nieuws

Jaarverslagen: zijn het appels of peren?

Archief

U kent ze wel, die fraai ogende kleurige boekwerkjes. Glimmende omslagen, kunstige illustraties, grafieken en fotomateriaal. Verzekeringmaatschappijen gebruiken hun jaarverslag om hun beste beentje voor te zetten, onder meer bij het intermediair. Recente ontwikkelingen in het levensverzekeringsbedrijf en het toezicht daarop, hebben een positief effect op de belangstelling voor jaarverslagen van verzekeraars. Met name de vraag in hoeverre verzekeraars onderling kunnen worden vergeleken is actueel.

door R.H. Gaillard
Leest u al die jaarverslagen? Wat kunt u met al die informatie?
Om een willekeurige jaarrekening te kunnen doorgronden is algemene kennis van gehanteerde systemen en technieken nodig. Het analyseren van de verslaglegging van een verzekeraar vereist bovendien aanvullende kennis van branche-verslaglegging. Samenwerkingsverbanden tussen verzekeraars en banken maken de jaarverslagen er niet eenvoudiger op.
De bescheiden bedoeling van dit artikel is een aantal zaken aan de orde te stellen die van belang zijn als u zich enigzins wilt verdiepen in de jaarverslagen van verzekeraars, met het accent op het Levenbedrijf.
Uit het navolgende zal blijken dat het moeilijk is de resultaten en de financiële positie van verzekeraars, zoals die uit concernverslagen blijken, goed te vergelijken. De oplettende lezer zal echter wel enige indruk krijgen van de afmetingen van het speelterrein dat grondslagen heet. Een speelterrein dat past binnen wet en regelgeving, doch waarop sommige maatschappijen uiterst voorzichtig om de hindernissen bewegen terwijl anderen -zoals de Verzekeringskamer het uitdrukt- ‘Scherp zeilen’.
Hoe moet het jaarverslag van een verzekeraar nu worden gelezen?
Er zijn verschillende vormen van jaarverslaggeving. Verzekeraars geven informatie in het concernverslag en in halfjaarberichten maar ook aan de toezichthouder (de Verzekeringskamer in Apeldoorn).
Het concernverslag
Het concernverslag met zijn opvallende uiterlijk bevat de wettelijke jaarverslaggeving hetgeen omvat het Directieverslag, de Jaarrekening en de Overige Gegevens. De relevante cijfers en toelichtingen in de jaarrekening worden gevonden door, vanuit de balans en de winst- en verliesrekening, de bijbehorende specificaties in de toelichting op te slaan. Daaruit blijkt de splitsing tussen:

  • – het bank- en verzekeringsbedrijf 
  • – het levenbedrijf, het schadebedrijf en de overige activiteiten 
  • – de branches van het schadebedrijf (resultaten, technische voorzieningen) 
  • – de opbouw van het resultaat van het Levenbedrijf 
  • – het Nederlandse en het buitenlandse bedrijf 

