nieuws

Intermediair ziet geen gevaar in decentrale acceptatie

Archief

Tussenpersonen maken zich over het algemeen geen zorgen over een te sterke binding met maatschappijen waarvan ze een decentraal acceptatie-systeem gebruiken. Wél zijn ze van mening dat verzekeraars de bijkomende extra werkzaamheden voor het intermediair zouden moeten vergoeden. Dit blijkt uit een telefonische enquête van AM onder een aantal kantoren dat actief gebruik maakt van ADN en acceptatiesystemen.

Decentrale acceptatie, waarbij kennissystemen van maatschappijen op het assurantiekantoor worden geïnstalleerd en waarmee polissen direct aangemaakt kunnen worden, kent vele gedreven fans maar minstens evenveel fanatieke opposanten.
Acceptatie op het assurantiekantoor is prachtig, zo menen de fans, want: het scheelt verzekeraars een enorme berg werk en het biedt de tussenpersoon de mogelijkheid om – voor wat de bulkprodukten betreft – zelf als ‘verzekeraar’ op te treden.
Decentraal accepteren is een duivels systeem, vinden de tegenstanders, want: de berg werk schuift (zonder vergoeding) van het bordje van verzekeraars op dat van de tussenpersoon, waarbij de laatste bovendien in een verstikkende omhelzing wordt gedwongen met de maatschappij waarvan hij het acceptatiesysteem in huis heeft gehaald.
In de stormachtige discussie over de voor- en nadelen van het systeem, die woedde tussen producenten, opdrachtgevers en ‘beroepscritici’, viel op dat de uiteindelijke gebruiker maar nauwelijks aan het woord kwam. Wat vindt de tussenpersoon die ervaring heeft met acceptatiesystemen eigenlijk zélf van het mogelijke gevaar van gebondenheid, de kostenfactor en de praktische problemen van het werken met (meerdere) acceptatiesystemen?
Verkeerde kreten
L. Kelderman, directeur van Assurantiebedrijf Kaandorp in Akersloot, werkt zelf met NadNet (het acceptatiesysteem van NN) en noemt de discussie over het gevaar van gebondenheid bij het gebruik van decentrale acceptatie-systemen “belachelijk”. “De hele discussie gaat over de verkeerde kreten. Men zou zich druk moeten maken over inhoudelijke zaken, zoals bijvoorbeeld de deskundigheid van het advies en niet over dit soort technische kwesties”.
Het gevaar van te grote gebondenheid werd door slechts een enkele geënquêteerde tussenpersoon onderschreven. De door ons benaderde kantoren bleken voor het merendeel over één of meerdere acceptatiesystemen te beschikken en brachten volgens eigen zeggen ook vóór de komst van het systeem al een groot deel van de produktie naar de aan het acceptatiesysteem gekoppelde maatschappij(en). Geen van de ondervraagden heeft dan ook het idee dat er meer produktie dan voorheen naar de betrokken maatschappijen vloeit.
P.C. van Houwelingen, van het gelijknamige assurantiekantoor in Dordrecht en één van de NadNet-gebruikers van het eerste uur, vindt de kwestie omtrent de binding met maatschappijen eveneens overtrokken. “Als het systeem of een bepaalde druk vanuit de maatschappij mij niet zou bevallen, dan draai ik gewoon de knop om. Ik zet zo’n systeem binnen één dag buiten de deur, heel simpel. Volgens mij kun je dan niet spreken van een grote gebondenheid.”
Waardeloos
Een fervent tegenstander van decentrale acceptatie is R. Merkelbag, van het Amsterdamse assurantiekantoor Merkelbag & Co. Merkelbag draaide mee in de pilot-fase van NadNet. Daar ontstond zijn afkeer van het systeem: “Het was waardeloos. Ik moest van NadNet bij wijzigingen van de meest eenvoudige posten opeens zaken als het inkomen van de klant invoeren, en meer van dat soort onzinnige dingen.” Hierdoor, en door de vrees om te afhankelijk te worden van een systeemverschaffer, is Merkelbag voorstander van centrale acceptatie (hij is een van de weinigen die dit argument aanvoert, red.). Desondanks is het zijn verwachting dat de decentrale systemen het in de toekomst helemaal zullen gaan maken. “Het zijn tenslotte de verzekeraars die deze ontwikkeling bepalen en uit kostenoverweging zullen ze ongetwijfeld voor het decentrale systeem kiezen.”
