nieuws

Instituut Asbestslachtoffers bepleit voorschotregeling

Archief

Het Instituut voor Asbestslachtoffers houdt in het eerste jaarverslag (2000-2001) een pleidooi voor een voorschotregeling. Het duurt gemiddeld negen maanden voordat de claim, die het Instituut verzorgt, leidt tot een uitkering. Vaak is het slachtoffer dan al overleden.

In ons land hebben meer dan 300.000 mensen, voornamelijk mannen, ooit gewerkt met asbest, een stof die sinds 1977 niet meer mag worden toegepast. Een deel van deze mensen is hiervan ziek geworden en een deel zal hiervan nog ziek worden. Het kan hierbij gaan om asbestose (stoflongen) en asbestgerelateerde longkanker. Maar in bijna de helft van de gevallen gaat het om de ergste asbestziekte: maligne mesothelioom, een verwoestende gezwelvorming in long- en buikvlies. De patiënt overlijdt meestal binnen een jaar, nadat de ziekte is geconstateerd. Naar schatting zal deze ziekte zich de komende tijd bij jaarlijks zo’n 350 mannen openbaren.
Voor patiënten met het maligne mesothelioom is het Instituut voor Asbestslachtoffers opgericht (aanvankelijk zou een instituut worden opgericht voor alle asbestziekten). Het Instituut, dat sinds februari 2000 operationeel is, helpt slachtoffers bij de aansprakelijkheidsprocedures die zij aanspannen tegen hun (ex)werkgever of diens verzekeraar. Gezien de medische toestand van de slachtoffers is hierbij snelheid geboden. Ook speelt mee dat bij deze aansprakelijkheidsclaims een verjaringstermijn geldt van dertig jaar, terwijl de ziekte een incubatietijd heeft van een jaar of dertig. Voor vele mannen met mesothelioom is het dus kort dag. Het instituut komt overigens uitsluitend in actie voor (nabestaanden van) slachtoffers die op 6 juni 1997 nog in leven waren.
Sneller
Om de juridische procedures daadwerkelijk sneller te laten verlopen, hebben betrokken partijen waaronder het Verbond van Verzekeraars en de organisaties van werkgevers een aantal afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het Convenant Asbestslachtoffers. Om langdurige discussies over de immateriële schade te voorkomen, is er een standaard bedrag aan smartengeld vastgesteld dat thans e 44.350 bedraagt. Voorts geldt voor materiële schade een minimumbedrag van e 2.464 en is een bedrag afgesproken van e 2.646 bij overlijden. De bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Om de procedures te versnellen zijn protocollen opgesteld voor de medische situatie en voor het arbeidsverleden. Om snel een eind te kunnen maken aan geschillen tussen de aansprakelijke partij en het instituut, is afgesproken dat deze worden voorgelegd aan de kantonrechter.
Het instituut beschikt zelf niet over experts, maar huurt op contractbasis externe deskundigheid in. Er wordt onder meer samengewerkt met BSA Schaderegeling, een dochterbedrijf van verzekeraar Loyalis.
Tegemoetkoming
Tegelijk met de oprichting van het instituut werd de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS) van kracht. Deze regeling is bedoeld voor slachtoffers van wie de (ex)werkgever failliet of onvindbaar is of bij wie om een andere reden een aansprakelijke partij ontbreekt. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de (ex)werkgever een beroep doet op de wettelijke verjaartermijn van dertig jaar. Een tijd geleden heeft de Hoge Raad overigens bepaald dat in zeer uitzonderlijke gevallen geen beroep kan worden gedaan op de verjaringstermijn van dertig jaar die geldt voor gevaarlijke stoffen. Op grond hiervan heeft onlangs het Gerechtshof in Den Haag in een bijzondere zaak de verjaringstermijn ongeldig verklaard. Het Verbond van Verzekeraars verwacht weinig vervolg op deze uitspraken.
De tegemoetkomingsregeling betreft een genormeerde smartengelduitkering en wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank, die zich hierbij baseert op een advies van het instituut. Het slachtoffer of zijn nabestaanden kunnen via deze regeling in het totaal een bedrag krijgen van maximaal e 15.882.
Dossiers
In de periode 2000-2001 zijn bij het Instituut Asbestslachtoffers 850 aanvragen binnengekomen. Hiervan kwamen er 225 binnen in de eerste twee maanden van het bestaan, dus in februari en maart 2000. “Voorspeld was dat er in die eerste maanden een stuwmeer aan aanvragen zou binnenkomen, maar dat is meegevallen”, aldus het jaarverslag. Na die eerste twee maanden was het aantal aanvragen redelijk stabiel.
Van de 850 binnengekomen aanvragen zijn er 615 afgerond. Eind 2001 waren er nog 235 aanvragen in behandeling. Het ging hierbij voornamelijk om nieuwe aanvragen en om dossiers waarover overeenstemming was bereikt, maar die in verband met bovennormatieve schade nog niet waren afgerond.
Bij de 615 afgeronde dossiers ging het in 120 gevallen om een schadevergoeding en in 234 gevallen om een uitkering door de Sociale Verzekeringsbank in het kader van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers (TAS). In 261 gevallen leidde de bemiddeling van het instituut niet tot een schadevergoeding. Bij de schadevergoedingen hadden de dossiers een ‘doorlooptijd’ van gemiddeld 8,9 maanden, bij de tegemoetkomingen was dit 7,8 maanden. De ‘doorlooptijd’ is voornamelijk afhankelijk van het aantal werkgevers per dossier. Vooral bij werknemers in de bouwsector is de aansprakelijkheid vaak terug te voeren op meerdere werkgevers.
Voorschotregeling
In het jaarverslag constateert het instituut dat door haar komst de “juridische lijdensweg voor slachtoffers is bekort”, maar dat het nog steeds voor komt, dat het slachtoffer tijdens zijn leven geen vergoeding ontvangt. Het asbestinstituut vindt dat onbevredigend en heeft daarom destijds bij staatssecretaris Hoogervorst van Sociale Zaken een – door de overheid te financieren – voorschotregeling aangekaart van e 15.882. …”De reactie was positief, maar daar is het tot dusverre bij gebleven.” Het Instituut gaat er nu over praten met de nieuwe staatssecretaris Mark Rutte.
De slachtoffers betalen niet voor de bemiddeling. De kosten van het instituut maken in beginsel deel uit van de claims en van de tegemoetkomingen van de Sociale Verzekeringsbank. Toch is er – ondanks (structurele) subsidies van de ministeries Sociale Zaken en Justitie – een financieel tekort ontstaan. Ten eerste maken de kosten die het instituut maakt voor arbeidshistorisch onderzoek, geen deel uit van de claim of de tegemoetkoming. Ten tweede zijn de kosten voor de dossiers die niet tot een goed resultaat leiden, niet te verhalen. Het tekort van e 198.000 is door genoemde ministeries aangevuld.
Het instituut is met betrokken partijen, zoals verzekeraars, werkgevers en overheid, in gesprek voor een structurele oplossing voor het probleem. De mogelijkheid dat de slachtoffers gaan betalen, is voor het instituut geen optie.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.