nieuws

Huishoudelijke hulp als schadepost

Archief

In de letselschaderegeling komt men vaak de schadepost ‘huishoudelijke hulp’ tegen. Een lastig te begroten post, waar menige discussie over ontstaat. In dit artikel gaat mr. Maarten Tromp in op enkele discussiepunten. Daarbij behandelt hij een uitspraak van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf. Volgens Tromp is het hoog tijd dat er eenduidige criteria komen om de behoefte aan huishoudelijke hulp goed vast te kunnen stellen.

door mr. Maarten Tromp
Ogenschijnlijk gaat het bij huishoudelijke hulp om geringe bedragen. Doorgaans spreekt men immers over f 10 à f 15 per uur. Bij één uur meer of minder per week gaat het echter al over f 500 tot / 750 per jaar en bij een looptijd van vijftien jaar (is ongeveer factor 10) praten wij voor dat ene uurtje al over circa f 5.000 tot / 7.500. Geen wonder dus dat er vaak discussie ontstaat over één uur meer of minder hulp per week.
Functieverlies
Huishoudelijke hulp als schadepost is ‘het functieverlies van een slachtoffer uitgedrukt in taken en uren’. Die taken kunnen variëren van bed opmaken, koken en boodschappen doen tot ramen lappen en kinderen naar school brengen. Men moet per taak bekijken of het slachtoffer daarvoor is uitgevallen en, zo ja, voor welk gedeelte. Vervolgens moet worden bekeken hoeveel uren hulp moeten worden ingezet om de uitval op te vangen.
Er zijn statistische gegevens beschikbaar van de gemiddelde bijdragen van gezinsleden aan huishoudelijke taken. Die gegevens zullen in iedere zaak aan de concrete omstandigheden van het geval moeten worden getoetst. Uit statistische gegevens blijkt bijvoorbeeld dat bepaalde huishoudens, afhankelijk van het type woning en de gezinssamenstelling, meer dan 55 uur per week aan huishoudelijke werkzaamheden vergen.
Man/vrouw
Zowel mannen als vrouwen kunnen uitvallen voor huishoudelijke werkzaamheden. Men hoort verzekeraars wel eens stellen dat bij mannen geen sprake van schade kan zijn, omdat zij (toch) niet bijdragen aan het huishouden. Dit is een bedenkelijke stelling. Laatst hoorde ik op de radio dat uit een recent onderzoek was gebleken dat mannen tegenwoordig minder vrije tijd hebben. Mijn eerste gedachte was: “Dit moet ik mijn vrouw vertellen”. Vervolgens werd uitgelegd dat mannen nog even hard werken als vroeger, maar dat vrouwen nu een grotere bijdrage van hen verlangen in het huishouden. Toen was mijn gedachte: “Dit moet ik de schaderegelaars vertellen”.
Thuiszorg
Er is een sociale voorziening waar men aanspraak op kan maken. Dat is de zorgaanspraak Thuiszorg. In het kader van de Thuiszorg kan gezinsverzorging worden geleverd, maar ook wijkverpleging. Tevens kunnen hulpmiddelen worden uitgeleend. Het doel van de Thuiszorg is om hulp te bieden aan die huishoudens die zelf niet meer in de taken kunnen voorzien, althans niet alle taken meer kunnen vervullen. Het hogere doel is om het mogelijk te maken dat huishoudens zo lang mogelijk zelfstandig kunnen functioneren.
Om in aanmerking te komen voor Thuiszorg, moet men een indicatie vragen. Bij het stellen van de indicatie voor Thuiszorg wordt bepaald wat het resterend vermogen van de ‘leefeenheid’ is waartoe de betrokken persoon behoort. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de hulp die redelijkerwijs van de overige leden van het huishouden mag worden verwacht. Ook wordt rekening gehouden met de hulp die door familie, buren of door vrijwilligers zou kunnen worden geboden. Die informele hulp van anderen wordt ‘mantelzorg’ genoemd. Bij huishoudelijke hulp gaat het dus om de uitval van het slachtoffer, terwijl het bij Thuiszorg gaat om de uitval van de leefeenheid waartoe het slachtoffer behoort.
Schadebeperkingsplicht?
Verzekeraars verwijzen een slachtoffer vaak eerst naar een Stichting Thuiszorg. Dit in verband met de schadebeperkingsplicht. Als een slachtoffer de benodigde uren hulp via een dergelijke Stichting inroept, dan hoefde tot voor kort slechts een maximale eigen bijdrage van f 10 per uur te worden betaald. Als een slachtoffer zelf hulp regelde, dan werden de eventuele hogere kosten niet vergoed. Immers, een slachtoffer had zijn schade kunnen beperken door een beroep te doen op Thuiszorg, aldus de verzekeraars.