Over het algemeen bevat de concernjaarrekening geconsolideerde cijfers (alle maatschappijen samen) en enkelvoudige cijfers (alleen de top-holding). Van belang zijn met name de geconsolideerde gegevens van de verzekeraar, omdat de verschillende tot de verzekeringsgroep behorende maatschappijen nooit geheel los van elkaar kunnen worden gezien.
WTV-staten
Vrijwel elke verzekeraar moet bij de Verzekeringskamer (VK) jaarlijks een aantal voorgeschreven staten indienen. Deze worden, naar de Wet Toezicht Verzekeringsbedrijf, veelal de ‘WTV-staten’ genoemd. Zoals mag worden verwacht geven deze staten meer informatie over de betreffende maatschappij dan het Concernverslag. Deze staten zijn uitsluitend gericht op het verzekeringsbedrijf; worden afzonderlijk voor het schade- en levenbedrijf opgesteld; (de Leven-staten bevatten o.m. de Bedrijfsrekening, zie kader); bieden gedetailleerde branche- en produktgerichte informatie, analyses; geven het oordeel van de actuaris weer over de toereikendheid van de Actuarieel berekende Voorzieningen.
De bedrijfsrekening
Het resultaat van het levenbedrijf wordt in de WTV-staten nader geanalyseerd in de Bedrijfsrekening. Deze is als volgt opgebouwd (De cijfers 3) betreffen alle verzekeraars werkzaam in Nederland in 1992, in miljoenen guldens): Interest Interest, verdiend voor verzekeringen 13.511 Interest, noodzakelijk voor verhoging VVP (7.392) Resultaat op interest 6.119 Kosten Kostendekking uit de portefeuille (premies) 2.872 Werkelijke kosten (3.688) Resultaat op kosten (816) Grondslagen en ontwikkeling portefeuille Effect van afwijkende technische uitkomsten (sterfte, mutaties) 1.158 Gevolgen van wijziging berekeningsmethoden (204) Totaal resultaat op grondslagen Leven 6.257 Zoals uit deze totalen blijkt werd in 1992 door het levensverzekeringsbedrijf in zijn geheel het meest verdiend aan de rentemarge. De voorzichtige keuze van sterftekansen leidde eveneens tot een forse bate, doch de kostendekking was verre van volledig. Dit is tot nu toe een vertrouwd beeld, dat samenhangt met de toepassing van de netto-methode (zie de tekst) voor de berekening van de VVP in een groeisituatie. Het beeld wordt overwegend bepaald door de grote maatschappijen, die in het verleden meer winstgevende posten konden afsluiten (de ‘Gasbel’, zie tekst) dan tegenwoordig mogelijk is. ******************* einde kader ***************************
De bij de VK ingediende staten zijn voor een groot deel openbaar. Verzekeraars stellen de staten dan ook wel ter beschikking van belangstellenden. De Wet biedt verzekeraars zelfs de mogelijkheid om de ‘openbaar te maken’ WTV-staten te hanteren als de wettelijke jaarrekening; een aantal verzekeraars maakt van deze mogelijkheid gebruik.
Als we de juiste overzichten en specificaties in het concernverslag en eventueel de WTV-staten hebben gevonden dienen we ons te buigen over de belangrijkste vraag: Hoe zijn deze cijfers tot stand gekomen?
Waardering en resultaatbepaling
In het navolgende wordt de blik beperkt tot een drietal hoofdgebieden die van doorslaggevende betekenis zijn voor de jaarcijfers van verzekeraars:

  • – voorziening schade; 
  • – voorziening verzekeringsverplichtingen (VVP); 
  • – beleggingen. 

De technische voorzieningen zijn zo omvangrijk dat een kleine aanpassing van de onderliggende schattingen enorme effecten kan hebben op het jaarresultaat. Dit geldt ook voor de verwerking van waardemutaties inzake de beleggingen. Deze effecten kunnen op verschillende wijzen door maatschappijen worden toegerekend aan boekjaren. Verder kunnen ze in de winst- en verliesrekening tot uitdrukking komen, maar soms ook direct in het vermogen worden aangebracht.
In de Toelichting bij de Balans en Winst- en Verliesrekening vinden we de ‘Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling’. Hierin moet zijn aangegeven hoe de technische voorzieningen zijn berekend, hoe de waarde van de beleggingen is bepaald en hoe waarderingswijzigingen en transactieresultaten inzake beleggingen worden behandeld.
De jaarrekening is dus de primaire informatiebron, met name de in de toelichting opgenomen specificaties en teksten. Voor een zo compleet mogelijk overzicht is het evenwel noodzakelijk ook het directieverslag te raadplegen. Daarin is bijvoorbeeld ook toekomstgerichte informatie opgenomen.
Het Schadebedrijf
De Voorziening Schade geeft aan wat een maatschappij opzij heeft gezet als dekking voor schaden die hun oorzaak vinden in de periode vóór het opmaken van de balans. En die zijn ten dele nog onbekend!
Hoewel grotendeels onzichtbaar in de verslaglegging, zullen voorzieningen zijn gevormd voor:

  • – specifieke dossiers, eventueel op basis van gemiddelde schadebedragen gereserveerd; 
  • – schaden die waarschijnlijk reeds zijn opgetreden doch nog niet zijn gemeld (IBNR); 
  • – schadebehandelingskosten. 

