nieuws

Jaarruimte en inhaalruimte compenseren verlies basisaftrek

Archief

Gemak dient de mens en dus geeft de mogelijke afschaffing van de basisaftrek lijfrente geen reden tot juichen. Met behulp van de jaarruimte en de inhaalruimte kan het verlies van de basisaftrek goed worden opgevangen, zo zei fiscaal jurist Gerard Tekelenburg onlangs tijdens een Amev-seminar. “Zelfs bij een werknemer met een perfecte eindloonregeling blijft nog e 600 over als aftrek”, zo stelde hij. Hieronder legt Tekelenburg uit hoe.

De aftrek van lijfrentepremie in de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is gegrond op het ruimtesysteem. Dit systeem bestaat uit:
– basisruimte/basisaftrek;- jaarruimte/jaaraftrek;- reserveringsruimte/inhaaljaaraftrek.Specifiek voor zelfstandige ondernemers en vrije beroepsbeoefenaren zijn er nog twee andere aftrekmogelijkheden, namelijk de mogelijkheid tot omzetting van de oudedagsreserve in lijfrentes en de mogelijkheid tot omzetting van de stakingswinst in lijfrenten.
De basisaftrek bedraagt dit jaar e 1.069. Iedere belastingplichtige kan hiermee een oudedagsvoorziening opbouwen of aanvullen. Voor deze basisaftrek maakt het niet uit of iemand wel of niet een pensioentekort heeft. Degenen die meer premie willen aftrekken dan e 1.069, moeten aantonen dat zij een pensioentekort hebben. Een eventueel pensioentekort kan worden berekend via de formule voor de jaarruimte.
Als de formule van de jaarruimte een positieve uitkomst oplevert, is er een pensioentekort. Is de uitkomst van de formule minder dan e 1.069, dan kan via de basisruimte toch voor een bedrag van e 1.069 fiscaal gefacilieerd een oudedagsvoorziening worden gevormd of verbeterd.
Jaarruimte
De jaarruimte wordt berekend volgens de volgende formule: 17% (IG – AF)- 7,5A – F – B – BSR, óf 17% (PG) – 7,5A – F – B – BSR. IG staat voor inkomensgrondslag (het voor de opbouw van lijfrentes relevante inkomen), AF voor AOW-franchise, PG voor premiegrondslag, A voor de aan het jaar toe te rekenen pensioenaangroei, F voor dotatie aan de oudedagsreserve, B voor basisaftrek (indien en voorzover benut) en BSR voor gedeblokkeerde vrijwillige pensioenpremies.
De premiegrondslag bestaat uit het relevante inkomen (IG), nadat dit is verminderd met een AOW-franchise ter grootte van e 10.203. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Bij de jaarruimte gaat de wetgever er door de aftrek van de AOW-franchise, vanuit dat een ieder op 65-jarige leeftijd recht heeft op een volle AOW-uitkering. Indien er geen recht op een volle AOW-uitkering is, wordt daar in de lijfrentesfeer geen compensatie voor geboden. De PG bedraagt maximaal e 136.887. De jaaraftrek is dus maximaal 17% hiervan (= e 123.271).
Met het relevante inkomen worden de inkomensbestanddelen aangeduid, waarover de jaaraftrek wordt berekend. De inkomensgrondslag is de som van:
– belastbare winst uit onderneming;- belastbaar loon, eventueel verhoogd met de nettobijtelling wegens privé-gebruik van de auto van de werkgever (netto wil zeggen het autokostenforfait minus de eigen bijdrage van de werknemer);- belastbaar resultaat uit werkzaamheid;- belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen.Bij uitvoeringsregeling kan worden bepaald dat pensioen-, lijfrente- en vergelijkbare uitkeringen niet tot de inkomensgrondslag behoren. Met andere woorden, dat deze uitkeringen voor de berekening van de jaarruimte niet meetellen.
Pensioenaanspraken