Ook Van Houwelingen heeft kritiek op het NadNet-systeem. Hij is met het acceptatiesysteem blijven werken, maar ergert zich aan het feit dat NN niet goed luistert naar de gebruikers. Dat viel hem al op tijdens de proefneming. “In de pilot-fase hadden we veel problemen met het systeem, maar op de bijeenkomsten van de pilot-groep werd er door de anderen nauwelijks kritiek geuit. Later kreeg ik in de gaten dat een groot deel van de groep uit NN-captives bestond. Nou, dan weet je het wel.”
Het Eindhovense adviesbureau Janssen & Tempelaars, ‘een groot NN-kantoor’, werkt met NadNet ‘voor zover dat wil lukken’. “We worden hier hartstikke gek van dat systeem”, zegt T. Antonis, commercieel ondersteuner van de buitendienst. “Eigenlijk accepteert het systeem alleen een simpele AVP probleemloos. Een inboedel of auto pikt hij vrijwel nooit”, verzucht Antonis.
W. Klomp, van Klomp Assurantiën in Gemonde, kan zich juist nauwelijks voorstellen dat het NadNet niet goed functioneert. Ze gebruikt het systeem van NN zelf ook en is “in blijde verwachting van het Aepax-systeem”. Volgens haar moeten ze de schuld in Eindhoven bij zichzelf zoeken: “Als er met het systeem iets fout gaat, heeft de bediener dat meestal zelf op z’n geweten.”
Vrees voor een wildgroei van acceptatiesystemen heeft W. Lierens, staffunctionaris bij Windig Assurantie Adviseurs in Amsterdam. “Wij werken nu met Luxor en NadNet. Dat zijn twee systemen die op zich redelijk eenvoudig te bedienen zijn, maar als je ze naast elkaar moet gebruiken is dat te vergelijken met het tegelijkertijd werken met de tekstverwerkingsprogramma’s Words for Windows en Word Perfect. Zoiets is echt afgrijselijk voor de mensen die er mee moeten omgaan, want alles werkt nét even anders.” Volgens Lierens zitten de systemen van de maatschappijen bovendien bepaald niet slim in elkaar, waardoor ze buitengewoon veel intern geheugen in beslag nemen. “Ik heb wel eens het idee dat deze kennissystemen gebouwd worden door een stelletje hobbyisten”, zegt hij spottend.
Kosten voor intermediair
Zelfs ongevraagd laten alle benaderde assurantiekantoren blijken dat maatschappijen die gebruik maken van decentrale acceptatiesystemen een onkostenvergoeding zouden moeten betalen aan de tussenpersonen die er mee werken.
Kelderman (werkt met NadNet): “De kosten van deze manier van werken worden afgewenteld op het intermediair. Voor ons is het inzenden van papieren aanvraagformulieren goedkoper dan het werken met een acceptatiesysteem, terwijl we met dat laatste niets extra’s verdienen. Straks zitten we bovendien met allemaal verschillende systemen die niet op elkaar aansluiten, zodat je vervolgens gedwongen wordt tot vervanging van je computersysteem of programmatuur.”
Ook Lierens (werkt met NadNet en Luxor) is van mening dat maatschappijen een handlingsfee zouden moeten betalen voor de extra werkzaamheden van tussenpersonen. “De maatschappijen eisen extra kennis van het intermediair en zetten je voor extra uitgaven. Zo heeft ons kantoor het afgelopen jaar meer dan een ton uitgegeven aan automatisering. Het is toch niet onredelijk om daar iets tegenover te stellen.”

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.