nieuws

Jubilerend BCE binnenkort op tournee

Archief

door Richard Vroom

Het Bureau Coördinatie Expertise-Organisaties (BCE) heeft zich in een periode van 25 jaar ontwikkeld van een veredeld aanspreekpunt voor brandassuradeuren tot een door zowel de verzekeringswereld als de rijksoverheid gerespecteerde organisatie. Volgend voorjaar wil het BCE zich meer gaan profileren naar de gehele markt, vooral ook bij het intermediair. Dat gebeurt via zeven voorlichtingsbijeenkomsten verspreid over ons land, zo kondigde BCE-voorzitter Henk Grootkerk begin deze maand aan.
De aankondiging van de profileringscampagne in het voorjaar van 2002 deed Grootkerk letterlijk aan de vooravond van de 25e verjaardag van het BCE, dat op 6 oktober 1976 werd opgericht. Het plan voor de voorlichtingstournee is geïnspireerd op de succesvolle serie avonden die begin dit jaar door het Verbond van Verzekeraars en de Federatie van Assurantieclubs zijn gehouden om in de diverse regio’s belangrijke zaken als de komst van de euro, elektronische communicatie en klachtenbehandeling goed over het voetlicht te brengen. “Het BCE wil analoog aan deze bijeenkomsten voor 2002 in maart/april eveneens een zevental regiobijeenkomsten organiseren waar het onderwerp BCE en de onafhankelijke expertise ter sprake zal komen”, sprak Grootkerk.
Bij het brede assurantiepubliek staat het BCE bepaald nog niet scherp voor de geest. Oplettende branchegenoten zullen de organisatie vooral associëren met de Salvagehulp na branden en met de schaderegistratie bij natuur- en andere rampen, waarvan we er in de afgelopen tien jaar in ons land veel meer hebben meegemaakt dan we hadden kunnen bevroeden.
Maar het BCE is in de kern een belangenorganisatie van onafhankelijke expertisebureaus. Een van die belangen is de professionaliteit van de mensen die als expert werkzaam zijn. Omdat er ook veel experts in loondienst van maatschappijen werken, kon die professionaliteitsbevordering niet binnen het BCE als zodanig gestalte krijgen. Daarom stond het BCE ruim tien jaar geleden aan de wieg van het Nivre, het Nederlands Instituut van Register-Experts. ‘Bij het Nivre gaat het om de mensen, bij het BCE om de bedrijven’, is een gevleugelde uitspraak van BCE-directeur Peter Hamerslag.
Er bestaan overigens nog immer nauwe (ver)banden tussen BCE en Nivre. Dat geldt niet alleen op bestuurlijk niveau, de secretariaten zitten broederlijk bij elkaar op een mooie locatie in de Rotterdamse wijk Kralingen.
Aanspreekpunt
Het BCE bestaat deze maand 25 jaar. De organisatie is niet opgericht op initiatief van de expertisebedrijven zelf, maar op verzoek van de brandassuradeuren, die behoefte hadden aan een aanspreekpunt in de wereld van de schadevaststellers.
De eerste acht jaar in het bestaan van het BCE heerste vooral de vrijblijvendheid nog. Heel veel meer dan een brievenbusfunctie had de organisatie nog niet. In februari 1984 besloot het bestuur om een professionele doch parttime secretaris aan te stellen. Dat was Peter Hamerslag. Hij zou zich ontpoppen tot een belangrijke stuwraket voor het bestuur, vergelijkbaar met de rol die Hans Scheffer in de jaren tachtig en negentig vervulde bij de NVA: een directeur-secretaris die als mede-boegbeeld van de organisatie gaat fungeren.
Aanvankelijk was het BCE een pure ‘brandclub’, maar gaandeweg sloten ook expertisebureaus uit andere categorieën zich er bij aan. Dit had ook te maken met de ontwikkeling dat tal van grotere expertisebureaus onder één dak diverse disciplines gingen omvatten, mede als gevolg van schaalvergroting.
In het begin van de jaren negentig kwamen de aandachtsgebieden Aansprakelijkheid en CAR erbij. In 1995 volgden de personenschadebureaus. Er was destijds een handvol bureaus die de Voleb hadden opgericht, de Vereniging van onafhankelijke letselschade-expertisebureaus. Maar omdat dit initiatief niet echt aansloeg in de markt, zochten de initiatiefnemers aansluiting bij het BCE.