De Thuiszorg is sinds 1 januari 1997 een voorziening op grond van de AWBZ. De eigen bijdragen worden nu centraal opgesteld en zijn inkomensafhankelijk. Anders dan voorheen mag geen rekening meer worden gehouden met het feit dat er een aansprakelijke derde is. Het verhaal van ‘maximaal een tientje’ gaat dus niet meer op. Het exacte bedrag van de eigen bijdrage zal nu afhangen van het inkomen van een slachtoffer. Zo betaalt een slachtoffer met een belastbaar inkomen tot / 31.000 maximaal / 15 per week als hij alleen woont en maximaal / 6,25 per week als hij een inwonende partner heeft. Deze sinds 1 januari 1997 geldende wijziging is in de schaderegelingswereld nog niet alom bekend. Het is te verwachten dat naarmate de consequenties van deze wetswijziging wel in bredere kring bekend worden, de discussie omtrent de schadebeperkingsplicht verder zal toenemen.
Het is echter nog maar de vraag of een beroep door de verzekeraar op de schadebeperkingsplicht wel altijd even redelijk is. Daarbij zal de kwaliteit van de door de Thuiszorg geleverde hulp van belang zijn. Als die hulp van dezelfde kwaliteit is als de hulp die een slachtoffer via het particuliere circuit kan inkopen, dan lijkt een beroep op de schadebeperkingsplicht redelijk.
De hulp via de Thuiszorg is in de praktijk evenwel niet zonder klachten. Zo komt het voor dat de ‘thuiszorg(st)er’ niet verschijnt. Er worden vaak verschillende thuishulpkrachten ingezet. Voorts gelden er lange wachttijden. En als de hulp er dan eenmaal is, moet het slachtoffer altijd thuis zijn. De thuishulpkrachten mogen namelijk geen sleutel van het huis ‘aanvaarden’. En dan kan het nog voorkomen dat het budget van de Stichting op is, of dat de Stichting geen arbeidskrachten beschikbaar heeft. Ten slotte is sprake van regionale verschillen in beleid en in toetsingscriteria, waardoor willekeur ontstaat. Vaak zal de hulp in het kader van de Thuiszorg niet van een gelijkwaardige kwaliteit zijn als die welke via het particuliere circuit kan worden ingekocht, terwijl de hulp via de Stichting ook heel vaak als een inbreuk op de privacy wordt ervaren.
Concreet of abstract berekenen?
Een verzekeraar wil zich nog wel eens op het standpunt stellen dat daadwerkelijk huishoudelijke hulp moet worden ingeroepen en bekostigd, voordat sprake is van schade.
Daarbij lijkt te worden miskend dat de schade bestaat uit een functieverlies. In feite is er sprake van verlies aan arbeidsvermogen. Zonder het ongeval werd er niet voor betaald, maar met het ongeval moet vervangende hulp worden ingezet. Daar is niet om gevraagd.
Voorzover door derden ‘om niet’ hulp wordt geleverd, is sprake van verplaatste schade in de zin van artikel 6:107 BW. Bovendien heeft het Verbond van Verzekeraars in 1980 voor de letselschaderegeling gedragsregels en aanbevelingen opgesteld. In aanbeveling 3.5 wordt bepaald dat desgevraagd een redelijke vergoeding voor de interne hulp moet worden betaald. Dat betekent dus dat de post huishoudelijke hulp abstract mag worden berekend. Bedenk daarbij dat veel slachtoffers in het begin niet eens weten dat zij een aanspraak hebben op Thuiszorg. Denkbaar is ook dat men de maximale eigen bijdrage niet kan voorfinanciëren, mede vanwege de overige kosten (en ellende) waar men na een ongeval mee wordt geconfronteerd. Het is dan alleszins redelijk dat de huishoudelijke werkzaamheden zoveel mogelijk intern worden opgevangen, om de eindjes aan elkaar te knopen. Dat betekent echter nog niet dat er geen schade (meer) is. Vergelijk het met een auto die is beschadigd en niet wordt gerepareerd, omdat daar geen geld voor is. Ook dan blijft er nog steeds sprake van schade.
Een abstracte schadeberekening strookt ook beter met de theorie. Bij personenschade wordt namelijk ruimer toegerekend dan bij zaakschade. Bij zaakschade geldt in het algemeen dat men in principe aanspraak kan maken op een concrete schadevergoeding, tenzij een abstracte schadevergoeding hoger is. Waarom zou dat bij personenschade dan niet gelden?
