dat extra pensioenstortingen ter opheffing van een pensioentekort – een tekort te bepalen op basis van het eindloonstelsel – zouden kunnen worden gedaan binnen de ruimte van het lijfrenteregime.
Die stortingen zouden bij de pensioenuitvoerder mogen plaatsvinden. Pensioentekorten zouden aldus niet meer via de lijfrentesfeer behoeven te worden afgewikkeld, maar zouden – binnen de grenzen van het tranchesysteem – bij de pensioenuitvoerders kunnen plaatsvinden.
Motivatie
In de nu verschenen nota wordt het eindloonstelsel losgelaten. De fiscale aftrek van pensioenpremies wordt niet meer gebaseerd op het eindloonstelsel, maar op het middelloonstelsel. In de nota wordt niet gemotiveerd, waarom zo plotseling is afgeweken van wat tot 12 juni gold als het kabinetsbeleid: namelijk fiscale facilitering van pensioen op eindloonbasis.
Wel is uit de nota op te maken dat het kabinet met deze wijziging beoogt de premie-opbrengst van de aow te verhogen. Het kabinet gaat er vanuit dat de overgang van eindloon naar middelloon zal leiden tot lagere pensioenpremies. Lagere pensioenpremies impliceren een hoger belastbaar inkomen en – voor zover dat inkomen ligt rond het niveau van de eerste belastingschijf of lager – een hogere opbrengst aan aow-premies. De financiering van de aow, waarvan de kosten op termijn zullen toenemen, wordt hierdoor in de visie van het kabinet verruimd.
Deze meeropbrengst aan aow-premies geldt echter alleen voor de lagere inkomens. De hogere inkomens – die vallen in de tweede en derde belastingschijf – blijven dezelfde aow-premie betalen, aangezien die premie alleen over de eerste schijf wordt geheven. Wél zullen de hogere inkomens meer belasting gaan betalen. Wellicht dat het kabinet die ‘meergelden’ gaat aanwenden voor de aangekondigde financiering van de aow uit rijksmiddelen.
Ten slotte is het zo dat werknemers in veel pensioenregelingen geen eigen bijdragen kennen, of dat de bijdrage van de werknemer is gelimiteerd. Ook dit betekent dat er geen noemenswaardige extra opbrengst aan aow-premies plaatsvindt door de stelselwijziging.
Verplichtstelling
Een belangrijk item het afgelopen jaar was de verplichtstelling bij bedrijfspensioenfondsen. Deze wordt gehandhaafd, zij het tot het maximale dagloon voor de werknemersverzekeringen. Dit is nu f 76.213. Ook hierbij mag niet meer worden uitgegaan van het eindloon, maar van het middelloon. Verplichte deelname aan bedrijfspensioenfondsen wordt dus beperkt tot een pensioen van 70% van het middelloon, met een maximumsalaris van f 76.213.
Pensioenopbouw op basis van het middelloonsysteem bij een inkomen hoger dan f 76.213 is mogelijk. De opbouw van het excedentpensioen valt dan niet meer onder de verplichtstelling, maar wordt aan de marktwerking overgelaten.
De eerder (in de brief van 12 juni 1996) toegezegde mogelijkheid om binnen de grenzen van het lijfrenteregime pensioentekorten in de pensioensfeer bij de pensioenuitvoerder aan te vullen, wordt gehandhaafd. Zij het dat het pensioenplafond wordt gebaseerd op het middelloonsysteem.
Hoe het 70%-middelloonsysteem zich verhoudt tot de plafonds van de trancheregeling in de lijfrentesfeer, is vooralsnog onduidelijk. Het ministerie van Financiën beraadt zich in het kader van de wijziging van het pensioenstelsel over de koppeling tussen lijfrente- en pensioenstelsel.
Overgangsrecht
Het kabinet zal met sociale partners in overleg treden over de noodzakelijke overgangstermijnen. Wanneer sociale partners andersoortige regelingen wensen, zal dit mogelijk zijn: mits het collectief op te bouwen deel naar het oordeel van het kabinet op langere termijn financierbaar is.
Voor wat betreft het overgangsrecht is verder nog van belang dat reeds opgebouwde pensioenaanspraken volgens het eindloonsysteem gewaarborgd blijven. De wijzigingen zijn alleen voor de toekomst van belang.
Slot
Het kabinet heeft vrij plotseling een nota uitgebracht, die haaks staat op eerdere standpunten en die afwijkt van duidelijke toezeggingen van de staatssecretarissen van Financiën en Sociale Zaken, voor het eerst in hun brief van 1 september 1995 en voor het laatst in hun brief van 12 juni 1996.
Anders dan de eerdere standpunten en toezeggingen is de huidige nota weinig concreet. Afgewacht zal moeten worden of de kabinetsplannen voldoende politiek draagvlak hebben. Pas daarna kan tot wetgeving worden overgegaan. Gezien het normale tempo van het wetgevingsproces moet worden aangenomen, dat dat een zaak zal worden voor de volgende regering.
Alfred Lagendijk is werkzaam bij de fiscale sectie pensioenen en verzekeringen, Coopers & Lybrand.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.