nieuws

‘Ik word droevig van de SEA-examens’

Archief

R. Goedhart is voormalig docent op het gebied van levensverzekeringen en pensioenen. Gezien de kritiek die hij heeft op het niveau van de examens die Stichting Examens Assurantiebedrijf afneemt, schreef hij een open brief aan de SEA.

Geachte dames en heren van de SEA,
Enkele jaren ben ik als docent opgetreden voor cursussen op het gebied van levensverzekeringen en pensioenen, die uitmondden in een SEA-examen. Verleden jaar had ik besloten er mee te stoppen.
Op zichzelf vind ik het heel plezierig om aan kennis-overdracht te doen, maar als ik dan zag hoe er geëxamineerd werd, werd ik er droevig van.
Ik heb me laten overhalen om voor het examen Pensioen Praktijk I van 15 maart jl. toch nog met twee groepen cursisten op te trekken.
Dat was op zichzelf al lastig. De syllabus van het SVV was van juni 1994. In juli 1994 zijn er ingrijpende wijzigingen in de Pensioen- en Spaarfondsen Wet doorgevoerd; begin 1994 was de ‘Wet verevening pensioenrechten bij scheiding’ al aangenomen (ingangsdatum 01-05-1995); eind verleden jaar werden er wijzigingen in de belastingwetgeving doorgevoerd (Brede Herwaardering II). Van dit alles was niets terug te vinden in de syllabus.
Natuurlijk mag ik dat u, als SEA, niet aanrekenen. Want hoewel u dezelfde directeur heeft als het opleidingsinstituut SVV en in hetzelfde pand gehuisvest bent, bent u natuurlijk volkomen onafhankelijk van de SVV…
Maar blijkbaar bent u toch bereid geweest een examen voor deze cursus op te stellen. (Eigenlijk een vreemde gang van zaken. Uit onderwijskringen hoor ik, dat een examen-instituut examens opstelt en dat er daarnaast ‘leerstof-aanbieders’ zijn. In dit geval ligt het dus volkomen anders.)
Wéér word ik geconfronteerd met het feit, dat u blijkbaar niet in staat bent om een goed examen op te stellen. Ik zal dit illustreren.
Vraag 1
U vraagt onder andere wat onder een ‘pensioenregeling’ verstaan wordt. Dit is ruim op te vatten. Zo ruim, dat er momenteel op verzoek van de overheid een groep deskundigen bezig is om hierover na te denken.
Uit de richtlijnantwoorden blijkt dat de elementen uit de fiscale pensioendefinitie in het antwoord voor moeten komen. Maar uit de vraagstelling blijkt niet dat u dát zou willen weten.
Vraag 2
U laat de examinandi berekenen wat het ‘WAO-gat’ is voor een 43-jarige persoon. Daarbij gaat u ervan uit, dat de kandidaat de betreffende formule in zijn/haar hoofd gestampt heeft. Zo niet, dan kan hij/zij de vraag niet beantwoorden.
Hoeveel formules denkt u dat een adviseur in de praktijk uit het hoofd weet? Het is u misschien niet bekend, maar er zijn daarvoor in de praktijk zeer handige hulpmiddelen zoals boekjes en computers.
De gegevens, die u bij de vraagstelling vermeldt voor de aanvullende berekening, kloppen niet met elkaar:

  • U vermeldt een minimumloon van f 28.000. Dit komt overeen met het werkelijke minimumloon inclusief vakantietoeslag. 
  • U vermeldt een AAW-uitkering van f 18.000. Nagenoeg hetzelfde als de werkelijke AAW-uitkering, maar dan exclusief vakantietoeslag. 