Welk uurloon?
Een andere vraag is welke vergoeding moet worden betaald voor zo’n intern uur. Moet aansluiting worden gezocht bij de eigen bijdrage of mag een hoger markttarief worden gevraagd? Dat zal van de omstandigheden afhangen. Uit een niet-gepubliceerd vonnis van 3 mei 1995 van de Rechtbank Amsterdam (rolnummer H 92.2902) zou volgen dat voor die uren het hogere markttarief kan worden geclaimd. Het lijkt in ieder geval niet juist om voor deze interne uren een lager bedrag te betalen dan de eigen bijdrage die in het kader van de Thuiszorg zou worden gevraagd.
Waarde van indicatiestelling?
In het kader van de Thuiszorg wordt de indicatie vastgesteld op grond van het Landelijk systeem Thuiszorg. Dat systeem geeft richtlijnen voor gemiddelde taaktijden in de huishouding. Zoals reeds opgemerkt, wordt daarbij rekening gehouden met de inzetbaarheid van mantelzorg.
De indicatie wordt uitsluitend en alleen gebaseerd op de door het slachtoffer verstrekte gegevens. Die gegevens worden niet getoetst aan medische informatie of aan een eventueel beperkingen-profiel. Ook wordt er geen rekening gehouden met de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de woonsituatie, de gezinssamenstelling in de loop der jaren, het al dan niet werken van de partner en het takenpakket van de overige gezinsleden. Dat alles maakt de indicatiestelling niet erg betrouwbaar.
Kan een indicatiestelling voor Thuiszorg desondanks voor de schaderegeling van nut zijn? Daar kan men verschillend over denken. Op zich heeft het indicerend orgaan ervaring met de problematiek. Bovendien rekenen zij voor de indicatie een redelijk bedrag (tussen de / 150 en / 250). Een indicatiestelling zou in de schaderegeling als een uitgangspunt kunnen worden gebruikt. Met name in die zaken waarin sprake is van een geringe uitval en/of in die zaken waarin men bereid is om de subjectieve gegevens van het slachtoffer als objectief gegeven te aanvaarden. Wel is het dan goed om bij de aanvraag aan te geven dat geen rekening mag worden gehouden met mantelzorg. Ook is het raadzaam om aan te geven dat de hulp niet daadwerkelijk via de Stichting zal worden ingeroepen. Dat voorkomt dat de Stichting wellicht aan de krappe kant zal indiceren onder invloed van een krap budget of het niet beschikbaar hebben van inzetbare krachten.
Het blijft echter van belang om de relativiteit van de waarde van de indicatie voor de schaderegeling voor ogen te houden. Niet elke Stichting is gewend om desgevraagd de mantelzorg buiten beschouwing te laten. Bovendien ligt het voor de hand dat de indicaties door de Stichting Thuiszorg in de toekomst steeds scherper zullen worden gesteld onder invloed van de zich steeds verder terugtrekkende overheid.
Arbeidsdeskundig onderzoek
De indicatiestelling gaat meestal uit van een momentopname. Die situatie kan veranderen, zeker bij jonge slachtoffers. Met name in zaken waar sprake is van ernstig letsel, of in zaken met een lange looptijd, kan het raadzaam zijn om een arbeidsdeskundige in te schakelen met het verzoek om een aanvullend onderzoek te verrichten naar de omvang van de behoefte aan huishoudelijke hulp. Al was het maar voor een contra-indicatie. Mogelijk kunnen daarbij ook enige uitgangspunten voor de toekomst worden geformuleerd.
Anders dan de Stichting zal een arbeidsdeskundige eventuele statistische gegevens wel relateren aan de feitelijke situatie van het slachtoffer. Bovendien zal een arbeidsdeskundige de medische informatie in zijn onderzoek betrekken, evenals een beperkingen- profiel. Sterker nog: zonder een goed beperkingen- profiel zal hij niet (mogen) overgaan tot het vaststellen van de behoefte aan huishoudelijke hulp. Voorts kan het inzetten van een arbeidsdeskundige raadzaam zijn, omdat hij kan adviseren met betrekking tot eventuele voorzieningen of hulpmiddelen waardoor de benodigde hulp kan worden verminderd.
De kosten van een arbeidsdeskundig onderzoek kunnen behoorlijk oplopen. Dat is vaak een argument van verzekeraars om niet zonder meer akkoord te gaan met een nader onderzoek. De vraag rijst of dat standpunt niet op gespannen voet staat met gedragsregel 2.1 en 2.2 van het Verbond van Verzekeraars, waarin is bepaald dat verzekeraars zich actief moeten opstellen.