Die toetreding van de Voleb was de eerste, maar zeker niet de laatste keer dat zich een expertisevereniging tot het BCE wendde, want enkele jaren later volgden de VESW (Scheepvaart & Techniek) en de NVTE (Transport & Goederen). De zevende specifieke afdeling die het BCE nu rijk is, betreft de afdeling Taxaties.
Motorvoertuigen
In het afdelingengamma van het BCE ontbreekt tot dusver de motorvoertuigenbranche. In die sector bestond sinds 1930 het Niav, het Nederlands Instituut van Automobiel- en Verkeersongevallendeskundigen. Maar dit instituut zou zich niet bij het BCE kunnen aansluiten, omdat het zowel leden heeft bij onafhankelijke expertisebureaus als bij autoverzekeraars. Enkele jaren geleden heeft het adviesbureau Berenschot onderzoek gedaan naar de samenwerkingsmogelijkheden van het Niav met het Nivre. De uitkomst was dat het Niav per 1 januari 1999 is geïntegreerd in de nieuwe branchegroep Motorvoertuigen van het Nivre.
Toch hebben ze met deze situatie bij het BCE geen vrede. Immers, als je de overkoepelende organisatie van alle sectoren in de expertisewereld wilt zijn, dan hoort daar de belangrijke ‘benzinebranche’ natuurlijk ook bij. Maar er is beweging aan het front, al gebeurt dat heel behoedzaam. Grootkerk weegt zijn woorden op een goudschaaltje en zegt dan: “Het BCE is zich na de eerste tien jaar gaan verbreden met de meeste branches buiten Brand. Bij motorvoertuigen gaat het om een vorm van expertise die in de afgelopen decennia nogal vereenvoudigd en enorm geautomatiseerd is. Dat is deels de verklaring dat we aanvankelijk niet hebben staan dringen om het erbij te betrekken. Daar staat echter tegenover, dat het qua omvang één van de grootste terreinen is”.
De voornaamste complicatie zit in de omstandigheid dat de marktleider in de motorvoertuigenexpertise, CED, niet voldoet aan de tot dusver bij het BCE gehanteerde interpretatie van het begrip ‘onafhankelijkheid’. Grootkerk: “Met ‘onafhankelijk’ bedoelen we bij het BCE, dat de bureaus onafhankelijk zijn van hun opdrachtgeverswereld. Daar kun je heel lange discussies over opzetten. Het expertisebedrijf CED was aanvankelijk eigendom van slechts enkele verzekeraars, maar inmiddels heeft het meer dan honderd aandeelhouders. Kun je dan nog zeggen, dat dit een club is die gestuurd wordt door de opdrachtgevers? Er zijn daar aandeelhouders die zelden of nooit een opdracht geven en anderzijds krijgt CED ook opdrachten van bedrijven die geen aandeelhouder zijn. Moet je dat bedrijf dan blijven beschouwen als ‘gebonden aan opdrachtgevers’? En hoe kijk je dan aan tegen de onafhankelijkheid van een zelfstandig expertisebureau dat voor 25 of 50% afhankelijk is van één opdrachtgever?”
Een andere positieve omstandigheid anno 2001 is volgens Grootkerk, dat CED een fiscaal zelfstandig bedrijf is. “Er is dus geen valse concurrentie met de andere onafhankelijke bureaus op het gebied van de btw, want expertisebedrijven die binnen de fiscale eenheid van een verzekeraar vallen, berekenen intern geen btw.” “Kijk, als we als BCE zouden zeggen: de motorvoertuigenbranche hoort er bij, maar niet het CED, dan doen we eigenlijk niks. Toch willen wij nog steeds voor verzekeraars dat algemene overlegplatform op expertisegebied zijn. Maar als je dan een bedrijf dat meer dan 50% van de automarkt in handen heeft, buitensluit, dan ben je niet representatief. Wij gaan nu als bestuur de reële mogelijkheden bekijken van een eventuele toevoeging van de motorvoertuigenbranche. En daar hoort bij, dat wij ook het gesprek openen met CED om daarover te praten. In het komende voorjaar zou dit zijn beslag moeten kunnen krijgen.”
