nieuws

‘Ik durf geen grote verbeteringen in de kwaliteit van SEA-examens

Archief

te verwachten’

Mijn artikel in AM nr 8, onder de kop ‘Ik word droevig van de SEA-examens’, heeft tot een aantal reacties geleid, zowel direct naar mij persoonlijk als via AM. Uit de meeste reacties blijkt dat mijn kritiek onderschreven wordt.
Op zichzelf is het plezierig te merken dat je niet alleen staat in die kritiek. Het is echter interessanter te bezien hoe de reactie van de SEA zelf is. Want alleen die instantie kan veranderingen aanbrengen.
De SEA geeft in haar reactie in AM nr. 10 aan, dat er juist in het afgelopen jaar zowel een intern als een extern onderzoek heeft plaatsgevonden naar de examens. Op zichzelf is dat verheugend; en ook verheugend is dat daarbij een onafhankelijk instituut als het CITO betrokken is.
Alleen lijkt mij de door de SEA aangegeven reden voor een dergelijk onderzoek niet de juiste insteek. Die reden is, dat er bij een aantal examens in de voorbije periode niet goed gescoord zou zijn. Ik leid daaruit af, dat de SEA de kwaliteit van de examens af laat hangen van het scoringspercentage. Dat zou dus inhouden dat, als er bij bepaalde examens een stabiel slagingspercentage is (hoe laag ook), er dus niets verbeterd zou hoeven worden.
Mijns inziens zou echter veel meer de invalshoek moeten zijn: de vraag of de examens nog zodanig opgesteld worden, dat daaruit afgeleid zou kunnen worden dat iemand, die voor zo’n examen slaagt, vakkundig op zal kunnen treden.
Ik hoop dat ik de reactie van de SEA verkeerd interpreteer en dat men toch via deze laatste invalshoek de zaken zal bekijken.
De SEA gaat in deze publieke reactie in AM niet in op mijn inhoudelijke opmerkingen met betrekking tot het laatste examen Pensioen Praktijk 1.
De SEA heeft mij daarover wel persoonlijk een uitgebreide brief geschreven. Enkele zaken daaruit wil ik hierbij toch publiekelijk belichten.
De SEA stelt, dat het examen dient als afsluiting van het volgen van de cursus ‘Pensioen Praktijk 1’ van de SVV. Het examen moet daarbij dus naadloos aansluiten, aldus de SEA.
Dit houdt naar mijn mening dus in, dat ‘slechts’ getoetst wordt of de examenkandidaat de tekst van de syllabus wel voldoende kan reproduceren. Ook al zouden er onjuistheden in de syllabus staan, dan nog zou deze tekst gereproduceerd moeten kunnen worden…
Met alleen praktijk-kennis en de eventueel daarmee opgedane vaardigheden zou men het examen dus niet kunnen maken.
Formules kennen
Een van mijn opmerkingen was, dat je er bij examenvragen in deze tijd niet meer van uit mag gaan, dat kandidaten allerlei formules uit hun hoofd kennen (bijvoorbeeld met betrekking tot het berekenen van een ‘wao-gat’).
De SEA beaamt dit, maar stelt vervolgens dat een aspirant-pensioenadviseur de formule voor berekening van het ‘wao-gat’ toch op zijn minst moet kennen, “om zich professioneel te kunnen manifesteren”. Hoewel ik het met deze stelling niet eens ben, weten we nu dat de SEA die mening met betrekking tot die formule is toegedaan. Maar hoe zit het dan bij volgende examens met alle àndere formules, die in de syllabus voorkomen? Er is bij mijn weten geen lijstje met formules, waaruit een examen-kandidaat af zou kunnen leiden of de SEA vindt dat die nu wèl of nìet op het examen gereproduceerd moeten kunnen worden.
Er zijn volgens mij sowieso geen examen-eisen. Behalve: “het kunnen reproduceren van wat in de SVV-syllabus staat” !
