nieuws

Jan en Alleman deden ten onrechte beroep op rechtsbijstandsverzekering

Archief

Een opleidingsinstituut had een rechtsbijstandsverzekering, maar niet alleen het daartoe gerechtigd bestuur deed verzoeken om rechtsbijstand maar ook allerlei functionarissen eromheen die hiertoe niet bevoegd waren. Het aantal malen dat om rechtsbijstand werd gevraagd, was voor de verzekeraar een belangrijke factor om de polis op te zeggen. Hetgeen leidde tot een klacht van verzekerde voor de raad van toezicht.

Verzekerde, een stichting die psycho-sociaal werkenden opleidt, heeft sinds 26 april 1988 een rechtsbijstandverzekering. Volgens de polisvoorwaarden mag de verzekeraar de verzekering tussentijds opzeggen met een opzegtermijn van minstens één maand, als het risico voor de verzekeraar onaanvaardbaar hoog is of wordt.
Bij brief van 18 augustus 1993 heeft de maatschappij met een beroep op deze opzegbepaling de verzekering opgezegd met ingang van 24 september 1993, in verband met het schadeverloop.
Klacht
De stichting deed het volgende relaas. De instelling heeft zich op 18 juni 1992 tot de verzekeraar gewend in verband met de problemen die zij ondervond met haar toenmalige directeur en adjunct-directeur, een echtpaar. Verzekeraar heeft de stichting geadviseerd directeur en adjunct-directeur op staande voet te ontslaan. De stichting heeft dat advies opgevolgd. Verzekeraar had echter moeten en kunnen voorzien dat de stichting door het ontslag en de feiten waarom het ontslag werd gegeven, in ernstige organisatorische moeilijkheden zou komen. Twee advocaten hebben naderhand verklaard dat verzekeraar een onjuist advies had gegeven en dat de stichting niet tot een ontslag op staande voet had mogen besluiten.
Pas bij het royement van de verzekering is de stichting gebleken dat er, zonder medeweten van haar bestuur, diverse problemen zijn gemeld aan verzekeraar. Alleen leden van het bestuur van de stichting zijn bevoegd om schademeldingen (verzoeken om rechtsbijstand) te doen. Maar schademeldingen door anderen blijken bij verzekeraar meegeteld te zijn bij het besluit tot royement. Ook de vraag van de secretaris van het bestuur van de stichting of het mogelijk was om de bestuursleden tegen aansprakelijkheid te verzekeren, heeft verzekeraar als een schademelding aangemerkt.
De stichting verwijt verzekeraar dat hij te gemakkelijk of ten onrechte is overgegaan tot beëindiging van de verzekering en voert daarvoor het volgende aan:
– verzekeraar heeft een aantal schademeldingen ten onrechte beschouwd als rechtsgeldig namens de stichting gedaan terwijl hij toch beschikte over de statuten; daarin is verzekeraar tekortgeschoten;
– verschillende schademeldingen vloeien voort uit het ene arbeidsgeschil met haar directeur en adjunct-directeur.
Reden waarom ze bij de raad van toezicht een klacht indiende. Verzekeraar moet de kosten dragen van alle juridische consequenties die uit een en ander zijn voortgevloeid, vindt klaagster.
Standpunt van verzekeraar
De verzekeraar deed het volgende relaas.
De klacht kan volgens hem verdeeld worden in twee samenhangende onderdelen:
– verzekeraar heeft ten onrechte of te gemakkelijk de verzekering opgezegd;
– verzekeraar heeft een aangemelde arbeidskwestie verkeerd behandeld. Daaruit zijn alle verdere zaken voortgevloeid en bovendien is daardoor nadeel toegebracht aan verzekerde.
Gedurende de looptijd van de verzekering, dus sinds april 1988, heeft de stichting negen zaken aangemeld bij verzekeraar. Verzekeraar heeft per brief van 15 november 1993 een kort resumé gegeven van de aard van de zaken en de verleende rechtsbijstand. De arbeidskwestie waarover de klacht gaat, omvat meerdere procedures of geschilpunten die alle samenhangen met het arbeidsgeschil met de directeur en de adjunct-directeur van het instituut.
De verschillende verzoeken om rechtsbijstand zijn merendeels bij verzekeraar binnengekomen op papier van de stichting en ondertekend door functionarissen van de instelling. Eén zaak is aangemeld via de advocate die betrokken was bij de behandeling van de arbeidsgeschillen tegen de directeur en de adjunct-directeur nadat de stichting was gedagvaard. Een andere zaak werd telefonisch of mondeling aangemeld bij verzekeraar. Het verwijt is feitelijk onjuist en voor zover daar toch enige grond van waarheid in zou zitten, valt verzekeraar ter zake geen verwijt te maken, vindt hij. Immers, gezien de omstandigheden waaronder de schademeldingen plaatsvonden, mocht verzekeraar in redelijkheid aannemen dat deze meldingen gedaan werden namens de instelling.
Het arbeidsgeschil heeft inderdaad geleid tot een serie procedures. Op één na zijn al deze procedures geadministreerd in hetzelfde schadedossier. Zoals uit de opsomming in de brief van 15 november 1993 is op te maken, zijn de overige zaken niet aan te merken als uitvloeisels van het arbeidsgeschil.
Verzekeraar heeft de verzekering beëindigd in verband met het schadeverloop. Dat was buitengewoon veel hoger gebleken dan gemiddeld. Verzekeraar vreesde dan ook in de toekomst een soortgelijk hoog schadeverloop en om die reden achtte hij het gerechtvaardigd de verzekering te beëindigen.
Inzake de arbeidszaak merkt verzekeraar onder meer op dat in vervolg op het ontslag en in samenhang daarmee een flink aantal procedures is gevoerd tussen de stichting enerzijds en de ontslagen directieleden anderzijds. Ter zake van deze procedures heeft verzekeraar inmiddels een bedrag van f 29.000 aan advocaatskosten voldaan. Het is evenwel niet juist om te stellen dat deze procedures zijn voortgevloeid uitsluitend uit een onjuist advies tot ontslag op staande voet, aldus verzekeraar.
Commentaar van verzekerde
Verzekerde handhaaft haar standpunt. Ze merkt op dat haar klacht alleen het royement van de verzekering betreft op basis van onterechte schademeldingen. Bovendien heeft verzekeraar nagelaten om klaagster te waarschuwen dat te veel werd geclaimd. Een premieverhoging was voor klaagster zeker bespreekbaar geweest.
Daarnaast verlangt klaagster dat verzekeraar de consequenties draagt van het gegeven advies tot ontslag op staande voet.
Oordeel van de Raad van Toezicht
Nu blijkens het commentaar van verzekerde haar klacht alleen het royement van de verzekering betreft, beperkt de raad van toezicht daartoe.
Gelet op het aantal schademeldingen van verzekerde in de jaren 1989 tot en met 1993, heeft verzekeraar in redelijkheid het besluit kunnen nemen de rechtsbijstandsverzekering te beëindigen. Dat kwesties volgens de stichting niet door het bestuur zijn gemeld, doet daaraan niet af, nu verzekeraar – onweersproken door verzekerde – heeft aangevoerd dat de meldingen merendeels op papier van klaagster en ondertekend door functionarissen van de verzekerde zijn gedaan, zodat verzekeraar ervan mocht uitgaan dat deze meldingen namens klaagster werden gedaan. Verzekeraar heeft aldus de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf niet geschaad, aldus de raad van toezicht.
Uitspraak nr VI-95/3 in klacht nr. 069.94.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.