Met betrekking tot de IBNR-voorziening (Incurred But Not Reported) wordt in de Grondslagen veelal een standaardformulering gebruikt die erop neerkomt dat met dit soort schades rekening wordt gehouden. Er zijn echter geen voorschriften voor de berekeningswijze, afgezien van de algemene bepaling dat de voorzieningen ‘toereikend’ moeten zijn.
Hoe kan nu een oordeel worden verkregen over de vraag of er te weinig, genoeg, of teveel wordt gereserveerd? Afgezien van paranormale gaven kan de buitenstaander zich hiervan alleen achteraf een oordeel vormen, door de uitloop van de reserveringen te beoordelen. De WTV-staten geven hierover uitsluitsel (zie kader).
Uitloop
De voorziening schade wordt per branche, per evenementsjaar bepaald. Als alles goed gaat kan uit de getroffen voorziening voor de branche Ziektekosten alle ultimo boekjaar nog uit te betalen schade worden gefinancierd. Het gaat bij ziektekosten al snel om een vol kwartaal schade. Na afloop van het eerste kwartaal van het volgende boekjaar kan de rekening meestal wel worden opgemaakt: Voorziening was 750 Uitbetaald 650 Nodig voor nog af te wikkelen posten 50 Totaal bleek dus nodig 700 Verschil (overschot) 50 In dit geval is dus sprake van een positieve ‘uitloop’. Bij een voorzichtig reserveringsbeleid hoort theoretisch zelfs een voortdurende positieve uitloop. Menselijk handelen laat zich door deze theorie echter niet leiden, getuige de ontwikkeling van de aansprakelijkheidsverzekering. ********************** einde kader ***************************
Hoewel ook aan een evaluatie van de verrichte reserveringen door middel van analyse van uitloopresultaten bezwaren kleven, zijn er goede argumenten om in de toekomstige verslaglegging meer aandacht te geven aan deze cijfers 1). Daarom is het goed dat met ingang van de verslaglegging over het jaar 1995 belangrijke uitloopresultaten nader moeten worden toegelicht. Resteert natuurlijk nog de vraag wat dan belangrijk is….
Het Levenbedrijf
Levensverzekeringen hebben een langere looptijd dan schadeverzekeringen. Dat maakt het toerekenen van resultaten aan boekjaren nog moeilijker dan het bij schadeverzekering soms al is.
Centraal staat de ontwikkeling van de Voorziening voor (levens-)verzekeringsverplichtingen (VVP) en de direct daaraan verbonden posten. Kleine verschillen in de gehanteerde methode van berekening van de VVP hebben, door de omvang van deze voorziening, (zeer) grote gevolgen voor het resultaat en het eigen vermogen.
Er bestaat een breed spectrum van berekeningswijzen voor de bedoelde balansposten, elk met een verschillende mate van ‘voorzichtigheid’. Het gaat met name om de behandeling van (eerste) kosten, winstgaranties en sterftekansen.
1. Kosten
Enkele veel voorkomende methoden van kostenverantwoording zijn de volgende.
Netto-methode
In de klassieke versie van deze methode worden de zgn. Eerste kosten (met name afsluitprovisie) in het eerste jaar van de verzekering geheel ten laste van het resultaat gebracht, zodat het eigen vermogen direct met deze kosten is verminderd. Met toekomstige kostenvergoedingen die via de premies worden geïnd wordt voorzichtigheidshalve geen rekening gehouden.
Zillmermethode
Bij deze methode wordt bij de berekening van de VVP rekening gehouden met een deel van de toekomstige dekking van de eerste kosten, zodat slechts het restant van de acquisitiekosten direct ten laste van het resultaat komt (en dus in mindering op het eigen vermogen).
De Netto-methode is van deze twee methoden in beginsel de meest voorzichtige. Er bestaan in de praktijk echter verschillende toepassingsvormen resp. aanvullingen op de basismethoden. De financiële uitkomsten kunnen hierdoor bij verschillende maatschappijen -ook bij hantering van dezelfde methode- aanzienlijk verschillen.