Het gevolg voor de toekomstige examen-kandidaten is dus: gewoon botweg tóch alle formules uit je hoofd leren.
Te gebruiken cijfergegevens
Een volgende opmerking van mijn kant was, dat de in het examen aangeleverde cijfergegevens verwarrend zouden kunnen werken, omdat deze aan de ene kant overeenkomen met de gegevens uit ‘de werkelijkheid’, maar anderzijds dan toch weer niet kloppen. (In de vraag over het ‘wao-gat’ werd wat ‘geknoeid’ met de vakantietoeslag in de aangeleverde cijfers.)
De SEA geeft dit enerzijds wel toe, maar stelt vervolgens, dat de kandidaat het moet doen met de op het examen aangeboden gegevens. Dus als een volgende keer gesteld wordt, dat het hoogste percentage in de inkomstenbelasting in Nederland 80% is, moeten kandidaten zich daardoor niet in verwarring laten brengen, maar dit domweg als een gegeven beschouwen.
De SEA is het overigens niet eens met mijn stelling dat zij, ter berekening van een ‘tweede tranche’-premie-aftrek in de lijfrentesfeer, het ‘fiscaal persoonlijk inkomen’ op zou moeten geven. De kandidaat zou moeten kunnen volstaan met het algemene begrip ‘inkomen’.
Daaruit blijkt mijns inziens de incompetentie van de examen-commissie. In de praktijk is er wel degelijk verschil tussen bijvoorbeeld een bruto ‘inkomen’ – van waaruit in veel gevallen pensioenrechten berekend worden – en het ‘fiscaal persoonlijk inkomen’ wat essentieel is bij berekening van de aftrek volgens de tweede tranche. Men mag dan ook niet op het examen stellen dat eenzelfde begrip ‘inkomen’ als uitgangspunt zou mogen dienen voor zowel de pensioenberekening als de berekening van de lijfrentepremie-aftrek.
Verdere incompetentie
Ook blijkt de incompetentie bij de reactie van de SEA op mijn opmerkingen over het feit dat je niet zomaar bepaalde stellingen met “juist” of “onjuist” kunt beantwoorden. Ik heb daarbij aangegeven, dat er verschil bestaat tussen pensioenberekeningen voor ‘gewone’ werknemers en voor ‘directeuren-grootaandeelhouders’ (‘dga’s’).
De SEA stelt, dat een ‘dga’ ook gewoon een werknemer is en er dus verzekeringstechnisch geen verschil kan zijn met ‘een gewone werknemer’.
Zij gaat er daarbij echter aan voorbij, dat juist voor een ‘dga’ door ‘financiën’ richtlijnen zijn gegeven met betrekking tot berekening van pensioenrechten. Dergelijke richtlijnen ontbreken in wezen voor ‘gewone’ werknemers. Dit kan in de praktijk met name leiden tot verschillen in overbruggingspensioenen. En juist daarover ging nu één van de betreffende stellingen.
Onpraktische berekeningen
Op mijn opmerking dat bepaalde vragen slechts door ‘rekenwonders’ beantwoord kunnen worden en dat kandidaten in de praktijk met dergelijke vragen nooit geconfronteerd worden, gaat de SEA slechts summier in. Men stelt daarbij dat op deze manier juist de vaardigheden getoetst worden, die essentieel zijn voor de praktijk…
(Ik vraag me dan af, wat de SEA onder ‘de praktijk’ verstaat. Waarschijnlijk iets anders dan wat ik meemaak.)
Geen grote veranderingen
Samengevat komt de SEA tot de conclusie, dat – hoewel er ‘hier en daar’ wat verbeteringen mogelijk zijn – er in het afgelopen examen geen dermate onvolkomenheden zitten, waardoor examen-kandidaten gehinderd zouden zijn.
Je mag misschien niet verwachten dat de SEA volmondig toegeeft dat de examens aan een grondige reorganisatie toe zijn en vervolgens hopen dat de nu publiekelijk aangekondigde verbeteringen toch zullen leiden tot de gewenste veranderingen. Echter, een dergelijke ‘verdediging’ van het betreffende examen geeft mij niet veel hoop dat er op korte termijn grote veranderingen zullen worden aangebracht in de vorm van de betreffende examens.