Het is overigens niet alleen de wens om tot een afdeling Motorvoertuigen te komen die het BCE-bestuur noopt om de CED-structuur nog eens op de onafhankelijkheidsweegschaal te leggen. Er staat daar immers de voorgenomen overname van EMN Expertise op stapel. En als het CED geen plaats binnen het BCE kan krijgen, zou de consequentie moeten zijn dat het dan niet meer onafhankelijke EMN van de ledenlijst moet worden geschrapt. Dit lot trof al eerder Bergweg Michels toen dat bureau met CED fuseerde en ook Allaart-Koenraad, toen dat bureau in handen kwam van Iteb (Royal Nederland).
Expertiserapport naar claimant
Wij confronteren Grootkerk vanzelfsprekend ook met de recente uitspraak (2001/24 WA) van de Raad van Toezicht Verzekeringen over expertiserapporten. De strekking van die uitspraak is: aansprakelijkheidsverzekeraars dienen standaard, dus ongevraagd, een kopie van in hun opdracht vervaardigde expertiserapporten naar de betrokken claimant te sturen.
“Een heel belangrijke uitspraak”, stelt Grootkerk. “Het effect is, dat de expert zich nog meer zal moeten toeleggen op het rapporteren van feitelijkheden. In de rapporten zullen eigen inzichten van de expert ten aanzien van de aansprakelijkheid achterwege moeten blijven. Over feiten mag je eigenlijk geen verschil van inzicht hebben. Je moet het verband zien te vinden tussen de schade en een oorzaak. Suggestieve opmerkingen kunnen niet meer.”
Grootkerk wijst in dit verband ook op de ontwikkeling in de rechtspraak. “Vroeger gold duidelijk als adagium: wie eist, bewijst. Maar als een expert in de huidige situatie zou rapporteren, dat hij bij een schade een aanmerkelijk causaal verband ziet, dan brengt dit de verzekeraar al bijna in een onmogelijke positie. Want ook als de claimant geen 100% bewijs heeft, zie je dat de verzekeraar vaak toch wel ‘hangt’. De maatschappelijke verklaring is, dat het gaat om de zwakkere tegen de sterkere. Dat is toch wel een duidelijke trend in de rechtspraak.”
Nieuwe dekkingsvormen
Als hij een bespiegeling maakt over het expertisevak, komt Grootkerk tot de slotsom dat er altijd wel behoefte zal blijven aan traditionele expertise. “Daarnaast zullen er nieuwe markten komen, niet in de laatste plaats doordat de verzekeringsbranche met nieuwe verzekeringsproducten op de markt zal komen. Daarbij denk ik onder meer aan nieuwe dekkingsvormen tegen vormen van financiële schade en verliezen, waaraan – anders dan nu – een minder duidelijke schadeoorzaak ten grondslag ligt.” Grootkerk noemt als voorbeelden de financiële gevolgen van een staking, uitvallen van personeel of materieel bij openbaar vervoer, gederfde inkomsten als gevolg van files, het niet doorgaan van een voorgenomen zakelijke samenwerking, et cetera. “Ook dit soort schades zullen door objectieve deskundigen moeten worden vastgesteld”, verklaart hij. “Stel, een aannemer gooit een weg open, waardoor een aantal bedrijven niet meer bereikbaar is voor hun toeleveranciers. Die aannemer krijgt een conflict met zijn opdrachtgever en doet enige tijd niks meer. In plaats van een week ligt die weg dan een maand open. De bedrijven komen dan mogelijk naar die aannemer toe om hun schade te verhalen. Een ander voorbeeld: een heleboel bedrijven zijn tegenwoordig aan de beurs genoteerd, maar aandeelhouders kijken daar anders tegenaan dan vroeger. Die bedrijven willen bepaalde financiële risico’s afdekken. Wij denken dat daar verzekeringen voor zullen komen. Dat betekent dan werk voor bedrijfsschade-experts, die puur de financiële schade vaststellen. Daar is nu sec geen dekkingsvorm voor, maar dat zou er wel aan kunnen komen.”
Betalingsgedrag opdrachtgevers
In de recentelijk verschenen Expertise Almanak 2001 wordt door diverse voormannen uit de branche geklaagd over trage betalingen door opdrachtgevers. Maarten Besselaar (consultant van Crawford) stelt daarin: “Uitstaande vorderingen van zes maanden vormen beslist geen uitzondering. Dat is anno 2001 toch volstrekt van de gekke!” Ook Maup Hoppzak (Scheepvaart en Techniek) en Frans Vonk (Transport & Goederen) klagen hierover steen en been.
