nieuws

Het zout in de rampenpap

Archief

In deze zomerse vakantietijd is de aandacht voor het op te richten rampenfonds behoorlijk verslapt. Voor de Nederlandse bevolking is de consternatie van de (deels dreigende) overstromingen van het voorjaar naar de achtergrond verdwenen, verzekeraars zijn in algemene zin tevreden over het met de overheid gesloten convenant over hun risicodragende betrokkenheid bij het fonds en regering en parlement zijn met zomerreces. Vlak voor de parlementaire vakantie voerde minister Zalm van Financiën nog overleg met de Tweede Kamer over het rampenfonds, in de wandeling ten onrechte al omgedoopt tot rampenverzekering. Uit dat eerste overleg bleek dat, hoewel men niet juichend langs de zijlijn staat, onze volksvertegenwoordigers toch niet zover willen gaan dat ze de regeling afwijzen. Ondanks deze rust en tevredenheid is er een belangrijk aspect in de discussie rond het fonds blijven “hangen”, namelijk het zoute water.

Zowel in het overleg tussen verzekeraars en overheid als tussen minister Zalm en het parlement is het onderwerp van de zoutwater-overstroming aan de orde geweest. In de optiek van de minister van Financiën moet de reikwijdte van het fonds niet verder gaan dan de vergoeding van schade door aardbeving en zoetwater-overstroming. Als argument om zoutwater-overstromingen niet mee te nemen komt steeds naar voren dat het daarbij niet gaat om “het kleinere rampenwerk” (aldus Zalm), maar om schaden van gigantische omvang. Dit argument wordt vooralsnog door verzekeraars en parlement (als zoete koek) geslikt. Naar mijn mening is het als argument voor het volkomen negeren van het zoute water echter geheel onterecht.
Zoetwater-overstromingen kunnen net als hun zoute zusjes zorgen voor enorme schade. De geschatte schade door het onderlopen van de Tielerwaard met zoet rivierwater bijvoorbeeld loopt in de miljarden. Bovendien is het zeker niet zo dat er zich geen “kleiner zoutwater-rampenwerk” kan voordoen. Onze trotse Deltawerken kennen zwakkere plekken. Volkomen onverwachts kan zich een dijkval voordoen zonder dat er sprake hoeft te zijn van uitzonderlijke omstandigheden als in 1953. In die situatie zou het toch totaal onlogisch en in het geheel niet aan het publiek uit te leggen zijn dat het rampenfonds geen soelaas zou bieden voor de bewoners van een ondergelopen polder.
Zowel zoet- als zoutwater vormen voor ons land risico’s die zich slecht laten voorspellen. Voor het weglaten van de (beperkte) zoutwateroverstroming uit de regeling rond het rampenfonds zijn geen valide argumenten aan te voeren. Evenmin is er reden voor een uitstel van de discussie over het zoute water tot na de “proef”-periode van drie jaar, waarin het rampenfonds zijn waarde moet bewijzen. Niet alleen het parlement, maar zeker ook verzekeraars individueel of via het Verbond (zij worden uiteindelijk toch door het publiek aangekeken op het functioneren van de rampen”verzekering”) moeten zich alsnog sterk maken bij de regering om het zout in de rampenpap te krijgen. A.J. de Jonge, Verzekeringen ZLM

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels

Reageren kan op twee manieren.

Meld uzelf als gebruiker aan, uw naam verschijnt dan automatisch bij de reacties.

Of vink de optie gast aan en reageer onder eigen naam of een schuilnaam. Inlog en wachtwoord zijn dan niet nodig. Het kan maximaal 1 minuut duren voordat uw reactie zichtbaar wordt.

Een e-mailadres wordt altijd gevraagd maar nooit getoond.