Doodschamen
Ten slotte wil ik reageren op de reactie in AM nr 10 van de heer Marquenie, waarbij hij stelt dat ik me dood zou moeten schamen.
Ik ben blijkbaar in mijn eerste artikel niet helder genoeg geweest óf de heer Marquenie heeft de kern van het artikel niet goed begrepen. Het is geenszins mijn bedoeling geweest ook maar iemand te beledigen. Mocht dit zo op hem overgekomen zijn, dan ben ik best bereid me hierbij ten opzichte van hem te verontschuldigen.
Toch geeft mijns inziens de reactie van de heer Marquenie aan, waar de achilleshiel van de examen-praktijk en misschien ook wel van de assurantie-opleidingen zit.
Marquenie stelt, dat mensen zich met dit soort zaken bezig moeten houden vanuit interesse voor het verzekeringsvak. Voor de eventuele geldelijke vergoeding zou je het niet moeten doen.
In mijn optiek houdt dit juist in, dat de beroepsopleiding binnen het verzekeringsbedrijf op een amateuristische leest geschoeid zou blijven.
De heer Marquenie insinueert, dat ik binnen dergelijke activiteiten ‘op groot geld’ uit zou zijn. Daarin moet ik hem teleurstellen… (Als het wel zo zou zijn, zou ik echt niet de moeite nemen om met de SEA te corresponderen en op deze manier een discussie op gang te brengen. Dat kost een heleboel tijd..eh..geld.)
Er ligt echter een groot verschil tussen de verdienste van een door Marquenie aangehaalde Ajax-speler en de ‘onkostenvergoeding’ voor een examencommissielid, zoals die destijds door de SEA aan mij gepresenteerd is.
Ik heb alleen aan willen geven dat, wanneer ik een prestatie neer moet zetten en er wel adequaat (professioneel) voor beloond wordt (zonder er direct stinkend rijk van te worden), ik voor een dergelijke prestatie ook aansprakelijk wil zijn. Iemand die – hoe goed bedoeld ook – zich slechts uit liefhebberij voor dit soort zaken inzet, zal in mijn optiek niet al te kritisch benaderd mogen worden.
Verder gaat de heer Marquenie nogal tekeer over mijn opmerking, dat een klachtenbehandeling interessant zou zijn voor examencommissieleden. Dat is volgens hem helemaal niet het geval; zeker niet nu steeds meer mensen – ‘aangezet’ door anderen – zich over examens gaan beklagen, aldus Marquenie.
Dat dit laatste zo is, kan ik ook niet helpen. Ik denk dat ook dat te danken is aan de SEA zelf. Als ik uit het jaarverslag van de SEA over 1993 het feit haal, dat er van de 15.199 geëxamineerden 446 een klacht hebben ingediend en er uiteindelijk toch nog 149 (= 33%!) gelijk krijgen, dan is dit mijns inziens een teken aan de wand. Verbetering van kwaliteit van de examens kan ook leiden tot het indammen van die klachtenstroom.
Wat mij aangaat, trek ik me nu terug uit deze discussie. Ik heb er verder niets mee te winnen of te verliezen. Nee, meneer Marquenie, zelfs geen geldelijk gewin speelde bij mij een rol om een en ander op papier te zetten. Ik heb het slechts willen doen voor die mensen, van wie ik zie dat zij – vaak naast hun werk – hun best doen om vakkennis te verwerven en vervolgens in hun verdere ontwikkeling gestuit worden door de manier van examinering. En, om één van de reacties te citeren, “in de hoop dat de toekomstige kandidaten een eerlijke, reële kans van slagen krijgen”.
R. Goedhart

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.