Grootkerk gooit op dit punt wat olie op de golven. “We praten hier echt over de co-assurantiemarkt. In de provinciale markt bestaan dergelijke problemen vrijwel niet. In de co-assurantiemarkt is het in de praktijk zo, dat de makelaar een schadenota moet opmaken. Maar daarvoor moet hij eerst bij de diverse verzekeraars langs en moet elke verzekeraar paraferen. Doorgaans worden in die schadenota de expertisekosten betrokken. Bij zogeheten probleemschades wordt er geen schadenota opgemaakt en worden er nog geen expertisekosten verrekend.”
“Als ik terugkijk, is het ten opzichte van vroeger verbeterd. Er wordt in het algemeen wat sneller betaald. Men is toch wel ontvankelijk voor de wat kritischer houding van het expertisebureau ten opzichte van het betalen. Toen ik in dit vak begon, kon je het onderwerp ‘betaling’ helemaal niet aanroeren. Je was de dienstwillige dienaar. Je werd wel betaald, maar eigenlijk pas als het zo uitkwam.”
Er wordt in uw branche wel eens geklaagd, dat experts te laag worden beloond in vergelijking met accountants en advocaten.
Grootkerk: “Dan moet je om te beginnen wel onderscheid maken tussen het zogeheten industriële werk en het bulkwerk. In het bulkwerk bestaat er een enorme druk op de prijzen. In het beurs- en het industriële traject vind ik dat er de laatste tijd wat meer acceptatie bestaat voor redelijke uurtarieven. Ik zeg ook wel eens: wat kost een goede timmerman wel niet tegenwoordig! In de industriële expertise heb je steeds meer mensen met een HBO- en zelfs universitaire opleiding. Daar moet je wel rekening mee houden.”
Om lid te kunnen worden van het BCE moet een bureau vijf jaar bestaan. Dus ook indien een zeer ervaren loondienstexpert bij een bureau weggaat om voor zichzelf te beginnen, zal hij zich eerst gedurende een periode van vijf jaar als ondernemer moeten bewijzen. Grootkerk: “Hij moet bewijzen dat hij het behalve beroepsmatig ook financieel kan trekken. Tevens geldt als eis, dat de directie voor ten minste de helft uit Nivre-experts dient te bestaan.”
Verdieping rol expert
Grootkerk heeft beroepsmatig nog een duidelijke hartenwens. “Ik hoop op een zwaardere rol van de schade-expert, ja zelfs op een ontwikkeling naar de ultieme neutrale schadebehandelaar. Nu moet de expert de schade-omvang bepalen en toedrachtsonderzoek doen. De vraag in hoeverre de schade onder de dekking van de betrokken polis valt, is geheel voorbehouden aan de verzekeraars. Wij mogen bij wijze van spreken de polis niet eens zien. Ik opteer voor het Britse model van de loss-adjuster. Daar moet ik dan wel meteen bij zeggen, dat die Engelse expert anders is opgeleid. Die heeft tevens verzekeringskennis. Dit betekent dus dat de Nederlandse experts ook verzekeringskennis moeten opdoen.”
“Het voordeel in die situatie zal zijn, dat er sneller kan worden gewerkt en veel kosten kunnen worden bespaard als de expert tevens kijkt naar de dekkingsvraag. Dan kan de verzekeraar een groter deel van het schaderegelingswerk uitbesteden.”
Henk Grootkerk: “Wij mogen bij wijze van spreken de polis niet eens zien”.
Henk Grootkerk koos als scholier voor de HTS-opleiding Weg- en Waterbouw. Aansluitend werkte hij bij een constructieadviesbureau in de bouwnijverheid. Maar al na een jaar (in 1966) trad hij in dienst bij het toenmalige bureau Takkenberg-Groot als junior-expert. Grootkerk is dat bedrijf steeds trouw gebleven. In 1977 werd hij benoemd tot adjunct-directeur, in 1982 tot directeur en in 1990 tot algemeen directeur. Binnen het door diverse internationale fusies ontstane GAB Robins is hij nu area-manager voor continentaal Europa, Ierland en het Midden-Oosten. Binnen de branche is hij nu behalve BCE-voorzitter tevens (sinds vijf jaar) voorzitter van de BCTV, de Beurs Club Technische Verzekeringen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.