Combinatie met activering van eerste kosten
Strikt bedrijfeconomisch gezien is de Netto-methode een merkwaardige wijze van verwerken, omdat deze leidt tot een beruchte mismatch (zie kader).
De Mismatch van de Netto-methode
Een sterk groeiende levenmaatschappij die de VVP volgens de Netto-methode berekent, maakt tijdens deze groeiperiode grote verliezen op kosten door de verwerking (lasten) van de hoge Eerste kosten. Een levenmaatschappij die sterk terrein verliest maakt -afhankelijk van de portefeuille- winst op de kostenfactor, omdat de Eerste kosten van lopende posten al zijn afgeschreven, er weinig afsluitprovisie wordt betaald en er via de premies een kostendekking wordt ontvangen. Bij kleinere maatschappijen kan het resultaat op kosten het gehele maatschappijresultaat bepalen. ******************** einde kader *************************
Steeds meer maatschappijen gaan er toe over -onder handhaving van de Netto-methode- een deel van de eerste kosten te activeren en af te schrijven in een aantal jaren, waardoor het ‘netto’-effect afneemt en een betere afstemming (matching) van opbrengsten en kosten ontstaat. De periode waarover afschrijving plaatsvindt verschilt echter per maatschappij. Ook de definitie van ‘eerste kosten’ is niet bij alle maatschappijen gelijk.
Als gevolg van activering van kosten en een toenemend gebruik van de Zillmer methode voor de VVP daalden de kosten, in een percentage van de premies, van 17,1 over 1988 tot 14,7 in 1992 2).
2. Afschrijving van rentestandkorting (RSK); winstgaranties
De aan verzekerden verleende RSK is een vergoeding voor het verschil tussen de prijs van een leven-produkt op basis van een te realiseren beleggingsopbrengst van 4% (in tarief verwerkt) enerzijds en de feitelijk verwachte beleggingsopbrengst anderzijds.
De verleende RSK wordt geactiveerd en over een aantal jaren ten laste van de winst- en verliesrekening afgeschreven. Traditioneel geschiedde dat bij veel maatschappijen over een periode van acht jaar (de fiscaal toegestane termijn). Daarmee werd de RSK vrij snel in mindering op het eigen vermogen gebracht.
Bij een groeiend aantal maatschappijen wordt de RSK over een langere -per maatschappij verschillende- periode afgeschreven. Als gevolg van de verlenging van de afschrijvingstermijn daalden de RSK-afschrijvingskosten van 13,1% van de verleende RSK in 1988 tot 10,2% van de verleende RSK in 1992 2).
De RSK is een vorm van overrente-deling die (nu nog) relatief goed in de Concernverslagen terug te vinden is. Dat is niet het geval met de opbouw van een voorziening voor afgegeven winstgaranties (onderdeel van de VVP), waarbij de opbouwperiode tot nu toe 5) per maatschappij kon verschillen. De WTV-staten geven meer inzicht in de verwerking van de overrente.
3. Sterftekansen
Sterftetafels geven aan hoe lang we gemiddeld op deze aardbol rondlopen. En dat is steeds langer. Hantering van de ‘oude’ tafel, die destijds heeft gediend voor de bepaling van een vaste premie, leidt tot een te lage voorziening voor pensioen of lijfrente. Het verschil met de berekening volgens recente sterftetafels (het ‘langlevenrisico’) noodzaakt tot het versterken van de VVP. Uit de jaarrekening en het Directieverslag kan blijken of het risico voor de betreffende maatschappij van belang is en welk beleid daarvoor is ontwikkeld.
Méér informatie over sterftetafels en de toepassing daarvan (belangrijk zijn ook de ‘leeftijdsterugstellingen’) kan verkregen worden door bestudering van de WTV-staten.
Beleggingen
De verschillende mogelijkheden tot verwerking van beleggingstransacties en -opbrengsten kunnen tot belangrijke verschillen in eigen vermogen en resultaat leiden. Het is in dit verband nodig de beleggingen te verdelen in:

  • – rentedragende waarden (leningen, obligaties etc.); 
  • – zaakwaarden (onroerend goed, aandelen). 

Rentedragende waarden worden veelal gewaardeerd op aflossingswaarde (nominaal). Dit houdt verband met de lange-termijn doelstelling van de belegging. Het verschil tussen aankoopprijs of verkoopprijs enerzijds en de nominale waardering in de jaarrekening anderzijds wordt in Nederland veelal gespreid over een aantal jaren als resultaat verwerkt. Dit ‘uitsmeren’ leidt uiteraard tot andere uitkomsten dan wanneer deze verschillen direct volledig in het resultaat worden verwerkt, hetgeen eveneens voorkomt.
Voor onroerend goed en aandelen wordt de waarde op lange termijn geacht toe te nemen. De ‘ongerealiseerde waardemutaties’ vormen een belangrijk deel van het totaal-rendement van zaakwaarden. De ontwikkeling van de taxatiewaarde resp. de beurswaarde in enig jaar worden tot nu toe meestal rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkt. Er verschijnt dan geen resultaat in de winst- en verliesrekening. Voor een goed inzicht moet de lezer van het jaarverslag dus de vermogensmutaties (via de herwaarderingsreserve) naast de resultatenrekening leggen en rekening houden met de belastingeffecten.
Gelukkig is er een tendens de lezer over het ‘totaalrendement’ beter te willen informeren, door aanvullend cijfermateriaal te verstrekken. Het WTV-verslag kan ook hier het puzzelen vereenvoudigen.
Gasbellen
Bij het vergelijken van levenmaatschappijen is de historie van de portefeuille van betekenis. In een ‘oude’ portefeuille kan een serie zeer winstgevende produkten lopen, waarvan de resultaten in de toekomst tot uitdrukking zullen komen. Dit fenomeen is bekend geworden als ‘de Gasbel’.
Gasbellen blijken niet uit de jaarrekening. Zij kunnen ten dele ‘impliciet’ zijn aangewend om ongunstige ontwikkelingen uit ‘oude’ portefeuilles, zoals het langleven-risico, op te vangen. Hieruit blijkt dat lang niet alles zichtbaar is in de jaarverslagen, en dat geldt eveneens voor matching en herverzekeringen.
We hebben gezien dat waarderingsstelsels zoals de Netto methode een ‘mismatch’ van lasten en baten kunnen opleveren. Van nog groter belang is de vraag in hoeverre toekomstige uitgaande kasstromen in evenwicht zijn met alsdan vrijkomende gelden. Omvang, looptijd, rentevergoeding en valuta van enerzijds de verplichtingen en anderzijds de daarbij gekozen beleggingen dienen gesynchroniseerd te zijn. Uit het concernverslag kan de lezer zich slechts een zeer beperkt oordeel vormen over deze aspecten. Wel gaat de directie er in haar verslag soms op in.
De toelichting op de herverzekeringsdekking is in concernverslagen zeer beperkt. Een globaal beeld van de risico’s bij schadeconcentraties kan vrijwel alleen op basis van de WTV-staten worden verkregen.
Sommige herverzekeringscontracten houden -sterk vereenvoudigd- in dat de risico’s in een verzekeringsportefeuille tot op zekere hoogte worden overgedragen of dat een voorschot wordt ontvangen op in de toekomst verwachte positieve geldstromen. Dergelijke contracten hebben ten dele een financieringskarakter (financiële herverzekering). Evenals bijvoorbeeld een Operational Lease blijken deze verplichtingen niet uit de balans zelf, doch uitsluitend uit de toelichting in de jaarrekening.
Economische verslaglegging