Blijkbaar is de examencommissie in haar eigen ‘valkuil’ gelopen, want het richtlijnantwoord klopt niet.
Vraag 3
U voert in de vraag een meneer op, die blijkbaar een pensioenvoorziening wil door middel van een kapitaalverzekering met pensioenclausule. Naast een heleboel (tariefs)gegevens vermeldt u dat de betreffende verzekering aan premie / 13.000 kost. U vraagt vervolgens te berekenen welk lijfrente-tarief er is toegepast.
Dit is een vraag, waarmee de geëxamineerde in de praktijk nooit geconfronteerd zal worden.
Ik ben (met u?) van mening, dat mensen die in de pensioen-praktijk werken, moeten weten hoe een te verzekeren dekking en de daarbij behorende premie tot stand komen. (Pensioenaanspraken bepalen; doelkapitalen berekenen; premie berekenen). Dit zeker in het huidige ‘automatiseringstijdperk’, waarbij degene, die met computers berekeningen maakt, vaak de achterliggende gedachte niet kent. En dát is wel nodig om er in de praktijk creatief mee te kunnen ‘spelen’.
Maar om dit te toetsen op een dergelijke manier als u doet, geeft geen pas. Bij een dergelijke vraag komen slechts de (wiskundig ingestelde) ‘puzzelaars’ aan hun trekken.
Vraag 4
U voert iemand op, die van baan verandert, bij zijn nieuwe werkgever eenzelfde pensioenregeling krijgt aangeboden als bij zijn ‘oude’ werkgever en in aanvang tegen een lager salaris gaat werken (!). Vervolgens vraagt u de pensioenbreuk op het moment van baansverandering te berekenen.
In uw richtlijnantwoord geeft u de berekening weer en stelt u dat er een ‘negatieve pensioenbreuk’ is, uitgedrukt in een bedrag. Er kunnen pas punten worden toegekend als de berekening klopt.
Ik vraag me af wat u doet met de antwoorden van cursisten, die direct (zonder berekening) doorhebben dat er geen pensioenbreuk kan zijn en dus vermelden, dat er geen pensioenbreuk is. Met een ‘negatieve pensioenbreuk’ in bedragen doen we in de praktijk immers niets.
Vraag 5
In deze vraag stelt u iemand uit Breda centraal, die ook nog naar België emigreert. U vraagt de maximale lijfrenteaftrek te berekenen volgens de eerste en tweede tranche.
Deze vraag is niet te beantwoorden. U geeft namelijk wel zijn ‘inkomen’ op, maar vermeldt daarbij niet of dit het fiscaal persoonlijk inkomen is (essentieel voor een berekening van de tweede tranche) en zo neen, wat dit dan wel is.
Daarna vraagt u o.a. naar het ‘woonplaatslandbeginsel’. Het kan aan mij liggen, maar die laatste term ken ik niet. Waarschijnlijk bedoelt u het ‘woonlandbeginsel’.
Vraag 6
U geeft een 7-tal stellingen, die de kandidaat met ‘juist’ of ‘onjuist’ moet beantwoorden. Daarbij vermeldt u : “Geen toelichting geven”.
Een dergelijke vraagstelling is nog erger dan een mutiple-choice vraag. De kandidaat die niet goed gestudeerd heeft, kan hier uitstekend scoren; als hij maar goed gokt!
De cursist die wel goed zijn best gedaan heeft, raakt door deze stellingen in verwarring. Sommige stellingen zijn namelijk niet eenduidig met ‘juist’ of ‘onjuist’ te beantwoorden. Het ligt er daarbij aan of het om een pensioenregeling voor een ‘gewone werknemer’ gaat danwel voor een ‘dga’. En dát geeft u niet aan.
Vraag 7
U geeft een balans op per 31-12-1994, waarop een ‘back-serviceverplichting’ voorkomt ten behoeve van een pensioenvoorziening voor een ‘dga’.
U vraagt welke bedragen in het jaar van toezegging ten laste van de verlies- en winstrekening konden worden gebracht. De toezeggingsdatum was 31-12-1989; dus 5 jaar vóór de balansdatum! Hoe vaak denkt u dat men in de praktijk met dit soort vragen te maken krijgt? Nooit dus.
Ook dit is weer een vraagje voor rekenwonders, hoewel die er eigenlijk ook niet uit kunnen komen. U geeft aan dat de pensioentoezegging op 31-12-1989 is gedaan, maar u vergeet te vermelden wanneer de verzekering is gesloten. Toezeggingsdatum van pensioenaanspraken en ingangsdatum van een verzekering hoeven in de praktijk namelijk niet gelijk te liggen!
Vraag 8
Hier vraagt u om (met behulp van de gevonden gegevens van vraag 7) aan de hand van een premie het ouderdomspensioen te berekenen. Als de kandidaat niet uit ‘7’ gekomen is, is deze vraag niet te beantwoorden. En ook hier geldt weer, wat ik bij ‘vraag 3′ heb aangegeven.
Tot zover mijn opmerkingen over 8 (van de 10!) vragen.
Feitjes-kennis
Als ik zo’n examen zie, vraag ik me af hoe lang u nog door denkt te kunnen gaan met het opstellen van dergelijke examens. Ik weet uit het verleden (bij het doen van diverse assurantie-examens) dat je goed moest zijn in het reproduceren van feitjes en formules (uit de SVV-syllabus). Dan haalde je je diploma wel. Het gaf echter nog geen enkele garantie, dat je het vak ook beheerste. Dat moest je dan in de praktijk maar leren. En die praktijk bleek vaak heel anders dan je uit je syllabus had gehaald.
Op veel onderwijsfronten is men al bezig om bij een examen niet de ‘feitjes-kennis’ van cursisten te toetsen, maar hun vaardigheid om het geleerde in de praktijk toe te passen.
Bij ‘mijn’ cursisten-groepen heb ik mensen van HBO en academisch niveau gehad. Die zakten voor een SEA-examen, omdat ze deze manier van examineren al lang niet meer gewend zijn.
Juist bij een examen voor een cursus als Pensioen Praktijk kunnen de vaardigheden wel degelijk getoetst worden.
Voorbeelden:

  • Voor het berekenen van een ‘WAO-gat’ kunt u alle gegevens inzake Ziektewet en WAO verstrekken (bijvoorbeeld – een uittreksel uit – De Kleine Gids). 
  • Voor praktische toepassingen binnen een ‘pensioenregeling’ geeft u de tekst van die regeling, de PSW, de Belastingwetten, en dergelijke in handen van de kandidaten. Vervolgens stelt u vragen zoals: bereken de pensioenaanspraken; wat gebeurt er in geval van ontslag en echtscheiding; hoe wordt een en ander fiscaal verwerkt; wat zijn de gevolgen van waarde-overdracht. U kunt daarbij uitgaan van bestaande pensioenregelingen, al dan niet een tikkeltje aangepast. Er bestaan in Nederland 22.000 verschillende pensioenregelingen, dus u kunt (bij twee examens per jaar) op deze manier nog 11.000 jaar vooruit. 
  • Voor het berekenen van een premie voor een kapitaalverzekering (met pensioenclausule) geeft u een uittreksel uit een (fictief) tarievenboekje en vraagt u vervolgens een premie te berekenen. 

Onder ‘mijn’ cursisten zijn mensen, die geen bal uitvoeren voor het examen. Die mogen niet slagen (tenzij zij vanuit hun praktijkervaring de vragen zouden kunnen beantwoorden).
Maar er zijn ook cursisten, die hun uiterste best doen en waarvan ‘in de klas’ blijkt, dat ze de materie behoorlijk onder de knie hebben. Toch zakken deze mensen voor een dergelijk examen.
Als u beseft, dat er cursisten zijn, voor wie het behalen van het diploma hun carrière kan beïnvloeden, dan hoop ik dat een en ander u tot nadenken zal stemmen.
Naar aanleiding van het examen Pensioen Praktijk I van verleden jaar heb ik u rechtstreeks geschreven. U heeft mij toen bericht dat (waarschijnlijk mede naar aanleiding van mijn brief) de oorspronkelijk gegeven examencijfers aan de kandidaten met 1 punt werden verhoogd.
Tevens heeft u mij uitgenodigd om in de examen-commissie plaats te nemen. Op zichzelf geen verkeerde suggestie. Iemand die kritiek levert, moet ook bereid zijn om aan een alternatief mee te werken.
Toch heb ik het niet gedaan. De vergoeding die u er tegenover stelt, komt neer op een uurvergoeding, die mijn moeder als ‘oppas-oma’ krijgt. Dat is voor een zelfstandige adviseur dus niet te doen.
Verder bleek mij dat, als een lid van een examen-commissie klachten behandelt, daarvoor wèl een redelijke vergoeding werd gegeven. Ik heb u toen ook gemeld dat – als je een beetje slecht denkt – de examencommissie-leden aansturen op zoveel mogelijk klachten. Dan gaat immers de kassa pas rinkelen.
Verder heb ik u de volgende suggestie aan de hand gedaan. Gebruik het budget voor de klachtenbehandeling ter beloning van de examencommissie-leden. Die zijn mede op basis van die beloning genoodzaakt een goed en evenwichtig examen op te stellen. Komen er dan nog klachten, dan ligt het aan henzelf en zullen ze die klachten gratis moeten behandelen. Op die basis zou ik wel examens willen samenstellen.
Waarom nu deze ‘open brief’?
Ten eerste, omdat ik om mij heen meer kritische geluiden hoor over uw manier van examinering, maar er blijkbaar geen verandering in te brengen is. Misschien zet deze brief een meer open discussie in gang.

te steken: niet in alle gevallen hoeft het-niet-behalen van het diploma aan hun prestaties te liggen.
Benieuwd naar een reactie (liefst in dit blad) teken ik, met vriendelijke groeten,
R. Goedhart

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.