nieuws

Hoge Raad beperkt beroep ziektekosten- verzekeraars op billijkheidscorrectie

Archief

Op 2 juni 1995 heeft de Hoge Raad drie arresten gewezen die betrekking hebben op de vraag hoe art. 6:101 BW moet worden toegepast, in het bijzonder in gevallen waarin de aansprakelijkheid gebaseerd is op art. 31 WVW (thans art. 185 WVW). Het gaat in alle drie gevallen om ziektekosten van een kind jonger dan 14 jaar waarvoor een ziektekostenverzekeraar/ziekenfonds regres neemt op de eigenaar van de auto of diens WAM-verzekeraar. De arresten zijn van belang, niet alleen omdat daarin beslist wordt over de vraag of de ziektekostenverzekeraar van een kind, jonger dan 14 jaar, wordt “gesubrogeerd in zieligheid”, maar vooral omdat de Hoge Raad in deze arresten aangeeft hoe art. 6:101 BW in de rechtspraktijk moet worden toegepast. De arresten zijn inmiddels gepubliceerd in Rechtspraak van de Week en wel onder de nummers 118, 119 en 120.

door mr W.A. Luiten
1. Rechtspraak van de Week 1995 nr 118In dit arrest gaat het om 12-jarig meisje dat op de fiets bij een kruising naar links afslaat en daarbij de bocht afsnijdt waarna een botsing plaatsvindt met een tegemoetkomende automobilist. Het Hof Leeuwarden besliste in deze zaak dat wanneer een kind de leeftijd van 14 jaar nog niet heeft bereikt, niet alleen het kind zelf, maar ook de verhaalzoekende verzekeraar te wiens laste de ziektekosten zijn gekomen, in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van 100% van de schade, behalve in gevallen van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.
De Hoge Raad vernietigt het arrest.
In een drietal arresten (Ebele Dillema, Ingrid Kolkman en Marbeth van Uitregt) – zo overweegt de Hoge Raad – zijn regels ontwikkeld ter bescherming van kinderen jonger dan 14 jaar. Die regels komen erop neer dat het kind in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van 100% van zijn schade. Voor volwassen verkeersdeelnemers heeft de Hoge Raad in het arrest IZA/Vrerink minder vergaande regels geformuleerd. Een volwassen voetganger of fietser heeft in beginsel aanspraak op vergoeding van tenminste 50% van zijn schade. De Hoge Raad overweegt dat toepassing van de 100%-regel voor kinderen en de 50%-regel voor volwassenen berust op de billijkheid in de verhouding tussen een automobilist wiens aansprakelijkheid verplicht verzekerd is en een voetganger of fietser die slachtoffer wordt in het verkeer en die anders zijn schade persoonlijk zou moeten dragen. Dit billijkheidsargument verliest zijn gewicht wanneer de schade ten laste van een verzekeraar is gekomen. Zowel de 100%-regel als de 50%-regel is de resultante van dezelfde rechtsontwikkeling. Er is daarom geen rechtvaardiging om bij kinderen jonger dan 14 jaar, zoals het Hof Leeuwarden deed, af te wijken van de regel vastgelegd in IZA/Vrerink, namelijk dat de ziektekostenverzekeraar niet mag profiteren van deze billijkheidscorrectie. Nu het Hof ten onrechte heeft beslist dat de ziektekostenverzekeraar profiteert van de 100%-regel kan het arrest niet in stand blijven.
2. Rechtspraak van de Week nr 120In dit arrest gaat het om een 6 jaar oud kind dat hollend de weg oversteekt bij de nadering van een personenauto. Bij de aanrijding die dan volgt, raakt het kind gewond, waarna het ziekenfonds regres neemt op de automobilist/eigenaar van de auto. Deze beroept zich op eigen schuld van het voetgangertje. Het Hof Den Haag besliste dat het foutieve gedrag van de automobilist moet worden afgewogen ten opzichte van de jeugdige onbezonnenheid van het kind. Die afweging leidt ertoe dat het kind wel enig schuldverwijt valt te maken, maar in zo’n geringe mate dat het in het niet zinkt vergeleken met de door de automobilist gemaakte fout. Ook dit arrest wordt vernietigd. Het Hof heeft – zo oordeelde de Hoge Raad – onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de causale maatstaf en de billijkheidscorrectie en daardoor onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtengang die tot de beslissing heeft geleid.
3. Rechtspraak van de Week nr 119Hier gaat het om een 5 jaar oud meisje dat van achter een geparkeerd staand busje de weg oversteekt. Het ziekenfonds neemt regres en de WAM-verzekeraar beroept zich jegens het ziekenfonds op overmacht en eigen schuld. Zowel de rechtbank als het Hof Amsterdam verwerpen dit. Het Hof overweegt dat, gelet op de omstandigheden van het geval en gelet op de leeftijd van het kind, het oversteken van de rijweg door het kind een fout is die in het niet zinkt tegenover de onvoorzichtige rijwijze van de automobilist, zodat de aanrijding redelijkerwijs niet aan het kind kan worden toegerekend. Ook deze beslissing van het Hof blijft niet in stand. De Hoge Raad begrijpt de beslissing van het Hof aldus dat zowel het weggedrag van de automobilist als het gedrag van het kind tot het ontstaan van de schade heeft bijgedragen, maar dat wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de andere omstandigheden van het geval (waaronder begrepen de jeugdige leeftijd van het kind) de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht van de automobilist geheel in stand blijft. Deze beslissing is niet juist omdat het Hof op de regresvordering van het ziekenfonds de billijkheidscorrectie heeft toegepast in verband met de zeer jeugdige leeftijd van het kind.