Voor werknemers aan wie pensioenaanspraken zijn verleend en die actief deelnemen aan een pensioenregeling wordt het bedrag van 17% van PG verminderd wegens de aangroei van de pensioenaanspraken (factor A) in het aangiftejaar. Pensioenaanspraken zijn op grond van de omkeerregel (aanspraak vrij, uitkering belast) vrijgesteld. Volledige aftrek van lijfrentepremie naast de (belastingvrije) opbouw van pensioenaanspraken vindt de fiscus te veel van het goede. Volgens de formule van de jaaraftrek dient een bedrag ter grootte van 7,5 maal de pensioenaangroei in mindering te worden gebracht. Een voorbeeld: een werknemer bouwt 1,75% pensioen op in een eindloonregeling. Het pensioengevend loon is e 55.000, de AOW-franchise e 15.000. De pensioenaangroei (A) is dan 1,75% van e 40.000 (e 55.000 – e 15.000) = e 700. De imputatie is dan 7,5 maal e 700 = e 5.250.
Aan de vermenigvuldiging met de factor 7,5 ligt de volgende berekening ten grondslag: 17% x 35 x 100/70 x 88/100 = 7,48, afgerond 7,5.
Hierbij is uitgegaan van enkele ficties. Voor de opbouw wordt uitgegaan van 17%, het percentage van de jaarruimte, als veronderstelde opbouwperiode is uitgegaan van 35 jaar, verondersteld is dat 70% van het actuele inkomen wordt opgebouwd. Ten slotte wordt het vervallen van de bijtelling van de eigen bijdrage van de werknemer aan de pensioenpremie bij het belastbare loon in de Wet IB 2001 gecompenseerd door maar 88% van de aangroei in aanmerking te nemen en niet de volle 100%.
Toevoegingen van ondernemers aan de oudedagsreserve (F) worden ook in mindering gebracht op de jaarruimte, omdat onmiddellijk daarna of later het bedrag van de toevoeging kan worden omgezet in lijfrente. Als gebruik is gemaakt van de basisaftrek wordt de jaaraftrek geacht al te zijn benut. Tenslotte moeten vrijwillig betaalde pensioenpremies die zijn gefinancierd via deblokkering van een bedrijfsspaarrekening ook worden geïmputeerd op de jaarruimte. De aangroei voortvloeiende uit deze vrijwillige gedeblokkeerde pensioenpremies wordt niet in de factor A begrepen. Zou dit wel het geval zijn, dan zou zowel de premie als de aan deze premie toe te rekenen aangroei tot vermindering van de jaarruimte leiden.
Voorbeelden
Een werknemer heeft aan belastbaar loon e 48.000. Het pensioengevende loon is e 43.000 en de AOW-franchise e 13.000. Er geldt een middelloonregeling met een jaaropbouw van 2%. De jaarruimte is nu: jaarruimte: 17% (48.000 – 10.203) – 7,5 x 2% (43.000 – 13.000). Dit is e 6.425 – e 4.500 = e 1.925.
In een tweede voorbeeld zijn zowel het belastbaar loon als het pensioengevend loon e 40.203. De AOW-franchise in de pensioenregeling (middelloon, opbouw 2%) is e 10.203. De jaarruimte is nu: 17% ( 40.203-10.203) – 7,5 x 2% x (40.203 – 10.203) = e 5.100 – e 4.500 = e 600. Een snellere berekening is: 2% (17%-15%) maal e 30.000 = e 600.
Nog een derde voorbeeld: het belastbaar loon is e 25.703 en er is een eindloonregeling met 1,75% opbouw. De jaarruimte is nu: 3,875% van e 25.500 = e 600. De 3,875% wordt bereikt via: 17% – 13,125% (7,5 x 1,75%).
Opbouwkansen
In werkelijkheid en in afwijking van het tweede en derde voorbeeld is het pensioengevend loon vaak (veel) lager dan het belastbare loon en is de AOW- franchise in de pensioenregeling vaak (veel) hoger dan e 10.203. De conclusie is dan ook dat heel vaak, ook bij relatief lage lonen, de jaarruimte nog een redelijke opbouwmogelijkheid biedt om de oudedagsvoorzieningen in de richting van de 70% van het laatst genoten inkomen te brengen. Die 70% wordt via de pensioenregeling in heel veel gevallen niet gehaald!
Zoals bekend is een wetsvoorstel ingediend om de basisaftrek lijfrente per 1 januari 2003 te laten vervallen. Dat is jammer, omdat in veel gevallen via de jaarruimte weliswaar een aftrek ter grootte van de basisruimte ook te bereiken is, maar de eenvoud van de basisaftrek verre te prefereren is boven de rompslomp die de berekeningen en het leveren van de hiervoor benodigde gegevens voor de jaarruimte straks voor iedere aftrek van lijfrentepremie met zich meebrengen. Wie zit daar nu op te wachten?
Fiscale en Juridische Zaken.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.