Hoewel voorzichtigheid voor verzekeraars vóórop blijft staan, wordt de overheersende invloed van de voorzichtigheid op jaarrekeningen langzaam verminderd door elementen van een meer bedrijfseconomisch georiënteerde benadering. In dit kader passen de eerdergenoemde activering van eerste kosten en de langere afschrijving van RSK.
Op de Verzekeringsdag 1994 van de sector Verzekeringen van Moret Ernst & Young werd door enkele inleiders een verslagleggingsmodel voor het verzekeringsbedrijf 3) gepresenteerd dat een synthese beoogt te zijn tussen de strikt bedrijfseconomisch bepaalde cijfers en de volgens de voorschriften van het Toezicht (dus voorzichtig) bepaalde cijfers. Het behandelde model maakt gebruik van de tegenwoordig in de literatuur veel genoemde Embedded Value (zie kader).
Appraisal Value
Theoretisch bezien bepalen de toekomstige vrije kasstromen de waarde van een onderneming. Benaderen we de kasstromen vanuit de bestaande verzekeringsportefeuille dan wordt gesproken van Embedded value. Houden we ook nog rekening met toekomstige produktie dan wordt de waarde veelal aangeduid als Appraisal Value.
Embedded Value berekeningen en de analyse van wijzigingen daarin kunnen van groot belang zijn voor het management van een verzekeraar. De bruikbaarheid voor de externe verslaggeving hangt sterk af van de mate waarin inzicht wordt verschaft in de achterliggende veronderstellingen (discontovoet, mutaties in de portefeuille, interest op herbeleggingen, kostenontwikkeling, belastingdruk, etc.). ********************* einde kader ***************************
Solvabiliteit
De recente ontwikkelingen rond Vie d’Or hebben geleid tot een verhoogde aandacht voor de solvabiliteit van verzekeraars. De VK heeft in dit kader inmiddels voorgesteld de toezichthoudende functie te versterken 4), onder meer betreffende de solvabiliteitseisen. Gevoegd bij de in juli 1994 doorgevoerde aanscherping van de voorschriften 5) voor de berekening van de VVP, kan een verhoging van de vereiste solvabiliteitsmarge voor een aantal maatschappijen tot hoge extra lasten resp. beperking van de uitkeerbare resultaten leiden.
Als u zich een oordeel wilt vormen over de solvabiliteit van verschillende verzekeraars vormt het eigen vermogen van deze maatschappijen ongetwijfeld uw uitgangspunt. In het voorgaande heb ik aangegeven -zonder volledig te kunnen zijn- dat voor deze vergelijking ook inzicht vereist is in de samenstelling en de totstandkoming van de cijfers.
Met ingang van het boekjaar 1995 zullen de jaarrekeningen van verzekeraars volgens nieuwe wettelijke voorschriften qua uiterlijk verder geüniformeerd worden.
Het blijven echter verschillende ‘vruchten van de verslagleggingsboom’. Alleen de VK beschikt over de middelen om vast te stellen of het om appels of peren gaat en of ze goed smaken.
& Young Accountants te Den Haag. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.
d’Or ?: enige maatschappelijke beschouwingen naar aanleiding van de financiële verslaggeving van het verzekeringsbedrijf’ (Inaugurele rede Rotterdam), Gouda Quint -1994
van der Schaaf-Visser AAG, drs. P.H.M. Kuys AAG en L.J.M. Roodbol AAG tijdens de Verzekeringsdag 1994 van Moret Ernst & Young.
1994
Gaillard: “Verzekeraars gebruiken het jaarverslag om hun beste beentje voor te zetten”.
Let op de buitengewone items…
Hoe zijn de cijfers tot stand gekomen?
Wijzigingen van de grondslagen verdienen bijzondere aandacht.
Voorzichtigheid voorop…
Grote verzekeraars zijn internationaal bezig.
Vastgoed: meer rendement en meer risico.
Het directieverslag analyseren.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.