Artikel 6:101 BW nader toegelicht
De gerechtshoven te Leeuwarden, Den Haag en Amsterdam hadden dus art 6:101 verkeerd toegepast.
De Hoge Raad gaat in de drie arresten uitvoerig in op de vraag hoe art. 6:101 BW wél moet worden toegepast en hoe daarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen de persoonlijk geleden schade en een regresvordering.
Bij toepassing van art. 6:101 BW moeten als het ware drie stappen worden gemaakt (waarbij ik mij dan concentreer op aanrijdingen tussen gemotoriseerd en niet-gemotoriseerd verkeer):
a. Toepassen causale maatstaf.Bij elke vordering – ongeacht of het gaat om een persoonlijk geleden schade of om een regresvordering – moet worden vastgesteld in welke mate enerzijds het weggedrag van het slachtoffer en anderzijds de wijze van rijden van het motorrijtuig gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven heeft geroepen. Hierbij blijft de mate van verwijtbaarheid buiten beschouwing. (Weliswaar zal naarmate de gevaarlijkheid toeneemt veelal ook de verwijtbaarheid toenemen, maar noodzakelijk is dat niet. Te denken valt bijvoorbeeld aan gevaarlijk gedrag van een kind dat het evenwel niet kan worden toegerekend.) Wanneer aldus de schade causaal is toegerekend aan beide partijen komt de billijkheidscorrectie aan de orde. De wet kent hiervoor twee gronden.
b. Toepassing van de billijkheidscorrectie wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fout.Het gaat hierbij niet om de gevaarlijkheid van de gedraging, maar om de mate waarin een gedraging (die als een fout valt te kwalificeren) kan worden verweten. Niet uitgesloten is dat een beroep op de billijkheidscorrectie wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fout mogelijk is wanneer de eisende partij een regresnemende ziektekostenverzekeraar of ziekenfonds is.
c. Toepassen van de billijkheidscorrectie wegens andere omstandigheden van het geval.Hieronder vallen de in de rechtspraak ontwikkelde 50%-regel voor de persoonlijk geleden schade van een voetganger of fietser als gevolg van een botsing met een gemotoriseerd voertuig en de 100%-regel voor persoonlijk geleden schade van kinderen jonger dan 14 jaar. Deze regels gelden niet voor ziektekostenverzekeraars en ziekenfondsen. Niet uitgesloten is dat de rechtspraak in de toekomst meer gronden voor billijkheidscorrectie wegens andere omstandigheden van het geval zal vaststellen.
Opmerkingen
1. In deze arresten geeft de Hoge Raad duidelijkheid over de vraag of en in hoeverre aan een ziektekostenverzekeraar/ziekenfonds een beroep toekomt op de 100%-regel voor jonge kinderen. Dat is niet het geval, net zo min als dat het geval is voor de 50%-regel voor volwassenen.2. De arresten zullen vermoedelijk tot gevolg hebben dat de mogelijkheden tot verhaal van de ziektekosten beperkt zullen zijn. Veelal is de schade immers een gevolg van een fout van de voetganger of fietser (b.v. plotseling de weg oversteken). De ziektekostenverzekeraar profiteert niet meer van de zieligheid van het slachtoffer.3. De Hoge Raad geeft een duidelijk schema voor toepassing van art. 6:101 BW. Dit schema sluit geheel aan bij de tekst van het wetsartikel.4. Niet duidelijk is hoe de causale maatstaf zal moeten worden toegepast. Indien het normatieve aspect hier buiten beschouwing moet blijven, is kennelijk de natuurwetenschappelijk vast te stellen causale bijdrage beslissend. Hoe zal echter moeten worden vastgesteld in welke mate verschillende gedragingen ieder voor zich tot de schade hebben bijgedragen? Indien een auto bijvoorbeeld 10 km te hard rijdt en een voetganger zonder op te letten de weg oversteekt, hoe moet men dan de causale bijdrage van ieder van hen vaststellen?5. Voor de causale bijdrage van de automobilist is beslissend in welke mate zijn wijze van rijden gevaar voor het ontstaan van een aanrijding in het leven heeft geroepen. Betekent dit dat voor het gevaarzettend vermogen van de auto als element in de causale toerekening geen plaats meer is?6. Aan ziektekostenverzekeraars/ziekenfondsen komt een beroep toe op de billijkheidscorrectie wegens de uiteenlopende mate van verwijtbaarheid. Zal de discussie nu herleven over de vraag of en zo ja, in hoeverre, aan jonge kinderen van hun gedragingen een verwijt kan worden gemaakt? Vanaf welke leeftijd zullen kinderen geacht worden een overtreden norm te kennen en vanaf welke leeftijd kunnen zij geacht worden zich overeenkomstig die norm te gedragen? De discussie die op dit punt uitgebannen leek, komt vermoedelijk weer in volle omvang aan de orde.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.