Het belang van arbeidsdeskundig onderzoek zal naar alle waarschijnlijkheid in de toekomst nog verder toenemen als de criteria voor de Thuiszorg verder worden verscherpt, al dan niet onder invloed van de terugtredende overheid. Het is bepaald niet ondenkbaar dat de arbeidsdeskundige, steeds vaker dan nu reeds het geval is, van mening zal zijn dat er meer uren hulp nodig zijn dan de Stichting heeft geïndiceerd. Als die extra uren intern of via het particuliere circuit zouden worden ingevuld, bepaalt de eerder genoemde aanbeveling 3.5. dat daarvoor een redelijke vergoeding moet worden betaald.
Raad van Toezicht
De Raad van Toezicht (RvT) heeft op 18 november 1996 een uitspraak (RvT III – 96, 41) gedaan met betrekking tot de post huishoudelijke hulp. Het ging om een mevrouw die ten gevolge van een whiplash in verminderde mate in staat was om huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Daarover bestond geen discussie. De verzekeraar verbond echter aan de schadevergoeding de voorwaarde dat de mevrouw in kwestie zou aantonen dát zij daadwerkelijk huishoudelijke hulp heeft gehad én bekostigd.
De mevrouw had evenwel begrepen dat de verzekeraar had toegezegd om het bedrag te betalen dat de Stichting als eigen bijdrage in rekening zou brengen, indien zij een beroep op die Stichting zou doen. De klacht spitst zich vervolgens toe op de uitleg van die vermeende toezegging. Dat lijkt ook logisch als men bedenkt dat de RvT toetst aan de vraag of een verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf heeft geschaad. De RvT doet immers geen uitspraak over de vraag of er aansprakelijkheid bestaat. Ook doet zij geen uitspraken over de omvang van de schade.
Na een uitvoerige bespreking van de correspondentie tussen de advocaat van mevrouw en de verzekeraar, besliste de RvT uiteindelijk dat de verzekeraar geen toezegging had gedaan, zoals door mevrouw bedoeld. En zo kon de RvT tot de conclusie komen dat de verzekeraar de goede naam van het verzekeringsbedrijf niet had geschaad. Het is echter zeer wel denkbaar dat de RvT wel tot een klachtwaardig handelen had kunnen oordelen als mevrouw had gesteld dat de verzekeraar in strijd handelde met aanbeveling 3.5 door niet te erkennen dat in het kader van de schaderegeling voor de ingezette mantelzorg een redelijke vergoeding moet worden betaald. Bovendien zou dan tevens sprake zijn van onrechtmatig handelen van de verzekeraar (zie HR 12 januari 1996, RvdW 1996, 31), waarover men het oordeel van de rechter zou kunnen vragen.
Enkele stellingen
Er zijn veel verschillen tussen de schadepost ‘huishoudelijke hulp’ en de sociale voorziening ‘Thuiszorg’. Die verschillen zijn niet altijd even duidelijk. Mede daardoor doen zich in de schaderegeling bijna altijd discussies voor met betrekking tot de begroting van deze post.
Met de volgende stellingen hoop ik er aan bij te dragen dat enerzijds enkele discussies worden beëindigd en anderzijds dat enkele andere discussies juist worden gestart.

  • Er is geen sprake van een tendens tot hogere schadevergoedingen. Het is eerder zo dat wij ons nu pas beseffen dat vroeger te weinig is betaald. 
  • Thuiszorg is een minimumvoorziening. Een slachtoffer hoeft daar in het kader van de schaderegeling niet zonder meer genoegen mee te nemen. 
  • De schadepost huishoudelijke hulp leent zich voor een meer abstracte benadering. Dat strookt ook met de aanbevelingen van het Verbond van Verzekeraars. 
  • Het ware te overwegen om slachtoffers die een derde voor hun schade aansprakelijk kunnen stellen, de aanspraak op Thuiszorg te ontnemen. Dat zou de discussie een stuk eenvoudiger maken. Dat zou ook passen binnen de huidige tendens om de schade daar te leggen waar deze wordt veroorzaakt. 
  • Het belang van arbeidsdeskundig onderzoek bij de vaststelling van de omvang van deze post zal in de toekomst eerder toenemen dan afnemen. 
  • Het is wenselijk om eenduidige criteria te ontwikkelen ter vaststelling van de behoefte aan huishoudelijke hulp in het kader van de letselschaderegeling. Een mooie taak voor het net geïnstalleerde Nationaal Platform Personenschade? 
Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.